Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 17 min.
Herkomst:




De verdwaalde boodschappenjongen Het winnende verhaal van de Arnhemse volksverhalenwedstrijd

Het rommelde in zijn maag. Berend deed boodschappen voor oma Aantje en ook voor hemzelf. Sinds zijn moeder overleden was en vader vaker op zee zat dan in de kroeg, ging de jongen minstens een keer per week naar de markt. Maar stilaan had hij er de pest in. Berend wilde wel eens een echte man zijn en geen boodschappenjongen meer. Hij wilde ook iets te vertellen hebben.

Het schemerde. Hij had zich voorgenomen voor het donker thuis te zijn, toen hij een geluid hoorde. "Psst." Berend draaide zich om. Een man met een gouden hoektand lachte breed. Hij droeg een mantel met manchetten, een dieprode fluwelen pofbroek en een paar glimschoenen. "Ik ben verdwaald," zei hij met een licht hese stem. "Ken jij toevallig De Vier Snaren?" De Vier Snaren was een café. Dat café kende Berend wel. Het zat om de hoek bij Het Duivelshuys. Berend keek ondertussen om zich heen. Schemerdonker. Hij kon nu niet te lang wegblijven. Maar ach, onderweg kwam hij er toch langs, dus waarom zou hij niet een eindje met deze passant meelopen?

Berend ging voor als een echte meneer. Bij De Vier Snaren zei de gouden tand: "Ik wil je voor deze dienst graag florijnen geven." Voordat Berend kon weigeren, gaf de man hem geld. Dat kon hij goed gebruiken. "Jongen, ik vind je zeer geschikt. Kom morgenmiddag rond de klok van twaalf weer bij De Vier Snaren. Dan kun je meer geld verdienen." Geld verdienen. Dat klonk hem als muziek in de oren. Wie weet was het een handelaar en mocht hij net als vader varen! Vederlicht ging Berend met de boodschappen naar huis.

Klokslag twaalf was hij bij De Vier Snaren. "Psst." Berend herkende het geluid, draaide zich om en keek in het gezicht van de man met de gouden tand. "Ah, daar ben je. Kom maar mee." Nu liep Berend achter de man aan. Het steegje uit, totdat hij voor een stenen duivelskop stond. Het duiveltje lachte. De man liep voor hem en daalde een stenen trap af, die in de grond leek te verdwijnen. Toen bonsde hij een paar keer tegen een zware zwarte deur.

De deur ging open. En niet veel later stonden ze in een donkere hal, met licht bruine plavuizen. Aan de muur brandden fakkels. Berend rilde en toch was het hier niet koud. Wat deden ze hier. Dit moest vast een vergissing zijn. De gouden tand legde kort een hand op Berends schouder. "Hier nemen we afscheid," zei de man. Hij liet de hand langzaam los. Daarna viel de donkere deur met een klap achter hem dicht. Nu stond Berend er weer alleen voor, maar iemand moet toch de deur hebben opengedaan? In het Duivelshuys is het niet pluis, dat is waar zijn oma hem voor waarschuwde. Nu zit hij gevangen, of toch niet.

Berend draaide zich om en probeerde de deur te openen, dat ging niet. "Jongeman," bromde een stem achter hem. "Je wordt verwacht." Het leek of de stem hem deed bevriezen.. Langzaam maakte Berend zijn vingers los van het koude staal. "Komt er nog wat van? Je wilt verdienen of niet?"

In zijn gedachten zag hij een duivelskop voor zich. Hij durfde niet te kijken, maar moest wel toen hij het getik hoorde op de plavuizen, een geluid dat steeds dichterbij kwam. Zijn hart klopte sneller. Steeds dichter en dichter kwam het geluid. Om het geschreeuw vanuit zijn binnenste te onderdrukken, draaide hij zich om. "Jongen, heb geen schrik. Vertel me liever hoe je heet." Een lange smalle man met donkere haren en geschoren baard stond voor hem. "Ik ben Stevin." En hij stak een hand uit. Aarzelend greep Berend naar zijn hand. "Ik ben Berend," trilde hij. Daarna slikte hij zijn naam weg. De man glimlachte en knikte een paar keer. Berend kon wel door de grond zakken. Zou dat hier kunnen? Of was de bodem al bereikt.

Berend wilde nog zeggen dat hij naar huis wilde, maar zijn spraak was niet snel genoeg, niet sneller dan de woorden die uit Stevins mond te voorschijn kwamen. Alsof hij zijn gedachten kon lezen, zei de man: "Je blijft vanavond hier, want je hebt dienst. Maar je hoeft het niet alleen te doen. Iemand komt je assisteren."

"Maar waar slaap ik dan?"

"Hier."

"Maar, mijn oma dan? Die weet van niks."

"Heeft Willem je dat dan niet verteld?"

"Wat verteld?"

"Dat je hier blijft wonen en werken?"

Willem, zo heette de man die hem had gebracht.

"Nee, maar dat was niet de bedoeling," riep Berend in paniek.

"Wees toch eens kalm. Jongens die snel opgefokt raken, kunnen we hier niet gebruiken."

Toen knipte Stevin met zijn vingers. Een kleine, forse jongen met een groene muts verscheen en overhandigde hem een zakje. "Dank je Anne. Dit is Anne. Hij is voor de drommel niet bang, hè Anne?" Anne knikte, hij keek een beetje ondeugend. Voor de drommel niet bang, herhaalde Berend in zichzelf. Anne was ook heel handig. Want hij wist precies wat hij doen moest. Stevin een zakje geven. Het buideltje werd geopend en vervolgens hield Stevin een blinkend gouden muntstuk tussen duim en wijsvinger. Deed het muntstuk terug en schudde met de buidel, toen zei hij: "Veel dukaten. Ze zijn voor jou als je hier een week blijft en je werk goed doet. Is dat een goede deal? Je zult je oma en de rest van je familie er een groot plezier mee doen." Nou, daar had hij wel oren naar. "Kom maar mee dan."

Berend liep achter Stevin en Anne aan en kwam in een grote zaal met wijnrode gordijnen en lange houten tafels met druipkaarsen in koperen kandelaars. Aan het eind van de zaal stond in het midden een groot podium met aan de wand een houten schild in rode, zwarte, gele en witte kleuren. Het was een zwart schild, met een gele rand.

"De tafels zijn hier nog leeg, maar vanavond komen hier mensen van de orde, mensen zoals jij en ik," zei Stevin. "En die broeders ga jij bedienen, kunnen we meteen zien wat voor vlees we in de kuip hebben!" Terwijl hij dit zei, kneep hij hard in Berends arm. "Jij kunt trouwens wel wat meer vlees aan je botten gebruiken."

Samen met Anne, wat zijn kamergenoot werd, gingen ze naar een hok, dat niet groter was dan drie bij vier meter. Daarin stonden twee houten bedden en een vierkante tafel met twee stoelen. Op het dunne matras lagen een paar dekens. Berend maakte zijn bed op en het stof dwarrelde rond. Zouden ze nog wat te eten krijgen? Anne zag er niet mager uit, dus het zal wel goed komen. Iemand klopte op de deur. Anne deed open. Niet veel later bracht hij twee dampende borden soep en brood, zette die op de grond. Daarna kreeg hij nog een bord met een kippenpoot. Hadden de broeders zich vergist?

"Dat stuk is van mij," zei Anne er maar meteen bij en liet het zich hoorbaar goed smaken.

Nadat Berend zich te goed had gedaan aan de soep, vroeg Berend voorzichtig waarom Anne wel een stuk vlees kreeg en hij niet. "Omdat hij er langer werkte," was het antwoord. Het klonk logisch. De knagende honger in zijn opstandige maag negeerde Berend dit keer.

Maar die honger was de volgende ochtend toch wel erg opdringerig. "Als ik niet kan eten, kan ik ook niet werken," zei Berend. "Als gij niet kunt werken, kunt gij ook niet eten," verbeterde Stevin hem. "Weldra ga jij met Anne naar de markt, om gans, appels, vis en eieren te kopen. Daarna zullen we wel zien. Allez." Ze zouden hem weldra belonen hadden ze toch gezegd; ik moet vertrouwen houden, dacht Berend.

"Prachtige appels, eieren voor een cent!" Het rumoer op het marktplein was niet van de lucht. Mensen liepen voorbij; vrouwen met schort, hoofddoek, mandjes en spelende kinderen. Dit gaf een vertrouwd gevoel, net zoals de opengesperde bek van een dode vis. Daardoor vergat hij Anne. "Rennen!" riep Anne en trok Berend aan zijn jas. Van schrik liet hij de boodschappen vallen en ging achter zijn kamergenoot aan.

Anne hield iets onder zijn trui. Hij moest dit vaker gedaan hebben, dat kon niet anders. Hijgend kwamen ze aan in Het Duivelshuys. Anne toverde een dode gans te voorschijn. "Je hebt het niet verdiend, maar je hebt wel heel goed de gans helpen dragen," glimlachte Stevin. Dat had hij niet gedaan, maar Berend besloot zijn mond te houden. Niet snel daarna kreeg hij een stuk van het brood en een appel. "Water brengen we je zo." Berend wachtte niet op het water. "En Anne dan?"

"Jij mag ons helpen," was het antwoord van Stevin. "Als je goed je best doet, ben je de volgende keer welkom aan onze dis." Wel vreemd vond Berend het, omdat ze broeders waren? Alsof Stevin gedachten kon lezen, zei hij: "Knaapje, ik ben ook ooit zo begonnen en toen had ik het nog veel slechter dan jij. Dankbaarheid en gehoorzaamheid bezorgen eer. Kom met ons mee naar de grote zaal, dan zul je daar verdere instructies krijgen."

De grote zaal zat vol met mannen en jongens. Weldra kreeg Berend een gebraden gans op een glanzende schaal. De geur van vlees vloog zijn neusgaten in. "Die tafel daar links, neerzetten. Hop," opperde Stevin. Berend schommelde met het dienblad. Toen Berend terug liep kreeg hij weer een plateau in zijn handen, dit keer met pullen bier en zo ging dat de hele avond door. Het leek wel of Berend zeebenen had.

De dis was misselijkmakend. Mannen en jongens die zich tegoed deden aan allerlei lekkernijen en hij die het moest doen met een stuk brood en een appel en hij had toch maar die gans getransporteerd. Maar hij moest volhouden en dankbaar zijn.

De dag erna kregen ze weer de opdracht de markt op te gaan. Als Anne hen nu maar niet weer zo'n streek leverde. "Anne, hier is het geld," zei Berend. "Ga jij inkopen doen?" Hij durfde Anne niet aan te spreken op zijn gedrag; als hij Anne het geld gaf, zou hij er wel mee betalen, hoopte hij. Ze hadden de boodschappenlijst in tweeën gedeeld. Berend was aan de beurt. Terwijl hij zijn bestelling opnam, hoorde hij naast zich: "Houd de dief!" In Anne kwam beweging. Dat ging mooi niet door, dacht Berend en trapte Anne op zijn voet. "Wat doe je nou?" schreeuwde Anne. In een impuls riep Berend: "Hou op met stelen. Je brengt mij in moeilijkheden." - "Ik heb niks gedaan," riep Anne. "Die naast mij stond, is er vandoor, kijk hem rennen!" Nog net zag hij de dief met een mand.

Nu de dief weg was, ontstond er ruimte tussen Anne en het slachtoffer van de diefstal. Hij zag hoe Anne het slachtoffer; een kromme vrouw met hoofddoek aansprak. Berend herkende de hoofddoek. Zou het zijn oma zijn? Nee, dat kon niet. Toen kreeg het beeld een geluid. De vrouwenstem kwam ook overeen met die van zijn oma. "Oma Aantje?" Berend duwde Anne opzij. "Berend?"

Zijn geweten knaagde net als de honger. Nu moest oma zelf boodschappen doen. Wat erg. "Oma, ik ben het, Berend. Ik ga met je mee naar huis, ik had een baantje. Ik leg het later nog wel uit."

"Het is goed jongen, ze kneep hem in zijn wang."

Anne moest hij verontschuldigen. Anne knikte en toen zag hij ook zijn tranen. "Ik heb helemaal geen familie meer," snikte Anne. Nu kreeg Berend met hem te doen. "Glip onder het boodschappen naar De Vier Snaren, dan kunnen we elkaar daar later ontmoeten." Dat vond Berend een goed idee. Oma en Berend gingen naar huis.


*   *   *

De verdwaalde boodschappenjongen Samenvatting
Het winnende verhaal van de Arnhemse volksverhalenwedstrijd.

Toelichting
In mei 2011 is er vanuit Kunstbedrijf Arnhem een schrijfwedstrijd georganiseerd, waarin op zoek werd gegaan naar het volksverhaal van Arnhem. Dit verhaal van Hanneke van den Heuvel heeft gewonnen. De aanmoedigingsprijs ging naar Simone Hendriks: Het Duivelshuis. Verder zijn er nog twee inzendingen op de Volksverhalen Almanak geplaatst: het verhaal van Frits van het Hoofd: De elf zonen van Vithor en Clairesse en het verhaal van Inge Vu: Rosita's grote liefde.

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
Inzending voor het volksverhaal van Arnhem. Geschreven door Hanneke van den Heuvel.

Herkomst: Gelderland
Verteltijd: ca. 17 min.
Leeftijd: vanaf 9 jaar

Lees ook