Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 16 min.
Herkomst:




De toverbron Een Portugees sprookje over drie beeldschone moslima's

Al enkele eeuwen lang hadden de aanhangers van de islam zich in Europa opgehouden, maar na een hele reeks van verloren oorlogen veroverden de Christenen gedurende de beroemde kruistochten het ene gebied na het andere, de ene stad na de andere weer terug.

Tot aan Zuid-Portugal, tot aan de Algarve, waren de Christenlegers al opgerukt, en hoewel de Moren dapper tegenstand boden, werden ze steeds verder teruggedrongen.

Zo belegerden de Christenen ook de stad Loulé. Omdat deze met hoge verschansingen was versterkt, konden de verdedigers aanvankelijk de aanvallen zonder veel moeite terug slaan. Maar de vijand nam in aantal toe en het voedsel begon schaars te worden in Loulé. De bevelhebber der Moren bleef als laatste redmiddel over, zijn vertrouwen op Allah te stellen. Als die geen hulp zond, zouden de Christenen vroeg of laat de verschansing veroveren en door hun overmacht als overwinnaars uit de strijd te voorschijn komen.

Zelf vreesde hij strijd noch dood - als hij in de oorlog tegen de ongelovigen kwam te sneuvelen, dan zou het moslimse paradijs zijn deel worden. Maar de gouden schat van de stad, die al vele generaties lang onder bescherming van de Moorse heersers stond, en die dag en nacht werd bewaakt, mocht in geen geval in handen der Christenen vallen. En ook de zorg over het lot van zijn drie dochters liet hem niet met rust.

Het waren namelijk alle drie beeldschone meisjes. De jongste, Lydia, overtrof zelfs de maan in schoonheid en lieflijkheid. De stralende en glanzende ogen van de tweede dochter Zara waren helderder als de ochtenddauw en de zachte en frisse huid van Cosima, de oudste, deed aan een perzik denken.

Behalve mooi, waren de meisjes ook vlijtig en gehoorzaam, en daarom hield de vader des te meer van hen en brak er zich het hoofd over, hoe hij ze tegen de ongelovigen kon beschermen.

Het is niet bekend, of hij iemand om raad heeft gevraagd, of zijn ingeving misschien aan het perkament ontleend heeft, waar hij zich in zijn schaarse vrije uren zo graag mee bezig hield. Maar aan de vooravond van het offensief der Christenen nam hij de kist met goud en beval zijn dochters, hem te volgen.

Bijgelicht door een fakkel leidde hij de meisjes naar de kelder van het paleis door een geheime gang, van welks bestaan ze tot dusver geen vermoeden hadden. Toen de vader na een lange weg de fakkel doofde, zagen ze dat ze al achter de verschansing waren, bij een oude bron.

Niet ver er vandaan zagen ze vaag de witte tenten van de christelijke ridders schemeren, en daarom vervolgde de oude moor met de grootste voorzichtigheid zijn weg. Bij de bron aangekomen bleef hij staan, en wachtte tot zijn dochters hem hadden ingehaald. Zachtjes zei hij tot hen: "Hier moeten we afscheid nemen. Allah zelf heeft deze plek als schuilplaats uitgekozen. Niemand van de ongelovigen zal jullie hier kunnen vinden."

"Waarom blijf je niet bij ons, vader," smeekte Cosima fluisterend.

"Ik moet terug naar de stad, om de leiding van de verdediging op me te nemen. Maar ik beloof jullie, dat ik je zo snel mogelijk hier vandaan zal halen. Zonder mij kunnen jullie trouwens onmogelijk de weg weer terug vinden."

Daarna boog de moor zich over de rand van de bron en sprak een paar geheimzinnige en voor de meisjes onverstaanbare woorden. Toen tilde hij de kist met goud op en gooide hem in de diepte. Geluidloos sloot het water zich boven de zware kist...

De moor omhelsde zijn dochters en toen de een na de ander in de bron was verdwenen, ging hij de geheime gang in, terug naar de stad en naar zijn manschappen.

En de maan bescheen nog steeds met haar zilveren licht de eenzame bron, alsof alles wat hier zojuist was gebeurd, slechts een droom was geweest.

Ook de jonge ridder, die deze gebeurtenis vanuit zijn tent in de nabijheid had gadegeslagen, wist niet of hij waakte of droomde, maar het meisje Lydia had vanaf het eerste ogenblik zijn hart gestolen.

De volgende dag, bij het invallen van de schemering, begonnen de Christenen de stad te bestormen. Ondanks de harde sabels en het kokend pek van de verdedigers, bereikten ze al na een uur van verbitterde strijd de verschansing en baanden zich een bloedige weg naar Loulé. Slechts weinige Moren gelukte het, ongedeerd uit de strijd te voorschijn te komen. Onder degenen, die de genadeloze zwaarden hadden weten te ontwijken, behoorde ook de bevelhebber, al liep hij wel een bloedende wond aan zijn voet op.

De Christenen hielden zich na hun overwinning niet lang meer in de stad op. Weldra trokken ze verder, alleen de jonge ridder treuzelde net zo lang tot hij alleen in zijn witte tent achterbleef.

Het leek wel, alsof een onbekende macht hem naar de bron toetrok. Maar hoewel hij elke centimeter van het gebied grondig inspecteerde, kon hij niets vinden wat hem aan die vreemde gebeurtenis herinnerde.

Tot hij op een nacht een vleiende meisjesstem hoorde fluisteren: "Ridder, help ons!"

De jonge man liep snel zijn tent uit, maar ook nu kon hij niets ontdekken. Alleen de echo van de wegstervende kreet bleef nog in de bron hangen.

Ook de volgende nacht wekte de stem hem uit zijn slaap, maar pas de derde keer, toen hij bij de bron de wacht hield, hoorde hij meer: "Help ons, ridder. Wij kunnen er niet uit!"

"Maar hoe kan ik jullie dan helpen?" vroeg de jonge man.

"Reis onze vader achterna naar Tanger. Hij is de enige, die deze tovermacht kan verbreken."

"En wie is jullie vader?"

"De voormalige heerser van de Moren en bevelhebber van deze stad."

Meer verried de stem in de bron niet, maar voor de jonge ridder was het voldoende.

's Morgens vroeg brak hij zijn tent op, sprong op zijn paard en reed in zuidelijke richting. Hij reed lang, en nog langer was de bootreis gedurende de overtocht naar het Afrikaanse Tanger. Opdat de Moren hem niet als een Christen zouden herkennen, had hij zich als Bedoeïen verkleed.

In Tanger was het geluk met hem. De eerste de beste, die hij om inlichtingen vroeg, stuurde hem naar de oude, en inmiddels lam geworden moor. Toen de vroegere bevelhebber het verhaal van de ridder had aangehoord, begon hij te huilen: "Ja, het was Allahs' wil, dat ik mijn dochters in die bron betoverde en ik weet, dat ze er zonder mijn hulp nooit meer uit kunnen. Maar zeg nu zelf, hoe kan ik hen helpen, als ik niet meer op mijn benen kan staan en mijn land bovendien vol ongelovigen is?"

"Graag wil ik u helpen, als u het zelf niet meer kunt," zei de ridder ernstig.

De oude keek hem echter mistroostig aan en zei: "Je bent een Christen en toch verzet je je tegen je Schepper. Maar als Allah het wil, zal ik je hulp inroepen. Als je morgen weer komt, zal ik je het antwoord geven."

Toen de ridder de volgende dag de oude man weer opzocht, zag hij dat voor hem op tafel drie lichamen van brood lagen. In de eerste was de naam COSIMA gekerfd, in de tweede de naam ZARA en de derde broodpop droeg de naam LYDIA.

"Dat zijn de namen van mijn dochters," zei de moor, die de jonge man zag kijken. "De broden moet je een voor een in de bron gooien, want alleen op die manier kunnen mijn dochters bevrijd worden."

"Dat is toch een kleine moeite, ik zal uw wens met plezier vervullen," zei de ridder. "Maar vertelt u me eens, wie van uw dochters is de jongste en de mooiste?"

"Al mijn dochters zijn mooi," zei de moor een beetje verbaasd. "Maar de jongste, Lydia, is wel de mooiste van allemaal. En wat je opdracht betreft, als je niet precies doet wat ik je heb opgedragen, zul je dat met je leven moeten betalen!"

Na deze woorden deed de oude man de drie broodpoppen in een linnen zak, zei de ridder welke weg hij terug moest nemen, drukte hem nog eens op het hart, niet van zijn opdracht af te wijken en nam vlug afscheid.

De terugreis verliep voorspoedig. Een boot bracht hem bij de kust van Portugal terug en weldra stond hij weer voor de oude bron bij de stadsmuur van Loulé. Hij nam de linnen zak van zijn zadel en nam het brood eruit, dat de naam van Cosima, de oudste dochter, droeg.

Zonder te aarzelen wierp hij het boord over de bronrand en wachtte vol spanning af, wat er ging gebeuren. Uit de bron steeg een witte wolk omhoog, en voor de ridder er erg in had, droeg de wind haar naar het zuiden, in de richting van Tanger.

De tweede broodpop, die de naam Zara droeg, ging dezelfde weg, met als enige verschil dat de wolk rozerood was gekleurd en veel sneller omhoog steeg als de eerste.

"Als ik de derde broodpop in de bron gooi," dacht de jonge ridder, "dan zal ik de jongste dochter niet meer te zien krijgen." Maar de waarschuwing van de vader kwam hem in gedachten. Juist toen hij toch maar besloten had, het brood in de bron te gooien, kreeg hij plotseling een geweldig idee: "Als ik de pop in tweeën breek, dan zal haar lichaam niet kunnen verdwijnen," dacht hij. Maar toen hij de daad bij het woord voegde, kreeg hij de schrik van zijn leven. Uit de pop vloeide bloed als uit een open wonde. Ook zijn handen waren ermee bedekt, en aan de bloedstroom leek geen einde te komen.

"Ach, wat heb je nu gedaan?" klonk Lydia's stem uit de bron. "Nu kan ik niet meer op deze wereld terugkeren en zul je me nooit meer te zien krijgen!"

"Maar ik heb het juist gedaan om je hier te houden, zodat je me niet, net als je zusters, kunt ontsnappen," antwoordde de ridder, diep ongelukkig.

"Mijn zusters zijn al bij mijn vader in Tanger. Ook ik had bij hen kunnen zijn, als je naar hem had geluisterd," zei het meisje bedroefd.

Vol wroeging knielde de ridder neer en riep wanhopig: "Als je niet meer op deze aarde terug kunt komen, dan wil ik hier ook niet blijven."

Na deze woorden sprong hij op de rand van de bron en stortte zich in de diepte, om tenminste in de dood met zijn liefste verenigd te zijn. Vanaf dat ogenblik heeft niemand hem meer gezien!

Terwijl zijn trouwe paard nog vele dagen en nachten vergeefs bij de bron op zijn meester wachtte, was de ridder met het meisje samen in een schitterend gouden paleis midden in een heerlijke tuin, nog door geen mensenoog aanschouwd. Want die oude bron bij de Portugese stad Loulé was de poort naar het moslim paradijs!


*   *   *

De toverbron Samenvatting
Een Portugees sprookje over drie beeldschone moslima's.

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Sagen van Europese steden" verteld door Vladimír Hulpach. Holland, Haarlem, 1980. ISBN: 90-251-0412-6

Herkomst: Portugal
Verteltijd: ca. 16 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook