Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 33 min.
Herkomst:

De trommelslager

De trommelslagerEens op een avond ging een jonge trommelslager heel alleen naar 't veld en kwam bij een meer; en op de oever zag hij daar drie witlinnen lapjes liggen. "Wat een mooi linnen!" zei hij en stak één van de lapjes in zijn zak. Hij ging naar huis, dacht niet verder aan zijn vondst en ging in bed liggen. Toen hij net wilde gaan slapen, was het of iemand hem bij de naam noemde. Hij luisterde en daar hoorde hij een zachte stem, die riep: "Trommelslager! Trommelslager! Word wakker!" Het was een donkere nacht en hij kon niemand zien, maar het leek wel of er een gedaante voor zijn bed op en neer zweefde. "Wat wil je?" vroeg hij. "Geef me mijn hemdje terug!" antwoordde de stem, "je hebt het gisteravond bij 't meer weggenomen." - "Dat krijg je terug," zei de trommelslager, "maar dan moet je me ook zeggen, wie je bent." - "Ach," zei het stemmetje, "ik ben de dochter van een machtige koning, maar ik ben in de macht van een heks geraakt en ik ben op de Glazen Berg verbannen. Elke dag moet ik mij met mijn beide zusters in 't meer baden, maar als ik mijn hemdje niet heb, kan ik niet wegvliegen. Mijn zusters zijn al weggevlogen, maar ik moest achterblijven. Toe, geef me alsjeblieft dat hemdje terug." - "Wees gerust, arme meid," zei de trommelslager, "ik zal het je meteen teruggeven." Hij haalde het uit zijn zak, en gaf het haar aan in de duisternis. Ze nam het haastig en wilde dadelijk weg. "Wacht nog even," zei hij, "het is mogelijk dat ik je kan helpen." - "Helpen kun je me alleen dan, als je de Glazen Berg beklimt, en mij de macht van de heks bevrijdt. Maar je bereikt de Glazen Berg nooit, en als je er al vlakbij was, dan kom je er toch niet tegenop." - "Wat ik wil, dat kan ik ook," zei de trommelslager. "Met jou heb ik medelijden en bang ben ik niet. Maar ik weet de weg niet, die naar de Glazen Berg gaat." - "De weg gaat door het grote bos, waar de menseneters wonen," gaf ze als antwoord, "meer mag ik niet zeggen." En toen hoorde hij haar wegsuizen.

Met het aanbreken van de dag maakte de trommelslager zich klaar; hij hing zijn trommel om, en ging zonder bang te zijn recht op het bos af. Toen hij een poosje gelopen had en geen enkele reus zag, dacht hij: "Ik moet die langslapers eens wakker maken!" en hij nam de trommel voor zijn buik en sloeg een roffel, zodat de vogels met luid geschreeuw uit de bomen opvlogen. Het duurde niet lang of er was ook een reus, die omhoog kwam: hij had in 't gras liggen slapen en was zo groot als een dennenboom. "Jij kleine plaaggeest!" riep hij hem toe, "wat loop je hier te trommelen en wek je me uit mijn diepste slaap?" - "Ik trommel," antwoordde de trommelslager, "omdat er duizenden achter me aankomen: ze moeten de weg weten." - "Wat willen die hier in mijn bos?" vroeg de reus. "Ze willen je opruimen, en het bos van tuig als jullie zijn, zuiveren." - "Oho," zei de reus, "maar ik trap jullie dood, als mieren!" - "Dacht je dat je tegen hen wat kon beginnen?" zei de trommelslager, "als je je bukt om er één te pakken, dan springt hij weg en verstopt zich, maar als je gaat liggen slapen, dan komen ze uit alle struiken te voorschijn en kruipen over je heen. Ieder van hen heeft een stalen hamer aan zijn gordel, en daar slaan ze jouw schedel mee in." De reus was verdrietig en dacht: Als ik me met dat slimme volk inlaat, dan kon het wel eens uitlopen op mijn eigen ondergang. Wolven en beren knijp ik hun keel dicht, maar tegen die aardwurmen kan ik me niet beschermen. "Hoor eens hier, kereltje," sprak hij, "ga nu maar weer weg. Ik beloof je dat ik jou en je maats in 't vervolg met rust zal laten; en mocht je nog iets bijzonders te wensen hebben, zeg het dan, ik wil je wel een plezier doen." - "Je hebt lange benen," zei de trommelslager, "je kunt sneller lopen dan ik; als je me nu eens naar de Glazen Berg bracht, dan geef ik mijn maats een teken, dat ze terug moeten gaan, en dan zullen ze je deze keer met rust laten." - "Kom maar hier, wurm," zei de reus, "ga op m'n schouder zitten en dan zal ik je brengen waar je wezen wilt." De reus tilde hem op, en de trommelslager begon daar boven naar hartelust op z'n trommel te roffelen. De reus dacht: "Dat is natuurlijk het teken, dat de anderen weer terug moeten trekken."

Na een poos stond er een tweede reus langs de weg, en die nam de trommelslager van de eerste reus af, en stak hem in zijn knoopsgat. De trommelslager pakte de knoop beet, die zo groot was als een schotel, hield zich daar aan vast en keek heel vrolijk om zich heen. Dan kwamen ze bij een derde reus, en die nam hem uit het knoopsgat van de tweede en zette hem op de rand van zijn hoed; daar liep de trommelslager heel in de hoogte heen en weer en keek boven de bomen uit, en toen hij in de blauwe verte een berg zag, dacht hij: "Dat is vast de Glazen Berg" en dat was ook zo. Nu deed de reus nog een paar stappen, en toen waren ze aan de voet van de berg aangeland, en daar zette de reus hem af. Nu wilde de trommelslager, dat de reus hem ook op de top van de Glazen Berg zou zetten, maar de reus schudde zijn hoofd, bromde wat in zijn baard en ging naar het bos terug. Nu stond de arme trommelslager voor de berg, en die was zo hoog, alsof er drie bergen op elkaar waren gestapeld, en daarbij had hij een spiegelgladde wand, en hij begreep niet, hoe hij daar ooit op moest komen. Hij begon er tegenop te gaan, maar dat was vergeefs, hij gleed er aldoor weer af. "Als je nu eens een vogel was," dacht hij, maar wat hielp het wensen, daar kreeg hij toch geen vleugels van.

Terwijl hij daar zo stond en zichzelf niet helpen kon, zag hij niet ver vandaar twee mannen die heftig vochten. Hij ging naar hen toe en zag dat de strijd ging over een zadel, dat bij hen op de grond lag en dat ze allebei wilden hebben. "Wat zijn jullie voor dwazen!" sprak hij, "kibbel toch niet over een zadel, je hebt niet eens een paard." - "Het zadel is het waard om over te vechten," zei een van de mannen, "wie daar op zit en zich ergens wenst, al was het aan 't eind van de wereld, die komt er aan, terwijl hij de wens nog uitspreekt. Het zadel is van ons, het is mijn beurt erop te rijden, en hij wil het niet." - "Die strijd zal ik gauw beslechten!" zei de trommelslager, en hij ging een eind van hen af en stak een witte stok in de grond. Toen kwam hij weer terug en zei: "Loop er nu heen, wie er 't eerst is, mag het eerst rijden." Allebei begonnen ze te draven, maar pas waren ze een paar meter op weg of de trommelslager zwaaide zich in 't zadel, deed de wens om bovenop de Glazen Berg te zijn, en voor hij z'n hand had omgedraaid, was hij er al.
Boven op de berg was een vlakte, en daar stond een oud, stenen huis, en voor dat huis lag een grote visvijver, en erachter een donker bos. Mensen of dieren zag hij niet, 't was alles stil. Alleen ruiste de wind in de bomen, en de wolken zeilden heel dichtbij over zijn hoofd voorbij. Hij ging naar de deur, en klopte aan. Toen hij drie keer had geklopt, werd de deur opengedaan door een oud mens met een bruin gezicht en rode ogen; ze had een bril op haar lange neus en ze keek hem scherp aan en vroeg toen wat hij wilde. "Toegang, eten, slapen," antwoordde de trommelslager. "Dat kun je krijgen," zei de oude vrouw, "maar je moet er drie dingen voor doen." - "Waarom niet?" antwoordde hij, "ik ben niet bang voor werk, al is het nog zo zwaar." De oude liet hem binnen, gaf hem eten en 's avonds een goed bed. 's Morgens, toen hij uitgeslapen was, nam de oude een vingerhoed van haar dorre vinger, gaf hem aan de trommelslager en zei: "Ga nu maar aan 't werk en schep de vijver leeg met deze vingerhoed; maar vóór het nacht wordt, moet je klaar zijn, en alle vissen die er in de vijver zijn, moeten uitgezocht worden naar de grootte, en naast elkaar op een rij worden gelegd." - "Een merkwaardige taak," zei de trommelslager, maar hij ging naar de vijver en begon te scheppen. Hij schepte en schepte de hele morgen, maar wat kun je met een vingerhoed uitrichten als het om een grote vijver gaat, ook al zou je duizend jaar scheppen? Toen het middag werd, dacht hij: "Ik schiet toch niet op; het geeft niet of ik 't doe of 't niet doe." En hij hield ermee op en ging zitten. Toen kwam er een meisje het huis uit, zette een mandje eten neer en sprak: "Je zit er zo treurig bij, scheelt er wat aan?" Hij keek haar aan en zag dat ze heel mooi was. "Ach," zei hij, "de eerste taak kan ik al niet aan; hoe zal het dan met de andere taken gaan? Ik ben uitgegaan om de dochter van een koning te zoeken, die hier ergens woont, maar ik heb haar niet gezien; ik zal maar liever verdergaan." - "Blijf vooral hier," zei het meisje, "ik zal je uit de nood helpen. Je bent moe; leg je hoofd in mijn schoot en ga slapen. Als je weer wakker wordt, is de taak af." Dat liet de trommelslager zich geen tweemaal zeggen. Zodra hem de ogen waren dicht gevallen, draaide ze aan een toverring en sprak: "Water: weg! Vissen: uit!" Dadelijk steeg het water als een stofnevel in de hoogte en zeilde als een wolk weg naar de andere wolken, en de vissen klapten en sprongen het water uit en gingen naar de grootte keurig in de rij naast elkaar liggen. Toen de trommelslager wakker werd, zag hij met verbazing, dat alles al gebeurd was. Het meisje echter zei: "Eén van de vissen ligt niet op zijn plaats bij zijn eigen soort, maar helemaal apart. Als de oude vanavond komt, en ziet dat alles wat ze geëist heeft, klaar is gekomen, dan zal ze ook vragen: Wat moet die ene vis daar apart? Gooi haar dan die vis in haar gezicht en zeg: Die is voor jou, ouwe heks." 's Avonds kwam het oude mens en toen ze de vraag had uitgesproken, gooide hij de vis in haar gezicht. Ze deed of ze het niet merkte, maar ze zweeg en keek hem met boze blikken aan.
De volgende morgen zei ze: "Gisteren had je het al te makkelijk, ik moet je nu een moeilijker taak opdragen. Vandaag moet je het hele bos omhakken, het hout hakken, splijten en op hopen stapelen, en 's avonds moet alles klaar zijn." Ze gaf hem een bijl, een hamer en twee wiggen. Maar toen hij met boombakken begon, toen was de snee van de bijl krom, en de hamer en de wiggen kregen deuken, want het was een loden bijl en de hamer en de wiggen waren van blik. Nu kon hij er niets mee beginnen; maar 's middags kwam het meisje hem weer troosten. "Leg je hoofd maar in mijn schoot," zei ze, "en ga slapen; als je wakker wordt, dan is de taak voltooid." Ze draaide haar toverring, en op dat ogenblik viel het hele bos met groot gekraak om, het hout spleet zich vanzelf en ging op keurige hopen liggen; het was of onzichtbare reuzen aan het werk waren. Toen hij weer wakker werd, zei het meisje: "Zie je, het hout is gekloofd en opgetast; er is één enkele tak over, en als het oude mens vanavond komt vragen, wat die tak daar moet, dan geef je haar daarmee een klap en je spreekt deze woorden: Dat is voor jou, ouwe heks!" Het oude mens kwam. "Zie je nu," zei ze, "hoe makkelijk deze taak was. Maar waarvoor ligt die tak daar nog?" - "Voor jou, ouwe heks," antwoordde hij en gaf er haar een klap mee. Ze deed of ze het niet voelde, ze lachte alleen gemeen en sprak: "Morgenvroeg moet je al dat hout op één stapel leggen, het aansteken en verbranden."
Met het eerste morgenkrieken stond hij op en begon het hout bijeen te slepen, maar hoe kan één enkel mens een heel bos opstapelen? Hij schoot niet op. Maar het meisje verliet hem niet in zijn nood: ze bracht hem 's middags eten, en toen hij gegeten had, legde hij zijn hoofd in haar schoot en ging slapen. Toen hij wakker werd, stond de hele berg van hout in brand met een ongelooflijk laaiende gloed, zodat de tongen lekten tegen de hemel. "Luister nu goed," sprak het meisje, "als de heks komt, zal ze je allerlei opdrachten geven; doe zonder angst wat ze verlangt, want dan heeft ze geen vat op je, maar als je bang bent dan zal het vuur je pakken en verteren. En aan 't eind, als je alles klaar hebt, dan pak je haar op met twee handen en gooit haar middenin de vlammen." Nu ging het meisje weg.

Daar kwam de oude vrouw aangeslopen. "Hu, wat heb ik het koud!" zei ze, "maar dat is nog eens een vuurtje dat brandt, dat warmt mijn oude botten, dat doet nog eens goed. Maar daar ligt nog een blok, dat wil niet branden; haal dat er eens uit. Als je dat gedaan hebt, ben je vrij en dan kun je gaan waarheen je wilt. Flink! Ga er maar in!" De trommelslager aarzelde niet lang, hij sprong midden in de vlammen, maar ze hadden geen macht over hem, ze verzengden niet eens zijn haar. Hij bracht het blok erbuiten en legde het neer. Maar nauwelijks had het hout de grond geraakt of het veranderde van gedaante en het mooie meisje stond voor hem, zij die hem al drie maal uit de nood geholpen had: en aan haar zijden kleren met de gouden weerschijn, zag hij wel dat zij die prinses was. Maar de oude vrouw lachte giftig en sprak: "Nu denk je dat je haar hebt, maar je hebt haar nog niet!" Juist wou ze op het meisje los gaan en haar wegtrekken, of hij pakte de oude heks met allebei zijn handen, hief haar in de hoogte en wierp haar in de vlammenzee, zij sloegen over haar hoofd samen, alsof ze verheugd waren, een heks te kunnen verbranden. De prinses keek daarop de trommelslager eens aan, en toen ze zag dat hij een knappe jongen was en bedacht dat hij zijn leven had ingezet om haar te verlossen, gaf ze hem haar hand en zei: "Je hebt alles voor me gewaagd, maar ik zal ook alles voor jou doen. Als jij me trouw belooft, dan zul je mijn man worden. Goederen hebben we genoeg, want alles wat de heks bijeengebracht heeft, is voor ons meer dan voldoende." Ze bracht hem het huis in, en daar waren kisten en kasten vol met schatten. Ze lieten het goud en het zilver liggen en namen de edelstenen alleen.
Maar op de Glazen Berg wilden ze niet langer blijven, en hij zei tegen haar: "Ga maar op m'n zadel zitten, dan vliegen we als vogels naar beneden." - "Van dat oude zadel moet ik niets hebben," zei ze, "ik hoef alleen maar aan mijn wensring te draaien, dan zijn we thuis." - "Goed," zei ze de trommelslager, "wens dan dat we voor de stadpoort komen." In een oogwenk waren ze daar, maar de trommelslager zei: "Ik wil eerst naar mijn ouders gaan en hun vertellen wat er allemaal gebeurd is, blijf hier buiten op me wachten, ik ben gauw terug." - "O!" zei de prinses, "pas toch vooral op, kus je ouders bij je komst niet op de rechterwang, want dan zul je alles vergeten, en dan zou ik hier eenzaam en verlaten buiten de stad achterblijven." - "Hoe kan ik jou vergeten?" zei hij, en hij gaf er haar de hand op, gauw terug te komen.
Toen hij in het ouderlijk huis kwam, wist niemand wie hij was, zo veranderd was hij, want de drie dagen die hij op de Glazen Berg had doorgebracht, waren drie lange jaren geweest. Toen zei hij wie hij was, en z'n ouders vielen hem vol vreugde om de hals, en hij was zo ontroerd, dat hij hen op beide wangen kuste en niet dacht aan wat het meisje gezegd had. Zodra hij hun echter een kus op de rechterwang had gegeven, vervloog elke gedachte aan de prinses. Hij pakte z'n zakken uit en legde handenvol van de allergrootste edelstenen op tafel. Zijn ouders wisten niet wat ze met al die rijkdom moesten beginnen. En de vader bouwde een prachtig slot omgeven door tuinen, bossen en weiden, alsof er een vorst in kwam wonen. En toen dat klaar was, zei de moeder: "Ik heb een meisje voor je uitgezocht, en over drie dagen zal de bruiloft zijn." En de zoon vond alles best wat de ouders wilden.

De arme prinses had geruime tijd voor de poort van de stad staan wachten op zijn terugkomst. En toen het avond werd, zei ze: "Vast en zeker heeft hij zijn ouders op de rechterwang gekust en daardoor mij vergeten." Haar hart werd treurig en ze wenste dat ze in een eenzaam hutje in het bos zou wonen en ze wilde niet meer naar haar vader terug. Elke avond ging ze weer naar de stad waar hij woonde, en ze liep langs zijn huis, hij zag haar vaak, maar hij herkende haar niet meer. Eindelijk hoorde ze de mensen zeggen: "Morgen is zijn bruiloft." Toen zei ze: "Ik zal toch een poging wagen om zijn hart weer te winnen. Toen de eerste bruiloftsdag gevierd werd, draaide ze aan haar toverring en zei: "Een gewaad, glanzend als de zon." Meteen lag het voor haar, en het glansde zó alsof het van louter zonnestralen was geweven. Toen alle gasten gekomen waren, trad zij de zaal binnen. Iedereen verbaasde zich over haar kleding, de bruid wel het allermeest, en omdat mooie kleren haar grootste genoegen waren, ging ze naar de vreemde vrouw toe en vroeg of zij het haar wilde verkopen: "Niet voor geld," antwoordde ze, "maar als ik deze nacht voor de deur mag blijven waar de bruidegom slaapt, dan zal ik het u geven." De bruid ging het gewaad boven alles, ze kon dat niet bedwingen en ze stemde in het verzoek toe, maar ze mengde een slaapdrank in het avondwijnglas van de bruidegom, zodat hij in een diepe slaap viel. Toen alles stil was geworden, hurkte de prinses voor de deur van de slaapkamer, opende die op een kier en riep naar binnen:

"Trommelslager! hoor mij aan!
Heb je mij dan toch vergeten?
Hebben we op de Glazen Berg niet samen gezeten?
Heb ik tegen de heks niet verdedigd je leven?
Heb je me tot trouw niet de hand gegeven?
Trommelslager! hoor mij aan!"

Maar het was allemaal tevergeefs en de trommelslager werd niet wakker, en toen de morgen aanbrak, moest de prinses onverrichterzake weer weggaan. De tweede avond draaide zij aan haar toverring en sprak: "Een gewaad van zilveren manestralen." Toen ze in dit kleed, dat teer was als maneschijn, op het feest kwam, wekte ze de begeerte van de bruid weer op, en ze gaf het haar ten geschenke voor de toestemming om nog een nacht voor de deur van het slaapvertrek te mogen doorbrengen. Toen riep ze in de nachtelijke stilte:

"Trommelslager! hoor mij aan!
Heb je mij dan toch vergeten?
Hebben we op de Glazen Berg niet samen gezeten?
Heb ik tegen de heks niet verdedigd je leven?
Heb je me niet je hand tot trouw gegeven?
Trommelslager! hoor mij aan!"

Maar de trommelslager verdoofd door de slaapdrank, was niet wakker te krijgen. Treurig ging ze 's morgens weer naar haar huisje in het bos terug. Maar de bedienden in het huis hadden de klacht van het onbekende meisje gehoord, en vertelden er de bruidegom over, en ze zeiden hem ook, dat 't voor hem niet mogelijk was geweest er iets van te horen, omdat de bruid een slaapdrank in zijn wijn had gemengd. De derde avond draaide de prinses de toverring en zei: "Een gewaad, fonkelend als sterren." Toen ze zich daarin op het feest liet zien, was de bruid buiten zichzelf van verrukking over dit gewaad dat de beide andere nog verre overtrof en ze zei: "Ik zal en ik moet het hebben." En het meisje gaf het haar, zoals de andere, voor de toestemming de nacht door te brengen voor de deur van de bruidegom. Maar hij had niets van de wijn gedronken, maar 't glas achter 't bed leeg gegooid. En toen alles in huis stil was geworden, hoorde hij een zachte stem die hem riep:

"Trommelslager! Hoor mij aan!
Heb je mij dan toch vergeten?
Heb je op de Glazen Berg niet bij me gezeten?
Heb ik tegen de heks niet verdedigd je leven?
Heb je me niet je hand tot trouw gegeven?
Trommelslager! Hoor mij aan!"

Opeens kwam de herinnering weer bij hem terug. "Ach!" riep hij, "hoe heb ik zo trouweloos kunnen handelen; maar de kus, die ik mijn ouders in mijn vreugde op de rechterwang heb gegeven, die is de schuld van alles, die heeft mij verdoofd." Hij sprong op, nam de prinses bij de hand en bracht haar voor het bed van zijn ouders. "Dit is de ware bruid," sprak hij, "als ik met de andere trouw, bega ik een groot onrecht." Toen de ouders hoorden hoe alles in zijn werk was gegaan, gaven zij hun toestemming. Nu werden de lichten in de zaal weer aangestoken, pauken en trompetten rukten aan, de vrienden en familie werden uitgenodigd om terug te komen en de echte bruiloft werd met grote feestvreugde gevierd. De eerste bruid mocht de mooie kleren houden als vergoeding, en ze legde zich bij 't gebeurde neer.


*   *   *

Toelichting
Uit het Eichsfeld. Het hemd dat aan de oever wordt gevonden en in de nacht wordt teruggevraagd, is het kleed van een zwanenjonkvrouw. Dit sprookje is de verbinding van twee verschillende typen en wel:

1. het motief van de zwanenjonkvrouw, die eerst gewonnen wordt, dan weet te vluchten maar na veel moeite weer teruggevonden wordt.
2. het motief van de moeilijke taken om een bruid te winnen, gevolgd door dat van het vergeten van de bruid.

Het eerste type is in Europa en Azië zeer verbreid, maar reeds in een Edda-gedicht, nl. het Welandlied, komt het motief van de zwanenjonkvrouw voor. Het tweede sprookje hebben we leren kennen in Vondevogel, Vrijer Roland, De waternimf, De twee koningskinderen en De ware bruid.

De glazen berg, zie De zeven raven. Reuzen die vechten om een toverding, zie ook De koning van de gouden berg. Een bijzonder motief in dit sprookje is het vuur dat degene die niets vreest geen kwaad doet, maar de heks verbrandt.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Oorspronkelijke titel

Engelse titel

Bron
"De sprookjes van Grimm; volledige uitgave" vertaald door M.M. de Vries-Vogel. Unieboek BV - Van Holkema & Warendorf, Weesp, 1984.

Herkomst: Duitsland
Verteltijd: ca. 33 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook