Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 21 min.
Herkomst:




De tempel waarin een dassegeest rondspookte

Lang geleden leefde er in het zuiden van Japan in de stad Koemansto een jonge samoerai die verzot was op de hengelsport. Uitgerust met een hengel, en een grote mand trok hij er elke morgen opuit, hengelde dat het een lieve lust was, en kwam pas tegen de avond thuis.

Op een mooie zomerdag had hij bijzonder veel geluk. Hij haalde de ene vis na de andere op, zodat zijn mand tegen de namiddag geheel gevuld was. In de allerbeste stemming en onder het zingen van vrolijke liederen ging hij weer op huis aan.

Het was al schemerdonker toen hij langs een vervallen Boeddhistische tempel kwam. De verveloze tempelpoort stond half open en hing enigszins scheef in de roestige hengsels. Wat de jongeman het meest trof, was dat er in dit verlaten oord een meisje stond van buitengewone schoonheid. Zij droeg een veelkleurige kimono en zag er zo verzorgd uit dat zij de indruk maakte van een mooie bloem temidden van de wildernis.

Deze hemelse fee lachte hem bemoedigend toe en beduidde hem met een gebaar binnen te komen. Zonder verder na te denken, liep de samoerai de trappen op en kwam op een binnenplaats, waar het onkruid meters hoog groeide. Het meisje liep steeds voorop en hij volgde haar over een stenen pad dat naar het priesterhuis voerde. Toen zij er binnentraden, merkte onze vriend wel dat het gehele interieur schril afstak bij de rest van de omgeving. Er stonden fraai gelakte meubels en een uitvouwbaar scherm met een kleurrijke beschildering. Het meisje maakte een hoffelijke buiging en nodigde haar gast uit plaats te nemen.

"Zijn er geen tempelpriesters in dit huis?" vroeg de samoerai.

"Nee," antwoordde zij, "die zijn al heel lang geleden vertrokken.

Ik woon hier nu met mijn moeder die op het ogenblik aan het winkelen is in het dichtstbijzijnde dorp. Maar rust toch wat uit en maak het je gemakkelijk. Ik zal wat verversingen gaan halen."

Intussen was de volle maan opgegaan en zij keek zo vriendelijk naar binnen dat de kamer in een helder licht baadde. De jongeman wachtte en wachtte, maar het meisje scheen van de aardbodem verdwenen te zijn.

Plotseling hoorde hij genies achter het scherm. Hij draaide zich om, om te zien waar het geluid precies vandaan kwam, en zag toen tot zijn verbazing een vuurrood, kaalgeschoren hoofd van een monnik boven het scherm oprijzen. De gestalte werd groter en groter tot de glimmende schedel bijna de zoldering raakte. In zijn ene hand zwaaide de reusachtige priester met een ijzeren staaf en met een stem als een oordeel brulde hij:

"Hoe durf je mijn huis ongevraagd te betreden! Wanneer je niet gauw maakt dat je wegkomt, zal ik je tot moes slaan!"

Hij hoefde het niet te herhalen, want de samoerai rende zo hard hij kon het huis uit, de binnenplaats over en was met één sprong alle trappen af. En zelfs buiten de poort voelde hij zich niet veilig. Hij rende maar door, of de duivel hem op de hielen zat. Op een veilige afstand hield hij eindelijk stil en toen dacht hij er pas aan dat hij in zijn haast om weg te komen de mand met vis had laten staan. Hij had er wel spijt van, want zo'n goede vangst had hij nog nooit gehad, maar hij zou zich voor geen goud meer in de tempel wagen. De gedachte alleen aan die woeste reus bezorgde hem al kippenvel.

De volgende dag vertelde hij zijn vrienden over zijn avontuur. Zij maakten zich er vrolijk over en meenden dat zowel het meisje als de vervaarlijke reus aan een zinsbegoocheling waren toe te schrijven.

Tenslotte zei Batoero, een samoerai die als een uitstekend schermer bekend stond:

"Je bent natuurlijk om de tuin geleid door een dassegeest die het op jouw vis voorzien had. Er woont niemand in die tempel, absoluut niemand, en zo lang ik mij kan herinneren is hij ook nooit bewoond geweest. Maar ik zal er vanavond naar toe gaan en een eind aan dat gespook maken."

Hij leende van zijn vriend diens hengel en mand en liet deze bij een vishandelaar vol vis laden. Aldus uitgerust, begaf hij zich vol goede moed naar de verlaten tempel, in zichzelf mompelend: "Ik zal die oude rakker wel klein krijgen."

Toen hij de tempel naderde, was hij wel verbaasd dat hij in plaats van één meisje er drie zag staan.

"Zo, zo, waait de wind uit die hoek!"dacht hij. "Er wordt nu zeker met groot geschut gewerkt, maar die oude zondaar zal mij er toch niet onder krijgen."

De meisjes waren erg knap en Batoero kon zijn ogen niet van hen afhouden. Zij lachten zo lief en uitnodigend dat Batoero zich niet bedacht en hen volgde. Bij het priesterhuis aangekomen, gingen de meisjes naar binnen, steeds giechelend en omkijkend of hij wel volgde. Er werd hem hoffelijk een plaats aangewezen en er werd thee en gebak voor hem neergezet. Batoero die op zijn hoede was, raakte niets aan. Toen kwamen zij met een fles sake aandragen en een bijzonder grote drinkkom, maar ook deze liet de samoerai onaangeroerd.

"Drink je niet wat van de sake, liefje?" vroeg het jongste ding met zo'n aanminnig lachje dat het hart van de grootste ijzervreter er wel bij moest smelten.

Ik houd niet van thee, en als ik ergens het land aan heb dan is het aan sake," zei Batoero droogjes, "maar wanneer jullie iets voor mij zouden willen zingen of dansen, zou ik dit wel op prijs stellen."

"O, wat een ouderwetse, fatsoenlijke rakker ben jij. Wanneer je niet drinkt, begrijp je ook niets van de liefde en ben je zeker een stumper in bed." En zij begonnen weer zo te giechelen dat Batoero er kriebelig van werd.

Daarna stonden zij op, openden hun waaiers en begonnen te dansen.

Batoero moest eerlijk bekennen dat deze dans alles overtrof wat hij ooit gezien had, zelfs het dansen van de meest beroemde geisha's. Hij raakte hoe langer hoe meer geboeid en volgde elke stap en elke beweging van de aanvallige meisjes. Op het laatst was hij geobsedeerd door de schoonheid en gratie van hun dans en vergat hij helemaal waarvoor hij gekomen was. Hij ging er zo in op, dat hij zelfs niet meer wist waar hij zich bevond.

Toen merkte hij ineens dat de danseressen geen hoofd meer hadden! Grote genade! Zag hij het wel goed? Elk meisje droeg haar hoofd in haar handen! Zij gooiden het naar boven en vingen het weer op. Zij wierpen het elkaar toe, zoals kinderen met een bal spelen. En toen gooide de brutaalste van hen haar hoofd naar hem toe. Het rolde voor zijn voeten neer en keek hem uitdagend aan. Batoero werd woedend door dit weerzinwekkend schouwspel en gooide het hoofd weer terug. Meteen trok hij zijn zwaard en probeerde het meisje te treffen. Maar zij was hem te vlug af en ontweek elk van zijn slagen.

"Je krijgt mij toch niet," riep het meisje spottend en zij vloog naar de zoldering. De samoerai was nu door het dolle heen. Hij maaide links en rechts met zijn zwaard, maar de meisjes lachten uitbundig en verdwenen in het niets.

Batoero kwam weer tot zichzelf en keek eens rond. Het licht van de maan verlichtte de gehele kamer en de stilte van de nacht werd alleen door het gesjirp van krekels verstoord.

"Wat heb ik hier eigenlijk nog te zoeken?" dacht Batoero bij zichzelf. "En waar is mijn mand met vis gebleven? Zeker weer het bekende trucje van de tanoeki. Nu voor mijn part mag hij ze houden."

Hij pakte de hengel en liep door de maanlichte nacht naar huis.

Toen hij de volgende dag aan zijn vrienden zijn belevenissen vertelde, werd hij natuurlijk danig uitgelachen. "De beste schermer van Japan," spotten zij, "is nog niet eens in staat een dassegeest te treffen." Zij maakten nog allerlei grapjes over de drie danseressen, die ik hier maar niet zal herhalen.

Nu bevond zich ook een dokter in het gezelschap. Hij had tot nu toe niets gezegd en ook niet deelgenomen aan de algemene spotternij, maar hij stond plotseling op en zei bedaard en vastberaden:

"Laat die zaak verder maar aan mij over. Binnen drie dagen zal ik die das te pakken hebben, of ik mag geen Inakoe meer heten."

De vrienden keken er wel van op, maar ieder van hen wist dat Inakoe niet alleen een dappere, sterke kerel was, maar ook een bijzondere doorbijter. Wie weet, misschien zou het hem lukken aan de streken van de dassegeest een einde te maken.

Inakoe ging meteen naar huis en maakte een stevig maal klaar met veel vlees. Daarna verdeelde hij het eten in twee porties. In de ene portie mengde hij een hoeveelheid vergif, genoeg om een heel klooster mee uit te roeien. In de andere portie goot hij alleen wat saus, zodat beide porties dezelfde kleur hadden. Hij deed de porties in twee verschillende schalen, stopte ze in zijn reistas en deed er nog een fles sake bij. Tegen de avond ging hij op pad, op zoek naar de vervallen tempel, die hij spoedig bereikte.

Er stond geen meisje bij de tempelpoort en ook in het priesterhuis was niets te zien ofte horen. Maar Inakoe wist heel goed hoe listig en gevaarlijk dassegeesten kunnen zijn. Daarom was hij bijzonder op zijn hoede en wilde hij geen enkel risico nemen.

Hij liep wat door de kamer rond, klopte op de meubels om te horen of zij wel echt waren en bekeek vol aandacht de schildering op het kamerscherm, die het in het maanlicht bijzonder goed deed.

"Wat een rust, wat een stilte," mijmerde hij, "er gaat toch niets boven de eenzaamheid in een stille, zwoele zomernacht. Ik mag mij zelf gelukkig prijzen dat ik deze tempel heb gevonden. Maar goed, een mens moet niet alleen nadenken en mediteren, hij moet ook eten."

Daarom haalde hij zijn portie voor den dag en ontkurkte de fles sake. Het smaakte hem goed en hij smakte als een boer van buiten. Toen hoorde hij naderende voetstappen. Het was niet het lichte getrippel van een dansmeisje en ook niet de zware, dreunende stap van een reus, maar het leek op de slepende gang van iemand die zich met zijn laatste krachten voortsleept.

Een oude priester, minstens tachtig jaar oud, kwam de kamer binnen gestrompeld. Meer dood dan levend liet hij zich met een langgerekte zucht op een mat neervallen. Zijn pij was zo versleten dat Inakoe door de gaten heen zijn naakte lichaam kon zien. Met wat er nog van een mouw over was, wiste hij zich het zweet van zijn voorhoofd. Het bestijgen van de trap had blijkbaar het laatste restje energie dat hij nog bezat, opgeslokt. Hij ademde zo zwaar dat de dokter elke keer dacht dat het de laatste keer zou zijn.

"Mag ik misschien vragen wie U bent?" informeerde Inakoe.

De oude man bracht er met bevende stem uit:

Toen deze tempel nog in goede staat verkeerde... ach, hoe lang is dit al niet geleden... leefde ik hier... als priester. De oude abt... moge Boeddha zich over zijn ziel ontfermen... heeft mij hiervoor opgeleid." De oude man wachtte even, zuchtte heel diep en vervolgde toen: "Tijdens de revolutie onder de Saigo's... werd ik naar een andere parochie gestuurd... Toen het kasteel van Koemamoto werd veroverd... ach... wat een tijden waren dat... werd ook de tempel verwoest... Nu ik oud en versleten ben, was mijn enige wens de tempel nog eens terug te mogen zien... waarin ik zovele gelukkige jaren heb doorgebracht... Ik merk aan alles dat ik niet lang meer zal leven."

Onder het verhaal had hij begerig naar de schaal met eten gekeken waaraan Inakoe zich tegoed deed.

"Ach," stamelde hij, "ik zie dat U van een kostelijk maal geniet, met wijn erbij. Ik smeek U, laat iets voor mij over, want ik ben al de hele dag onderweg, en ik sterf van de honger."

In het begin had Inakoe, onder de indruk van het relaas van de monnik werkelijk medelijden met hem, maar langzamerhand wekte die stem en die gebaren argwaan bij hem op. Het was net alsof een toneelspeler zijn rol niet goed doorleefde. Het kwam hem allemaal te gekunsteld voor, en eindelijk wist hij bijna zeker dat de gevreesde dassegeest zich nu in deze gedaante vertoonde. Hij liet echter niets merken en zei:

"Werkelijk, ik heb met je te doen, en ik zal je met genoegen iets te eten aanbieden. Maar ik heb nog een tweede schaal; die mag je hebben."

Inakoe stond op, haalde de andere schaal tevoorschijn en zette haar de monnik voor. Deze viel erop aan als een uitgehongerde wolf, maar het duurde niet lang, of hij begon vreselijk te kreunen en zich van pijn in allerlei bochten te wringen. Even later lag er een dode das op de grond...

Inakoe sleepte hem aan zijn staart het priesterhuis uit en legde hem in de tempel neer.

"Ik hoop datje hier rust mag vinden, op de plaats waar je zovele gelukkige jaren hebt doorgebracht."

Hij ging weer naar het priesterhuis terug, zette het scherm voor de vensters neer, - om niet teveel last van het maanlicht te hebben - strekte zich uit op een mat en sliep weldra in.

De volgende dag kwamen zijn vrienden, die ongerust waren, omdat hij niet was teruggekeerd. "Hoe is het met de tanoeki?" vroegen zij nieuwsgierig. "Kijk jullie zelf maar," antwoordde Inakoe, en hij ging hen voor naar de tempel. In een van de donkerste hoeken lag het ondier. Hij was zo groot als een hond, maar gelukkig zo dood als een pier.

"Het was zeker een heel, heel oude tanoeki," meende Batoero, "want zijn haren zijn grijs." Er werd nog wat getwist over de vermoede ouderdom van de das, maar daarna werd Inakoe in triomf naar huis gedragen.

Het nieuws van zijn heldendaad verspreidde zich snel in de omgeving. Er kwamen veel mensen naar de tempel om te zien hoe die oude duivel daar nu als een hoopje ellende lag. En natuurlijk vertelde men elkaar de meest wonderlijke verhalen over de listen en streken van de dassegeesten. Wie weet, misschien is dit verhaal daar ook ontstaan?


*   *   *

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Japanse sagen en verhalen" door M.A. Prick van Wely. Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, 1979. ISBN: 90-228-3346-1.

Herkomst: Japan
Verteltijd: ca. 21 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook