Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 20 min.
Herkomst:




De student en de Drakenprinses

In de grote tempel van de stad Yeng Tsjeng staat een beeld met een beschadigd gezicht. Het is het beeld van de stadsgod. Vreemdelingen, die de tempel bezoeken, vragen dikwijls: "Hoe komt het toch, dat het gezicht van de god zo geschonden is en waarom wordt het niet hersteld?"

De bewoners van Yeng Tsjeng geven altijd hetzelfde antwoord: "We hebben al vaak geprobeerd, het gezicht van onze stadsgod te herstellen, maar steeds vallen de lak, de verf en het bladgoud er weer af. Onze god heeft voor goed zijn gezicht verloren." En dan vertellen ze de volgende geschiedenis:

Honderden jaren geleden leefde in de stad een arme student. Hij had geen ouders meer en woonde in het huis van zijn oom. Hij heette Liu-I, en hij had een treurig lot. Zijn oom, een eenvoudige handwerksman, hield niet van hem.

"Nu ben ik goed genoeg, om mijn neef te verzorgen," zei hij. "Maar als hij eenmaal zijn examens gedaan heeft en ambtenaar is geworden, zal hij me verachten." De arme Liu-I voelde zich dan ook helemaal niet gelukkig.

Op een dag miste zijn tante een mooie, gouden haarspeld. Ze had maar weinig sieraden en was erg verdrietig over dit verlies. Haar man zei: "Zeg, Liu-I, kun jij niet zeggen, waar die speld is? Je tante weet zeker, dat ze hem in huis verloren heeft. Iemand moet hem toch gevonden hebben?" Liu-I voelde dat zijn oom hem verdacht. Hij zei: "Laten we naar de tempel gaan. Daar zal ik de stadsgod vragen, mijn onschuld te bewijzen."

Met z'n drieën gingen ze de volgende dag naar de tempel. Voor het beeld van de stadsgod bleven ze staan. Liu-I boog heel diep en sprak: "Als ik de speld van mijn tante gestolen heb, laat mij dan struikelen bij het verlaten van de tempel." Maar ach, hij werd wel bitter door de stadsgod teleurgesteld. Want toen hij over de hoge drempel van de tempel wilde stappen, gleed zijn voet uit en viel hij op de grond. Iedereen geloofde nu stellig, dat Liu-I een dief was. En met boze woorden joeg zijn oom hem de deur uit.

Wat moest de arme jongen nu doen? Studeren kon hij niet meer. Nooit zou hij meer examen kunnen doen en ambtenaar worden. Als een zwerver trok hij door het land, terwijl hij trachtte de kost te verdienen. Maar, zonder dat hij het wist, vergezelden vriendelijke geesten hem.

Terwijl hij door een eenzame streek trok, zag hij in de verte een meisje, dat geiten hoedde. Het meisje ging naar hem toe en sprak: "Edele Heer, zoudt u mij willen helpen? Ik ben ongelukkig en heb niemand, die mij bijstaat." Liu-I antwoordde: "Ik ben geen edele heer, maar een arme student. Ik sta ook alleen op de wereld. Maar als ik u helpen kan, wil ik dit wel doen."

Het meisje vertelde hem toen haar geschiedenis.

"Mijn vader is de drakenkoning van het Dongting meer. Toen ik nog heel jong was, hebben mijn ouders mij uitgehuwelijkt aan de zoon van de riviergod Tsjing. Maar mijn echtgenoot houdt niet van mij. Hij is een dronkaard en een speler, en heeft me zo slecht behandeld, dat ik me beklaagd heb bij zijn ouders. Maar die willen geen kwaad horen van hun zoon en hebben mij gedwongen, in weer en wind deze kudde geiten te hoeden. Zoudt u deze brief aan mijn vader willen geven?"

Liu-I schrok wel een beetje. "Maar hoe kan ik, arme student, uw vader die drakenkoning van het meer is, ontmoeten?" vroeg hij.

"Dat is heel gemakkelijk," antwoordde het meisje. "Ten noorden van het Dongting meer staat een grote boom. Hij wordt door de bewoners van die streek "de Beschermer der Aarde" genoemd. Als u met uw gordel drie maal tegen de stam van deze boom slaat, zal een dienaar van mijn vader verschijnen."

Liu-I wilde het arme meisje niet teleurstellen en beloofde, de brief over te zullen brengen. Na enige maanden kwam hij bij het Dongting meer aan. Spoedig zag hij de Beschermer van de Aarde staan. Hij aarzelde even... Toen vatte hij moed en sloeg drie maal met zijn gordel tegen de stam. Ogenblikkelijk verrees uit de golven van het meer een prachtig geklede krijgsman, die een blinkend zwaard droeg. De krijgsman vroeg wat Liu-I wilde.

"Ik zou graag uw grote koning willen spreken," antwoordde Liu-I.

"Volg mij dan," zei de krijgsman.

Bij het meer gekomen, sloeg hij met zijn zwaard op de golven. Het water verdeelde zich en tussen twee wanden van kristal volgde Liu-I de krijgsman over de bodem van het meer. In de verte zag hij het paleis van de drakenkoning liggen. Het was versierd met honderden torentjes en schitterde van de edelstenen.

De krijgsman voerde Liu-I het slot binnen en liet hem in een grote zaal wachten. De arme student keek eens om zich heen. Alle schatten der aarde waren hier in overvloed aanwezig. De muren, de zuilen, de vloeren waren van edelstenen, die Liu-I tot nog toe alleen gezien had in de ringen en andere kostbare sieraden der rijken.

Eindelijk verscheen de drakenkoning. Hij sprak: "Wat voert u hierheen, reiziger uit de wereld der mensen?"

Liu-I vertelde hem van de ontmoeting met de geitenhoedster en overhandigde de koning de brief, die zij hem gegeven had. Toen de koning de brief van zijn dochter gelezen had, toonde hij zich vreselijk bedroefd. "Het is mijn schuld, dat mijn dochter zo ongelukkig is," riep hij uit. "Waarom heb ik geen betere echtgenoot voor haar uitgezocht? Waarom heb ik haar tegen haar zin gedwongen, met een woesteling te trouwen? Maar ik zal mijn fout weer goed maken." Hij wenkte een krijgsman en gaf hem opdracht, de prinses te halen.

Toen de boodschapper vertrok, veranderde hij plotseling in een vreselijke draak, met bliksemende ogen en vlammende muil. Een donderslag weerklonk en deed het slot dreunen. Vol schrik viel Liu-I ter aarde. De koning hielp hem echter weer op en sprak: "Wees niet bevreesd. Mijn dochter zal spoedig hier zijn." En werkelijk, het duurde niet lang, of de krijgsman kwam terug, gevolgd door de prinses. Haar kleding bestond uit ragfijne sluiers en ze was zo mooi, dat Liu-I slechts met moeite de geitenhoedster in haar herkende. Ze bedankte hem hartelijk voor zijn hulp.

Ter ere van haar terugkomst gaf de koning de volgende dag een groot feest, waarop hij tal van gasten genodigd had. De tafels waren beladen met de heerlijkste spijzen en iedere gast had een grote beker, die door een bediende telkens weer met wijn gevuld werd. Liu-I dronk heel weinig, maar veel gasten en ook de koning gebruikten meer wijn, dan goed voor hen was. Spoedig begonnen ze wartaal uit te slaan. Liu-I deed, of hij niet merkte, dat de koning dronken was, want hij zag, dat de prinses zich over haar vader schaamde.

Nadat de drakenkoning weer enige bekers wijn gedronken had, riep hij zo luid, dat iedereen het horen kon: "Zeg Liu-I, waarom zou je weer een arme zwerver worden? Blijf hier, dan kun je met mijn dochter trouwen."

De prinses schaamde zich zo, toen ze bemerkte, dat alle gasten haar aankeken, dat ze vlug de feestzaal verliet. Liu-I werd ook boos over deze grove woorden. Hij zei: "Ik heb de prinses geholpen, omdat ik medelijden met haar had, en niet, om me zelf te bevoordelen." Alle aanwezigen werden stil en verdwenen, de een na de ander.

De volgende dag, toen de koning niet meer dronken was, zei hij: "Liu-I, ik vraag je vergeving voor mijn woorden van gisteren."

"Ik zou graag weer naar de wereld der mensen terugkeren," was alles, wat Liu-I antwoordde.
"Dat kan geschieden," sprak de drakenkoning. Hij riep een dienaar, die Liu-I naar de oever van het meer bracht en hem daar verliet.

Liu-I zwierf verder. Maar vanaf die dag was het geluk met hem. Alles, wat hij ondernam, leverde hem veel geld op. Zo kwam het, dat hij spoedig rijk was. Hij vestigde zich in een grote stad en het duurde niet lang, of hij was de rijkste van de kooplieden daar.

Daar hij zich eenzaam voelde, wilde hij een vrouw zoeken. Nu, er waren meisjes genoeg, die graag met de rijke koopman wilden trouwen. Maar Liu-I vond het moeilijk, om zijn keus te bepalen.

Op zekere dag had hij een nieuw kleed nodig. Zijn dienaar zei tegen hem: "De fijnste zijde vindt u bij een weefster, die niet ver hier vandaan woont. Niemand weet precies, wie ze is. Maar iedereen prijst haar kundigheid. Niemand kan zo mooi weven als zij."

Liu-I liet zich door zijn dienaar naar het huis van de weefster brengen. Hij kocht een groot stuk zijde van haar en maakte toen een praatje. Ze vertelde hem, dat ze weduwe was en met weven de kost moest verdienen. Liu-I was zo tevreden over de stof, dat hij nog vele malen bij haar terugkwam. Telkens was ze heel vriendelijk tegen hem en liet hem zien, hoe zij met haar weef stoel werkte.

Toen hij haar enige maanden kende, zei hij tegen haar: "Nu moet je vier grote stukken zijde voor me weven: een blauw, een rood, een geel en een zwart stuk."

"Daar zal ik een hele tijd voor nodig hebben," sprak de jonge weduwe.

"Dat is niet erg," antwoordde hij. "Maar doe je uiterste best en haast je niet. De stoffen moeten de fijnste zijn, die je ooit geweven hebt. Want ze zijn bestemd voor de feestkleren, die mijn bruid en ik op onze trouwdag zullen dragen."

Na een maand waren de stoffen klaar. Toen de jonge weduwe hem de lappen overhandigde, scheen ze bedroefd te zijn. Maar Liu-I deed, of hij niets merkte. Hij liet uit de zijde twee gewaden maken, een voor zichzelf en een voor zijn bruid. Daarna liet hij de jonge weduwe komen en zei: "Hier is je bruidskleed. Want als je wilt, zou ik graag met je trouwen." Blij verrast keek ze hem aan.

Toen ze trouwden, sprak iedereen uit de stad over het huwelijk van de rijke Liu-I met de arme weduwe. Maar de mensen, die haar kenden, zeiden: "Liu-I heeft gelijk. Zij is een lieve vrouw en zal hem zeker gelukkig maken." En Liu-I werd werkelijk heel gelukkig met haar.

Op een dag zei hij tegen haar: "Het is net, of ik je vroeger al eens gezien heb, maar ik weet niet meer waar..." Zij gaf geen antwoord en lachte maar.

Na een jaar werd hun eerste zoon geboren. Wat was Liu-I blij! En toen sprak zijn vrouw: "Nu ik je een zoon geschonken heb, zal ik je mijn geheim verraden. Je meent, dat je een arme weduwe getrouwd hebt. Daaruit blijkt je goede hart. Maar ik ben de dochter van de drakenkoning. Het deed me veel verdriet, dat je ons verliet, nadat mijn vader zo grof was geweest tegen je. Daarom heb ik je weer opgezocht, en dank zij je goede hart zijn we nu zo gelukkig."

Zo leefden ze nog vele jaren met elkaar en kregen een talrijk nageslacht. Toen zei de drakenprinses: "Wij draken leven duizend jaar. Ga met me mee naar het paleis van mijn vader, dan zal je weer jong worden en kan ons geluk nog lang duren."

Liu-I stemde daarin graag toe. Met al hun kinderen en kleinkinderen gingen ze op reis naar het Dongting meer. Ze kwamen ook door de stad Yeng Tsjeng. Hier vertelde Liu-I zijn vrouw, hoe zijn oom hem voor diefstal had weggejaagd, nadat de stadsgod hem bij het verlaten van de tempel had laten struikelen. De prinses antwoordde: "Het is vreemd, maar vannacht heb ik gedroomd, dat een gouden haarspeld verborgen lag tussen de tegels van een kamer, die ik niet ken. Laten we eens naar het huis van je oom gaan."

Dat deden ze. Liu-I werd door zijn oom heel hartelijk ontvangen, nu bleek dat hij zo rijk geworden was.

"Ja, oom," zei Liu-I, "de goden zijn mij gunstig geweest. Alleen wil ik u bewijzen, dat ik geen dief ben. Mijn vrouw heeft in een droom de gouden haarspeld zien liggen tussen de tegels van de kamer."

In de kamer gekomen, wees de prinses een tegel aan. Deze werd opgelicht, en toen vond men werkelijk de speld. Waarschijnlijk was de speld eerst in een naad tussen twee tegels gevallen en daarna verder naar beneden gezakt. Liu-I's onschuld was nu duidelijk gebleken.

"Nu zou ik nog graag de stadsgod willen zien," zei zijn vrouw. "Want aan hem danken we ons geluk."

"Je hebt gelijk," antwoordde Liu-I. "Zonder zijn bedrog zou ik je nooit ontmoet hebben."

Samen gingen ze naar de tempel. Toen zei Liu-I lachend tegen het beeld: "Schaam je je niet, dat je me hebt laten struikelen? Foei, je hebt je gezicht verloren." Op hetzelfde ogenblik vielen de lak en verf, die het gezicht van de stadsgod bedekten, op de grond. En sindsdien is zijn gezicht geschonden gebleven.

Vervolgens trok Liu-I met zijn gezin naar het Dongting meer. Liu-I sloeg de Beschermer der Aarde drie maal met zijn gordel en de krijgsman verscheen, die hen naar het paleis van de drakenkoning bracht. Liu-I groette zijn schoonvader. Deze zei: "Je bent maar een kort ogenblik weggeweest en nu zijn je haren al wit geworden."

"Ik ben vijftig jaren weggeweest," antwoordde Liu-I, "en dat is bijna een mensenleven."

De drakenkoning gaf hem nu honderd pillen. "Iedere pil zal je leven met tien jaar verlengen," sprak hij.

Zo leefde Liu-I nog duizend jaar gelukkig met zijn vrouw en zijn nakomelingen in het paleis van zijn schoonvader, de drakenkoning van het Dongting meer.


*   *   *

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes van Azië" verzameld en bewerkt door R.M. Dalang. C.P.J. van der Peet, Amsterdam, 1957.

Herkomst: China
Verteltijd: ca. 20 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook