Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 17 min.
Herkomst:

De twee schelmen uit Florence Een Italiaans verhaal over het foppen van een domme geneesheer

De stad aan de oever van de Arno beroemde zich niet alleen op haar prachtige kerken en paleizen, de vele vrolijke en ontroerende geschiedenissen die hier hun oorsprong vonden, droegen evenzeer bij tot het aanzien van de stad. En ook nu nog vertelt men elkaar van de slimme streken van de twee schelmen, die hier eens leefden. Over één van die streken gaat het volgende verhaal.

Op een dag dook in Florence meester Simon op. Hij vestigde zich in de Meloensteeg om zich aan de geneeskunst te gaan wijden, een beroep dat ook toen al in hoog aanzien stond. De buren bemerkten weldra tot hun verbazing, dat de dokter weliswaar een goed leventje leidde, maar toch eigenlijk een grote domkop was, en dat kwam voor zo'n geleerde dokter eigenlijk niet te pas.

Bovendien was de dokter een wijsneus, bemoeide zich met alles en iedereen en was razend nieuwsgierig naar de nieuwtjes en schandaaltjes, die zijn buren hem wisten te melden. Hij geloofde alles, wat hem ter ore kwam, verstrekte ongevraagd een serie raadgevingen, speelde over iedereen de baas en vond zichzelf geweldig geleerd en verstandig.

Niet alleen stak die meester Simon overal zijn neus in, hij was ook erg jaloers. En omdat de afgunst scherpe ogen heeft, legde hij weldra een buitengewone belangstelling aan de dag voor twee schilders, Bruno en Buffalmacco geheten, die bij hem in de buurt woonden.

De twee schilders, meestal hongerig en slecht bij kas, waren goede vrienden. Door hun blijmoedigheid en opgewektheid waren ze in de buurt erg geliefd, en omdat ze steeds voor een goede grap waren te vinden en geen spelbrekers waren, werden ze door de buren menigmaal op een goed maal getrakteerd en ook ontvingen ze verscheidene opdrachten voor een portret.

Het ging de twee dus aardig voor de wind, en als de meester niet met zulke begerige ogen door de wereld was gegaan, dan had hij zonder meer begrepen, waarom de schilders zo vrij als een vogel leefden en altijd uitstekend gehumeurd waren.

Maar de meester had zo zijn eigen gedachten over het tweetal. Hij was er vast van overtuigd, dat de schilders een twijfelachtige bijverdienste hadden. Dus nam hij zich voor, de zaak tot op de bodem uit te zoeken.

Vanaf dit moment verloor hij de beide schilders geen moment meer uit het oog. Omdat Bruno hem van de twee het meest spraakzaam leek te zijn, zocht hij toenadering tot hem, en daarna nodigde hij hen beiden enige malen voor het eten uit.

De schilders letten eerst niet op de vele vragen van de meester, maar toen hij, na een overvloedige dronk, weer met zijn zo langzamerhand berucht geworden gevraag en gesnuffel begon, stak het plaagduiveltje in Bruno de kop op.

En Meester Simon, helemaal in zijn element, vroeg en vroeg.

"Het is werkelijk ongelooflijk, hoe jullie in zulke moeilijke omstandigheden kunnen leven en toch je goede humeur niet verliest. Jullie hebben zeker een bijverdienste. Heb ik geen gelijk? Vertel er eens wat over!"

"Ja en nee," antwoordde Bruno aarzelend. Hij liet zijn stem tot een fluistertoon dalen en vervolgde: "We zijn 's nachts dikwijls op pad!"

"'s Nachts? Wat je zegt! Dat moet je mij eens uitleggen," zei Meester Simon, die bijna barstte van nieuwsgierigheid.

En hoewel Bruno juist deze dag helemaal geen zin had om iets te vertellen, drong de meester net zo lang aan, tot Bruno hem bij de naam van de Allerheiligste liet zweren, niemand ook maar een enkel woord van de zaak te verraden.

En hij begon: "Het zal u zeker bekend zijn, meester, dat in onze stad de grote magiër en tovenaar Scott woonde. Hij was uit Schotland afkomstig, zoals de naam al zegt. Onder de adel van Florence mocht hij zich in een algemeen respect verheugen. En toen hij naar een andere stad wou gaan, stuurde men hem een boodschap, dat hij aan zijn beide leerlingen de kunst moest doorgeven, voor hij Florence zou verlaten. En omdat de magiër een wijs man was, volgde hij de raad van de stad op. Beide leerlingen zetten het roemrijke werk van de grote man tot op heden voort. Ze hebben omgang met de hoogste kringen van Florence, die ze hun wensen helpen vervullen, of het nu om tere liefdesbanden of om geldelijke aangelegenheden gaat. Door een gelukkige samenloop van omstandigheden kwam ook ik, samen met mijn vriend, in deze geheime bond terecht. Het heeft ons niet alleen veel geld opgebracht, maar ook geluk bij mooie en voorname vrouwen. Om nog maar te zwijgen van de oogverblindende feesten, de hemelse muziek en de gouden zalen..."

Meester Simon luisterde aandachtig naar het verhaal van Bruno, hij vroeg steeds meer bijzonderheden over deze bond. Dus namen ze alles van het begin tot het einde nog een keer door.

De meester begon van opwinding te trillen. Innerlijk verzette hij zich eerst, en was het liefste gevlucht om het gevaar te ontlopen, maar zijn nieuwsgierigheid was sterker. Daarom zei hij: "Nooit en te nimmer had ik kunnen denken, dat jullie in zulke hoge kringen verkeren, en over zulke connecties beschikken. Maar zeg, kan ik daar ook niet aan meedoen?"

"Dat kan ik niet beslissen, dat kan ik werkelijk niet beslissen," antwoordde Bruno met een verlegen gezicht.

"Luister," zei meester Simon, "ik ben van voorname afkomst. Mijn moeder is een geboren Vallecchio."

"Aha, daarom beschikt die onnozele hals over zoveel geld," dacht de schilder. Maar hij zei hardop:

"Het gaat niet alleen om voorname afkomst, heer! Iedereen, die bij deze bond wil komen, moet een dapperheidstest afleggen, om zo het recht op lust en liefde te veroveren."

Nu stokte de meester werkelijk de adem in de keel, want zijn hele leven was hij al een zwakkeling geweest. Maar hij zei vlug: "Als het nodig is, ben ik natuurlijk altijd bereid zo'n proef af te leggen."

Bruno zag, dat het hoog tijd werd met die onzin op te houden. Daarom zei hij: "Volgende maand komt mijn vriend, de voorzitter van de vrienden van deze bond, van zijn reis terug. Vanwege de hartelijke vriendschap, die ik van u heb ondervonden, zal ik een goed woordje voor u doen. Misschien krijgt u dan een gemakkelijke opdracht."

En daar bleef het bij.

De hele maand lang onthaalde de dokter in de geneeskunst de beide schilders op het heerlijkste eten en drinken en als tegenprestatie hadden de schilders een grote nachtspiegel op de deur van zijn huis geschilderd en gezegd: Dit is het huiswapen van de dokter. Dat was natuurlijk een zinspeling op de werkelijke medische kennis van de dokter. En sindsdien waren ook alle inwoners van Florence van de werkelijke bekwaamheden van de dokter op de hoogte!

En eindelijk kwam de dag, waarop de schilders met een ernstig gezicht bij Simon kwamen en zeiden: "De dag is gekomen, meester Simon. Nog deze nacht zult u, als u wilt, genieten van de schittering van gouden zalen, een hemels feestmaal meemaken en de mooiste vrouwen en meisjes uit de stad liefkozen. Er is alleen een klein beetje moed voor nodig..."

"Wat moet ik doen?" riep de medische kunstenaar ongeduldig.

"Slechts een kleinigheid, lieve meester," antwoordde Bruno. "We hebben immers een goed woordje voor je gedaan? Luister goed: na het invallen van de duisternis gaat u naar het kerkhof bij de Santa Maria Novella kerk. Daar wacht op u een ruigbehaard dier, dat u op zijn rug naar ons toe zal dragen. Hoogstwaarschijnlijk zal het niets achterwege laten, om u schrik aan te jagen. Maar, waarde meester, laat u niet bang maken, het zal gauw weer bedaren. Op één ding moet u echter goed letten: de naam van God mag u noch uitspreken, noch in gedachten nemen, en als het dier u naar het doel brengt, moet u de armen gekruist houden, anders voldoet u niet aan de voorwaarden van de proef en zullen we alle drie daarvoor moeten boeten."

"En nog iets," zei Bruno. "Kleedt u zich feestelijk aan, opdat de vrienden van de bond herkennen welke eerwaarde heer we in de kring brengen."

Daarna vertrokken de beide schilders. Bij het invallen van de schemering zei de meester tegen zijn vrouw, dat hij nog een voorname patiënt moest bezoeken. Hij parfumeerde zich van top tot teen en trok zijn zondagse scharlakenrode mantel met de pelskraag aan. En toen het donker was, ging hij op pad.

Bij de kerk was geen levende ziel te bekennen en meester Simon werd bang en angstig. Toch ging hij het kerkhof op en keek van hieruit naar het kerkplein. Plotseling hoorde hij een vreselijk lawaai en hij kon zijn ogen nauwelijks geloven. Uit de omgeving van de Via della Scala kwam iets te voorschijn, dat er uitzag als een monster met horens. Buffalmacco had namelijk zijn pels binnenstebuiten aangetrokken en zijn gezicht met een duivelsmasker bedekt. Hij wendde en keerde zich, schreeuwde, joelde en tierde en rammelde daarbij nog met een ijzeren ketting.

"O God, sta mij bij," riep de meester luid en ging het ondier dapper tegemoet. Toen het dier voor hem ging staan en de meester op zijn rug was geklommen, smeekte hij alle heiligen in de hemel, dat ze hem zouden bijstaan.

Hoei, wat een vaart! Zo snel zijn benen hem konden dragen liep Buffalmacco met de meester weg, die als een zoutzak op zijn rug hing. En toen hij de mestvaalten van de stad had bereikt sprong hij omhoog en wierp de arme man erin.

Het liep Simon koud over de rug en hij begon verschrikkelijk te jammeren en te schelden. Maar spoedig had hij zichzelf weer onder controle, verloor geen tijd en klom uit de mesthoop naar buiten, waarna hij zich haastig uit de voeten maakte. Maar o wee, hij verspreidde zo'n verschrikkelijke stank, dat onze twee schilders, die de meester hadden gevolgd, haastig wegliepen.

En de meester, die zo feestelijk gekleed en heerlijk geparfumeerd het huis had verlaten, verspreidde nu een heel ander soort parfum dat, vermengd met de rioollucht uit de mestput, zijn nieuwe huiswapen alle eer aandeed.

Toen de beide schilders de Meloensteeg hadden bereikt en onder het venster het schelden en tieren hoorden, waarmee de lieve Simon door zijn vrouw werd onthaald, moesten ze zo hard lachen tot ze er buikpijn van kregen.

De volgende morgen beschilderden de beide schelmen hun rug wasblauw en gingen rechtstreeks naar meester Simon. Hij ontving hen met een zielig gezicht, maar voor hij kon vertellen wat er gebeurd was, zei Bruno vlug: "Van een ongeluk moest u maar liever zwijgen, waarde meester. Wij beiden hebben door uw lafheid en door het verbreken van uw belofte zulke klappen opgelopen, dat onze ruggen bont en blauw zijn."

Ze stroopten hun kleren op en in het schemerige vertrek wekte de blauwe kleur inderdaad de indruk of hun rug vol blauwe plekken zat.

"Maar dat is nog niet alles," riep Buffalmacco. "Dankzij u heeft men ons uit de bond gestoten en we verliezen nu niet alleen het goede geld, maar ook de gunsten en hartstocht van de mooiste vrouwen. Er blijft ons dus niets anders over, dan bij het gerecht ons beklag te gaan doen..."

"Doe dat niet, lieve vriend, doe dat niet," smeekte de meester, hevig geschrokken, "liever stop ik jullie elke maand wat toe als schadeloosstelling."

En omdat de schijn nog altijd de wereld regeert, wezen de twee het aanbod eerst beleefd van de hand. Maar na lang aandringen van de meester verklaarden ze zich tenslotte, met een schelms lachje, bereid om elke maand het 'smartegeld' te accepteren.

En zo waren ze alle drie tevreden. Bruno en Buffalmacco konden echter hun mond niet houden en zo wist weldra ieder kind in Florence, wat een enorme sufferd deze meester van de medische wetenschappen was.


*   *   *

De twee schelmen uit Florence Samenvatting
Een Italiaans verhaal over het foppen van een domme geneesheer. Meester Simon verdenkt de twee schilders Bruno en Buffalmacco van een twijfelachtige bijverdienste. Bruno vertelt hem dat ze bij een geheime bond zitten en Simon wil ook bij de bond en vraagt wat hij moet doen. Hij hoeft alleen maar een dapperheidstest te ondergaan. Maar is het allemaal wel echt? Lees het verhaal

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Sagen van Europese steden" verteld door Vladimír Hulpach. Holland, Haarlem, 1980. ISBN: 90-251-0412-6

Herkomst: Italië
Verteltijd: ca. 17 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook