Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 23 min.
Herkomst:




De trotse schildpad Een Egyptisch volkssprookje over een ontdekkingstocht van een schildpad

Toen hij nog klein was leek hij een heel gewone schildpad. Met zijn ouders leefde hij in een hol onder de dikke muur, die gebouwd was rondom het landgoed van een edelman in de Delta. Er waren ook nog twee broers en een zusje maar die hadden helemaal geen avontuurlijke aard. Ze maakten korte wandelingetjes, op zoek naar een krop sla en verder vonden ze het heerlijk om te slapen. Ze trokken daarbij hun kopjes in om vooral niet gestoord te worden door gesprekken of andere geluiden.

De trotse schildpad
Waarom onze schildpad zo verschillend was van zijn familieleden, kan ik je niet vertellen. Wel weet ik dat hij op zijn vijftiende verjaardag besloot een grote tocht te gaan maken. Zijn moeder beschouwde hem toen nog steeds als een klein kind en z'n grootvader deed of hij net uit het ei was gekropen! Maar de kleine schildpad wilde de wereld in. Wat was er als je verder liep dan de slabedden? En misschien zelfs verder dan de wijngaard? Hij wist dat het niet de gewoonte was zoiets met de familie te bespreken. Zij zouden hoogstens geërgerd knorren en opnieuw inslapen, want zij hadden hem herhaaldelijk verteld dat daar Niets te vinden was. Hij zou verloren gaan, vergeten worden, zelfs door zijn eigen familie!

Het eerste wat de schildpad ondervond, toen hij probeerde te ontdekken hoe het Niets voorbij de wijngaard er uit zag, was een onverwachte bons op zijn schild. Hij keek schichtig naar boven om te zien waar die vandaan kwam en daar zag hij, op een boomtak, een aap. Hij zat op een granaatappel te zuigen en telkens vloog er een pit tussen zijn scherpe tandjes uit.

"O, neem me niet kwalijk!" riep de aap, "ik wist helemaal niet dat je leefde, ik dacht dat je een steen was."

Als je er juist zo trots op bent dat je je een bijzondere schildpad voelt, is het een vreselijke gewaarwording voor een steen aangezien te worden! Met een stem, dol van ergernis, zei de schildpad: "Het spijt mij buitengewoon te horen dat u zo kortzichtig bent."

"Dank u, maar dat ben ik niet," riep de aap.

"Dan begrijp ik niet hoe u een schildpad, en niet een slapende maar een lopende schildpad, voor een steen aanziet!"

"Ach, als ik langdurig naar u gekeken had zou ik u hebben zien bewegen, maar voordat ik u hoorde spreken heb ik altijd gedacht dat schildpadden stenen waren."

"Merkwaardig dom, zelfs voor een aap," mopperde de schildpad gebelgd. Hij was te beledigd om beleefd te kunnen blijven.

"Och, niet zo dom, een heel gewone fout die iedereen kan maken," antwoordde de aap rustig. "Tenslotte kunt u niet in bomen klimmen of heel hard lopen zoals een gazelle. Van ons standpunt uit gezien bent u werkelijk zoiets als een steen, begrijpt u wel? Niet dat ik onaangenaam tegen u wil zijn, hoor."

Toen zag de aap dat over de neus van de schildpad een dikke traan rolde en hij veranderde vlug van onderwerp: "Waar gaat u eigenlijk naar toe?"

"Nergens heen," antwoordde de schildpad met trillende stem. "Hoe zou ik ergens heengaan?" En hij draaide zich om en waggelde langzaam weg, terwijl hij moeizaam probeerde zijn waardigheid op te houden. Maar zodra hij uit het gezicht van de aap was, trok hij zijn kopje verdrietig naar binnen en huilde bittere tranen. "Ik kan niet hard lopen... ik kan niet vliegen... ik kan niet klimmen... een steen, dat ben ik. En een steen die flink honger heeft, dat is nog erger! Wie zal geloven dat ik vanochtend nog dacht een groot avontuur te zullen beleven? Ik ga niet naar huis. Zo onbeduidend ben ik dat ze niet eens zullen merken of ik er ben of niet!"

Zijn zusje zag hem toen zij die avond een paar slablaadjes ging halen. Ze dacht dat hij sliep en klopte daarom op zijn schild, om hem te vertellen dat het tijd was om te eten. Hij zuchtte diep dus zij wist nu dat hij niet sliep. Maar hij stak zijn kop niet naar buiten, want hij wilde niet met haar praten. Zij kon alleen het zachte gebrom onder zijn schild horen: "Laat me alleen! Ik ben een steen en stenen eten niet!"

"Je bent geen steen," riep ze vrolijk, "je bent een schildpad."

"Dat is precies hetzelfde."

Zo bleef hij daar liggen. Hij wilde niet bewegen, niet eten, tweeëntwintig dagen lang. Zijn moeder dacht dat haar kleine zoon op een verkeerde tijd aan zijn winterslaap begon. En zijn vader beweerde dat hij gewoon een boze bui had. Maar zijn zusje, dat altijd veel van hem gehouden had, zat ernstig na te denken hoe ze hem kon helpen. En het was de aap die de oplossing bracht. Hij pakte de eerste van de rijpe vijgen en mikte die vlak voor het kopje van de schildpad. De fijne geur drong tot onder het schild en moest wel zijn onwillige neus bereiken.

"Een vijg," mompelde de schildpad, "o, wat jammer dat ik een steen ben! Een steen kan geen vijgen eten. Maar," ging hij verbaasd verder, "als een steen geen vijgen kan eten waarom maakt de lekkere geur van een vijg hem dan zo hongerig?" Voorzichtig keek hij onder zijn schild door. De vijg was zo rijp dat hij in tweeën gevallen was. En dat vond onze schildpad juist het lekkerst! Zijn kopje kwam steeds meer naar voren, zijn bek ging open, het sap gleed door zijn keel en het smaakte verrukkelijk!

"Ik zei je toch al dat je geen steen geworden was," zei z'n zusje opgelucht, "ben je nu blij dat je toch een schildpad bent? Niets is immers zo heerlijk als een verse vijg?"

"Weet je het zeker?"

"Heel zeker. De aap heeft het mij verteld. Hij zei: de allereerste vijg heb ik aan hem gegeven omdat geen ander dier daar zoveel van houdt! Ben je nu niet blij dat je een schildpad bent?" vroeg ze dringend.

Hij beet nog drie stukjes van de vijg en kauwde er heel langzaam op. Toen keek hij naar zijn zusje en zei: "Heel erg blij!"

Een tijdlang was hij zo vervuld van het feit dat hij toch een gewone schildpad was, dat hij aan niets anders dacht. Maar op een morgen drong ineens tot hem door: nu heb ik nog niet ontdekt wat het Niets is, voorbij de wijngaard.

De volgende dag kroop hij heel vroeg tussen zijn familieleden uit. En, met zijn kopje zoveel mogelijk naar voren gestrekt zodat hij alles waarlangs hij ging goed kon overzien, begon hij zijn grote avontuur. Toen hij het slabed passeerde trok hij vlug een paar stukjes uit het frisse, groene blad. Je voelt je veel moediger als je een gevulde maag hebt, dacht de schildpad.

Eigenlijk was hij er helemaal niet zeker van dat het Niets de moeite van het bekijken waard zou zijn, maar hij hoopte vurig dat het niet heel lang en glibberig was, zoals Iss-oo de slang. Of heel vlug en zacht, als Ma-oo, de kat, die hem een keer met haar harige poot had willen omkeren!

Het was vermoeiend, ook een beetje vervelend, dat lopen door de wijngaard. Soms schuurde zijn buik onverwacht over een harde brok aarde, dan weer zwaaide hij met alle vier zijn pootjes door de lucht, voordat hij verder kon. Het was nog geen druiventijd en dat was jammer want de schildpad was er dol op. Maar de kleine groene uitlopers, die op de grond lagen, waren heerlijk om op te knabbelen.

Hij wist dat het Niets pas voorbij de wijngaard begon. En hij was heel verbaasd dat het daar glad en wit was en moeilijk begaanbaar. Eindelijk lukte het en na een lange tocht besloot hij een slaapje te doen voordat hij verder ging.

Toen hij wakker werd hoorde hij twee mensen met elkaar spreken. De ene was de eigenaar van het landgoed, de ander een Aziaat, een man met een lange baard, die zorgvuldig gekruld en geparfumeerd was.

De man met de baard liet een zacht lachje horen en antwoordde: "Wanneer mijn meester, de koning van Babylon, wil weten wat de goden van hem verlangen, wendt hij zich niet tot de heilige priesters, maar hij raadpleegt de schildpad!"

Nu lachten de beide mannen en wandelden langzaam naar het landhuis. Maar de schildpad lachte niet. Hij voelde zich met de minuut belangrijker worden, hij barstte bijna van trots!

Zo snel mogelijk keerde hij terug naar huis. Over het witte Niets (jullie begrijpen natuurlijk wel dat dit de witstenen tuinpaden waren), over de ongelijke grond van de wijngaard en langs de slabedden. Zo'n haast had hij dat er niet eens tijd overbleef om een groen blaadje af te trekken.

De familie sliep, zoals altijd. Luidkeels begon hij te roepen, zodat ze allemaal wakker werden: "Luister, domme bloedverwanten! Ontwaak en huldig mij! Ik ben wijzer dan alle andere dieren, ik ben zelfs wijzer dan de mens. Ik ken iemand die koning is in zijn eigen land. Als hij de wil der goden wenst te weten, vraagt hij raad aan een schildpad! Vijftien jaar geleden ben ik in uw midden gekomen. Jullie hadden mij vragen kunnen stellen en zouden heel wat wijzer zijn geworden door mijn antwoorden. Maar jullie, dwazen, waren te dom om het geluk te beseffen toen ik gelegd was. En het nog grotere geluk toen ik mij verwaardigde uitgebroed te willen worden in jullie familie!" Buiten adem wachtte hij op hun uitroepen van eerbied en vreugde.

Maar moeder schildpad zei bezorgd: "Heb jij hoofdpijn? Je hebt vast te lang in de zon gezeten."

En vader schildpad opperde: "Indigestie! Dat is het wat jij hebt opgedaan, terwijl je je weer eens volpropte, gulzigaard!"

Zijn oude grootvader, die juist bij hen was komen wonen, siste angstig en viel weer in slaap. En zijn twee broers staarden hem zwijgend aan. Toen sliep de ene dadelijk verder en de ander knorde ongemakkelijk en trok zijn kop naar binnen. Het meest ontdaan was de schildpad echter toen hij naar zijn zusje keek, zij... giechelde! Hij probeerde haar boos tot de orde te roepen, maar ze was nog zo klein en zij hadden altijd veel van elkaar gehouden. Toen trachtte hij haar uit te leggen hoe wijs hij was, in gewichtige woorden die hij zelf niet eens goed begreep. Hij toonde zich heel erg beledigd. Maar ach, alle familieleden keerden zich af van die lastpost, behalve zijn moeder, die liet hem galbessen eten vanwege zijn overladen maag, en zijn zusje, dat dacht dat hij alleen maar leuk wilde zijn.

Intussen werd onze schildpad steeds trotser. Op het laatst was het hem onmogelijk nog langer te leven bij die domme, slapende familie! Nee, veel liever ging hij op zoek naar de vreemdeling, die een schildpad tenminste naar waarde wist te schatten!

Dit keer moest hij langer lopen, want het eerste Niets was verdwenen. Hij kroop verder en verder en ontdekte gelukkig de plek waar de vreemde planten groeiden. Toen hij een tuinman hoorde aankomen, kroop hij vlug onder een laaghangende heester. Hij wist veel te goed dat schildpadden door een tuinman niet erg gewaardeerd worden.

Achter de tuinman liepen twee bedienden die een grote, biezen mand met een deksel erop tussen hen in droegen. De tuinman zei, zowel tegen hen als tegen zichzelf: "Hij mag dan de koning van Babylon zijn, maar hij blijft een vreemdeling. En vreemdelingen weten nu eenmaal veel minder van planten dan wij. Voor deze hier heb ik gezorgd sinds zij een stekje waren of zaad. En nu worden ze naar een vreemdeling gestuurd die ze vast laat verdrogen of half verdrinken!"

Nog steeds mopperend begon hij enkele planten uit te graven en in de mand te zetten.

"Koning van Babylon," herhaalde de schildpad in zichzelf, "deze planten gaan dus in de mand en die mand is voor de koning van Babylon en die gelooft in de wijsheid van een schildpad. Babylon, het klinkt heel ver weg, zelfs voor iemand die zo hard kan lopen als ik. Maar als ik in die mand ga zitten heb ik een heerlijk rustige reis! En als ik onderweg honger krijg, dan kan ik die planten redden van de verwaarlozing in dat vreemde land."

Toen de tuinman even niet keek, kroop de schildpad stilletjes in de biezen mand, zocht een gemakkelijk plaatsje tussen al het groen en viel in slaap. Het was een geluk voor hem dat hij tot een familie behoorde die gewend was veel te slapen, anders zou hij de nu volgende 63 dagen heel vervelend hebben gevonden. Als hij wakker was hield hij zich bezig met het geluk dat hem zeker te wachten stond. Hij zou een eigen huis krijgen en de bedienden van de koning zouden hem al zijn lievelingskostjes brengen... en natuurlijk ook nieuwe dingen die zijn eetlust zouden prikkelen. En zijn roem zou alle schildpadden in de hele wereld bereiken, zodat het zijn eigen familie zeker ter ore zou komen. Zelfs zijn zusje zou dan begrijpen hoe jammer het was dat zij haar broer niet gewaardeerd had toen zij de kans nog had. O, ze zou verdrietig zijn. Het was zelfs mogelijk dat zij nooit meer om iets zou giechelen!

Hij vroeg zich af welke vraag de koning hem het eerst zou stellen. Wat vragen koningen eigenlijk? Een ogenblik twijfelde hij aan zijn eigen wijsheid, maar tegelijkertijd voelde hij zich weer zo trots dat hij aan niets twijfelde. En op dat ogenblik werd de grote, biezen mand de ontvangstzaal van de koning van Babylon binnengedragen.

De koning, die door niemand een aardige man werd gevonden, was juist in gesprek met de opperdienaar van de martelkamer. Zo mogelijk was die nog minder aardig dan de koning. Hij overdacht net of de man die beschuldigd was van moord gekookt moest worden in een reusachtige pot vol pekel of alleen maar geworpen in een diepe kuil met slangen.

De koning had nooit enige belangstelling voor planten gehad en zou het vorstelijke geschenk uit Egypte waarschijnlijk hebben laten wegbrengen, zonder het zelfs maar te bekijken, als hij niet ineens de schildpad had ontdekt. Met angstige oogjes en vooruitgestoken kop staarde het dier hem aan.

"Een schildpad!" riep de koning verbaasd, "precies wat ik nodig heb. Wie in twijfel verkeert raadplege de schildpad!" Zijn stem schalde door de zaal.

Onze schildpad die zijn kop introk van ontzag, toen hij de koning van Babylon zag wiens krullende baard nog langer was dan in Egypte en wiens nagels aan handen en voeten bloedrood geverfd waren en gekromd als klauwen, herstelde zich vlug. Heel stil zat hij op het podium, recht voor de koninklijke troon en wachtte op de vragen die de koning hem zou stellen. Zo gespannen en nieuwsgierig zat hij daar dat hij niet eens merkte hoe de koning een roodgloeiende staaf van een komfoor lichtte, dat een slaaf had binnengebracht. En toen die staaf het schild in vijf stukken spleet, was het een zegen dat dit ook meteen de dood van onze schildpad betekende. Zo heeft hij nooit ontdekt dat een van de vreemde gewoonten van de Aziaten was: bij een moeilijk besluit een schildpad met een gloeiende staaf te bestrijken en dan te zien in hoeveel stukken het schild brak. Bij een oneven getal luidt het antwoord 'nee', bij een even getal 'ja'. Een gewoonte die wreed is en ook heel erg dom.

De koning van Babylon dacht dat dit het einde van de schildpad was en hieruit blijkt dat hij heel dom was. Want een ander woord voor 'einde' is 'begin'. Ze betekenen precies hetzelfde, alleen in verschillende richting.

Drie dagen nadat de schildpad had geleerd dat valse hoogmoed dezelfde nare gevolgen kan hebben als valse nederigheid (die ook hetzelfde betekenen, in verschillende richting) keek moeder schildpad haar man nadenkend aan en zei: "Ik geloof dat ik nu maar eens een ei ga leggen!"


*   *   *

De trotse schildpad Samenvatting
Een Egyptisch volkssprookje over een ontdekkingstocht van een schildpad.

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"De scharlaken vis. Egyptische sprookjes" door Joan Grant. Nederlandse bewerking door Marijke van Raephorst. Oorspronkelijke titel: 'The Scarlet Fish and other stories' verschenen bij Methuen & Co. London (1942). Uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 1973. ISBN: 90202-45-414

Herkomst: Egypte
Verteltijd: ca. 23 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook