Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 29 min.
Herkomst:




De verloren prinses

Er was eens een koning die zes zonen en een dochter had. Zijn dochter was hem zeer dierbaar, maar toen hij op zekere dag bij haar was, maakte hij zich boos en ontglipte hem een vloek. Die nacht ging de prinses zoals gewoonlijk naar haar slaapvertrek, maar de volgende ochtend was zij nergens te vinden. En toen haar vader, de koning, besefte dat zij werd vermist, was hij vervuld van berouw en verdriet en begon hij haar overal te zoeken. Toen vroeg de minister, die 's konings smart zag, om een dienaar en een paard en voldoende zilvergeld, teneinde zelf naar de prinses te gaan zoeken.

En zo gebeurde het dat de minister door het ganse rijk reed op zoek naar de verloren prinses, door woestijnen en bergen, door wouden en velden. Hij zocht haar vele jaren lang. Toen hij op zekere dag door een woestijn reed, viel zijn oog op een pad dat hij nooit eerder had gezien, en hij zei bij zichzelf: "Ik heb nu al zo lang in deze woestijn naar de prinses gezocht, nu zal ik dit pad maar volgen en misschien uitkomen in een stad." Nadat hij het pad lange tijd had gevolgd, kwam hij ten slotte bij een prachtig paleis, bewaakt door vele soldaten. De minister was bang dat de schildwachten hem niet binnen zouden laten, maar toch steeg hij af en ging te voet in de richting van het paleis, en tot zijn verbazing opende de poortwachter dadelijk de poort voor hem, zonder vragen te stellen. Vanaf het binnenplein ging hij het paleis binnen en daarna betrad hij de vertrekken van de koning, die bevelhebber was van alle troepen. En niemand trachtte hem ervan te weerhouden bij de koning te verschijnen. Vele muzikanten waren er hun instrumenten aan het bespelen onder leiding van de koning, en de minister bleef in een hoek van de zaal staan om te wachten wat er verder zou gebeuren. Na enige tijd beval de koning zijn dienaren de koningin binnen te brengen. Zij verlieten de zaal met veel vreugdebetoon en even later speelden en zongen de muzikanten, toen zij binnentrad. En toen zij haar naar de troon leidden, zag de minister dat zij de verloren dochter van de koning was.

Even later keek de koningin op en zag de minister in een hoek van de zaal en herkende hem dadelijk. Zij stond op van haar troon en zei: "Herkent u mij?" En hij antwoordde: "Ja, u bent de verloren prinses. Maar hoe komt het dat u hier bent?" En zij antwoordde: "Door de vloek die mijn vader ontglipte. Want dit is het paleis van de Boze." Toen vertelde de minister haar dat haar vader, de koning, ernstig leed onder haar afwezigheid en dat hij de minister had uitgezonden om haar te vinden, en dat hij haar nu reeds vele jaren zocht. Daarop vroeg hij haar: "Hoe kan ik u uit dit paleis bevrijden?" En zij antwoordde: "Het is niet mogelijk mij te bevrijden als u niet een vol jaar op één plaats verblijft en er het gehele jaar naar verlangt mij te redden. En op de laatste dag van dat jaar moet u een hele dag en nacht vasten en waken."

Daarop verliet de minister het paleis en deed wat zij hem gezegd had. Hij begaf zich naar een woud en vestigde zich daar. En aan het einde van het jaar, op de laatste dag, vastte hij en sliep niet. Maar op die dag zag hij voor het eerst een boom waaraan prachtige appelen hingen. Hij verlangde er zozeer naar, dat hij ten slotte opstond en van de boom at. Maar zodra hij had gegeten, zakte hij ineen en werd door slaap overmand. Hij sliep lange tijd achtereen en ofschoon zijn dienaar hem wakker probeerde te schudden kon hij hem niet wekken.

Toen de minister eindelijk ontwaakte, vroeg hij zijn dienaar: "Waar ben ik?" En de dienaar antwoordde: "U bent in een woud, waar u lange tijd heeft geslapen, en al die tijd heb ik mijzelf met vruchten en noten in leven gehouden." De minister was wanhopig, maar begaf zich toch weer naar het paleis van de verloren prinses en daar ontmoette hij haar nogmaals in de koningszaal. En toen zij hem zag, was zij vervuld van droefheid en zei: "Was u op die dag gekomen, dan had u mij kunnen meenemen, maar vanwege die ene dag is nu alles verloren. Maar ach, ik begrijp wel dat vasten heel moeilijk is, vooral op de laatste dag, want dan wordt de Kwade Neiging het sterkst. Daarom moet u terugkeren en nog een jaar in het woud huizen, maar op de laatste dag is het u toegestaan te eten. U mag echter niet slapen en geen wijn drinken, waardoor u in slaap zou kunnen vallen, want het is bovenal belangrijk dat u wakker blijft."

Hij vertrok en deed wat zij had gezegd. Maar op de laatste dag van het lange jaar zag hij voor het eerst een bron waarvan het water roodachtig was en naar wijn geurde. De minister wees zijn dienaar op de bron en ging toen het water proeven, waarop hij weer in slaap viel. Ditmaal sliep hij vele jaren achtereen. Toen die tijd bijna was verstreken, kwam er op zekere dag een groot aantal soldaten voorbij, en de dienaar van de minister zocht snel een schuilplaats. Nadat de troepen waren gepasseerd, kwam er een rijtuig voorbij, waarin de koningsdochter zat. Zodra zij de minister herkende stapte zij uit het rijtuig en kwam naar hem toe. Maar hoe zij hem ook heen en weer schudde, hij werd niet wakker en zij begon te weeklagen, zeggende dat hij zich zoveel moeite had getroost en zovele jaren had moeten lijden om haar te bevrijden en door één vergissing op die laatste dag nogmaals alles had verloren. Zij schreide bittere tranen hierover en nam toen haar hoofddoek af en schreef er een boodschap op met haar tranen. Daarop keerde zij terug naar haar rijtuig en reed weg. Korte tijd later werd de minister wakker en vroeg aan zijn dienaar: "Waar ben ik?" De dienaar vertelde hem alles wat er was gebeurd, van de troepen die waren gepasseerd en het rijtuig dat was gestopt en van de prinses die zich zo had ingespannen om hem te wekken. Toen zag de minister de hoofddoek en vroeg: "Waar komt die vandaan?" De minister nam de doek en hield hem tegen het zonlicht. Er stond op geschreven dat zij niet meer te vinden zou zijn in het eerste paleis, maar voortaan gevestigd zou zijn in een paleis van parels op een gouden berg, en dat hij haar daar kon vinden. Daarop liet de minister zijn dienaar achter en zette zijn queeste alleen voort. Hij zocht vele jaren lang. Ten slotte kwam hij tot de slotsom dat zo'n paarlen paleis niet in de bewoonde wereld kon bestaan, want inmiddels kende hij de wereldkaart zeer goed. Daarom besloot hij haar in de woestijn te gaan zoeken en na vele jaren vond hij daar een reus, die een boom als staf gebruikte. De minister vertelde hem alles over de prinses en zijn speurtocht naar een paarlen paleis op een gouden berg. De reus zei dat zoiets stellig niet bestond. Maar de minister begon te wenen en hield vol dat het paleis toch stellig ergens moest bestaan. En ten slotte zei de reus: "Omdat u er zo zeker van bent, zal ik al de dieren bijeen roepen, die aan mij zijn toevertrouwd, want zij komen overal ter wereld. Misschien heeft een van hen van een paarlen paleis gehoord."

Daarop riep hij alle dieren, van de grootste tot de kleinste en van iedere soort, maar geen van hen had ooit zoiets gezien. Toen zei de reus: "Ziedaar, zij hebben bevestigd dat uw queeste een hersenschim is. Luister naar mij en ga terug, want wat niet bestaat kunt u stellig niet vinden." Maar de man hield vol dat het wel moest bestaan. Daarom zei de reus tot hem: "Zie, verder de woestijn in huist mijn broer, aan wiens zorg alle vogels zijn toevertrouwd. Misschien weten zij het te vinden, want zij vliegen hoog in de lucht. Ga naar hem toe en zeg dat ik u heb gezonden. En omdat u zo vastbesloten bent uw queeste voort te zetten, zal ik u helpen, zodat u tenminste niet belemmerd zult worden door gebrek aan goud."

En hij gaf hem een buidel en zei: "Steek telkens wanneer u goudstukken nodig heeft uw hand in deze buidel, want u zult er altijd meer dan genoeg in vinden." En de minister dankte de reus uitvoerig voor zijn kostbare geschenk en voor al zijn hulp, en ging op zoek naar de broer van de reus, die al de vogels onder zijn hoede had.

En zo gebeurde het dat de minister vele jaren rondtrok, op zoek naar de tweede reus. Eindelijk vond hij hem en ook deze reus droeg een grote boom als staf. Hij vertelde hem van zijn queeste, maar ook deze reus wilde van geen paarlen paleis horen en hield vol dat het niet kon bestaan. Maar toen de man het maar niet wilde opgeven, zei de reus: "Welnu, ik heb alle vogels onder mijn hoede. Ik zal Ze bijeenroepen, misschien hebben zij ervan gehoord." Alle vogels werden geroepen, van de grootste tot de kleinste, van elke soort, en zij zeiden allen dat ze een dergelijk paarlen paleis niet kenden. Toen zei de reus tot hem: "Nu zult u stellig inzien dat uw queeste dwaasheid is. Luister naar mij en ga terug, want zo'n paleis is nergens te vinden op deze wereld." Maar de minister wilde zijn queeste niet opgeven en ten slotte zei de reus: "Verder de woestijn in huist mijn broer, aan wie de winden zijn toevertrouwd, en zij doorkruisen de wereld elke dag. Misschien weten zij ervan. Ik hoop het, want nog nooit heb ik iemand gezien die zo vastbesloten is een queeste te volbrengen, ofschoon u keer op keer met moeilijkheden te kampen krijgt. Daarom wil ik u dit geschenk geven, misschien kan het u nog eens van nut zijn." En hij haalde een gouden sleutel uit zijn zak en gaf hem aan de minister met de woorden: "Deze sleutel kan elk slot ter wereld openen. Is er een deur die u wilt binnengaan, steek dan eenvoudig deze sleutel in het slot en draai hem om, dan zal de deur opengaan." De minister dankte de reus uitvoerig voor zijn kostbare geschenk en voor zijn hulp en toog op zoek naar de reus die de winden onder zijn bevel had staan.

De man trok vele jaren verder, op zoek naar de reus. Ten slotte zag hij hem, met een boom als staf, en vertelde hem zijn verhaal. En ofschoon ook deze reus er niet van wilde horen, wist de minister hem ten slotte toch te overreden om alle winden bijeen te roepen, opdat hij hen naar het paleis zou kunnen vragen. De reus riep alle winden bij zich, maar geen van hen kende een paarlen paleis op een gouden berg. Toen wendde de reus zich tot hem en zei: "U ziet het, u hebt gezocht naar iets dat niet bestaat." En de man begon te wenen en zei: Tk weet zeker dat het ergens op deze wereld te vinden is." Ondertussen kwam er nog een laatste wind aan, en de reus sprak hem vertoornd toe: "Waarom ben je zo laat gekomen? Heb ik niet bevolen dat alle winden van de wereld hier moesten verschijnen? Waarom ben je niet met de andere meegekomen?" En de wind antwoordde dat hij was opgehouden omdat hij een koningsdochter naar een paarlen paleis op een gouden berg moest brengen. En toen de minister dat hoorde, kende zijn vreugde geen grenzen. Daarop zei de reus die de winden onder zijn hoede had tot de minister: "U hebt zo lang gezocht, arme man, en u hebt zoveel moeilijkheden ondervonden, dat ik u dit geschenk wil geven. Misschien kan het u nog eens van nut zijn." En hij haalde een fluitje uit zijn zak dat hij aan de minister gaf met de woorden: "Verkeert u ooit in gevaar of hebt u hulp nodig blaas dan op dit fluitje, dan zal een van de winden u te hulp snellen en alles doen wat binnen zijn vermogen ligt." De minister dankte de reus uitvoerig voor zijn prachtige geschenk en voor zijn hulp. Daarop beval de reus de wind hem naar het paarlen paleis te brengen. En de wind droeg hem erheen en bracht hem tot de poort van de stad aan de voet van de gouden berg, waar in de hoogte het paarlen paleis stond. Nu was het zo dat slechts weinig vreemdelingen deze stad waren binnengegaan en waren zij eenmaal toegelaten, dan mochten zij de stad nooit meer uit en ook de inwoners konden haar niet verlaten.

Want dit was het verborgen, geheime paleis van de Boze, van waaruit hij zijn toverijen bedreef, zoals de betovering waardoor hij de verloren prinses in zijn macht had gekregen. En hij had het bestaan van die stad en zijn paleis eeuwenlang geheim weten te houden, want niemand die de stad verliet had het kunnen navertellen. En zo gebeurde het dat toen de wind de minister voor de stadspoort deed belanden, de schildwachten hem de toegang weigerden. Maar hij greep in de toverbuidel die de eerste reus hem had gegeven, haalde er een handvol goud uit en kocht hen om, zodat hij er toch in slaagde de stad binnen te komen. Eerst ging hij naar de markt om voedsel te kopen, want hij zou er enige tijd moeten blijven, omdat het veel wijsheid en overleg zou vergen de prinses te bevrijden. Toen de minister op de markt kwam, zag hij er een dienaar die al het fruit van een koopman opkocht. Nadat de dienaar ermee was vertrokken, benaderde de minister de koopman en zei: "Zoveel fruit kan toch zeker niet voor één familie zijn?" En de koopman antwoordde: "Natuurlijk niet. Dat fruit is voor hen die in het paarlen paleis op de top van de berg wonen, want de koning ziet erop toe dat het fijnste voedsel wordt uitgekozen voor zijn hof. En vandaag achtte 's konings dienaar mijn vruchten de mooiste, en daarom heeft hij ze alle gekocht."

"Zeg eens," zei de minister, "wie woont er in dat paarlen paleis? Want ik ben hier vreemd en weet zulke dingen niet."

De koopman antwoordde: "Alleen de koning en zijn dienaren, voor zover ik weet. Maar het gerucht gaat dat zich er ook een prinses heeft gevestigd, want kort geleden heeft de koning uit onze dochters twaalf hofdames uitgekozen en meegenomen om in het paleis te wonen, en daar zijn zij nu volgens zeggen haar dienaressen."

Welnu, toen de minister dat hoorde, besloot hij zich te vermommen als koopman en zich aan de paleispoort te presenteren. Om te beginnen schafte hij zich de kledij van een marskramer en een bontmuts aan. Daarna deed hij navraag wie de beste naaister van de stad was en liet zich de weg wijzen naar haar huis. Daar aangekomen, vroeg hij haar hoeveel het zou kosten om de fraaiste japon van zijde en kant te laten maken. En toen de naaister hem de prijs noemde, zei hij: "Naai dan twaalf van dergelijke japonnen voor mij. " En hij greep in de toverbuidel die de eerste reus hem had geschonken en betaalde haar de volle som. Toen vroeg hij hoeveel tijd het zou nemen alle twaalf japonnen te naaien, en de naaister vroeg hem over twaalf dagen terug te komen.

En zo gebeurde het dat de minister zijn intrek nam in een herberg tot de twaalf japonnen gereed zouden zijn. Ondertussen kwam hij zoveel mogelijk aan de weet over de koning die het land regeerde en over zijn gevangene, de verloren prinses. Zo ontdekte hij dat het paarlen paleis het geheime woonoord was van de Boze in eigen persoon. En ook vernam hij dat de prinses was opgesloten in een kamer met zeven sloten en dat in een aangrenzend vertrek de twaalf hofdames verbleven.

Toen de twaalf dagen waren verstreken, ging de minister weer naar de naaister en zag dat de japonnen gereed waren. Hij borg de japonnen in zijn mars en beklom de gouden berg, tot hij het paarlen paleis aan de top bereikte. Toen hij bij de paleispoort kwam, toonde hij de schildwacht zijn koopwaar en werd zonder omhaal toegelaten, want nieuwe kooplieden waren dun gezaaid in die stad en de hofdames bekeken hun waar met graagte, omdat zij weinig anders om handen hadden.

En zo werd de marskramer toegelaten tot het vertrek van de twaalf hofdames, die verrukt waren hem te zien. Voor elk van hen haalde hij een japon te voorschijn, en toen zij zagen hoe prachtig ze waren, haastten zij zich allen weg om de japonnen te passen en zichzelf in de spiegel te bewonderen, en lieten de koopman alleen achter in hun vertrek. Hij keek om zich heen en zag dat er op een der deuren zeven sloten zaten, en hij wist dat dit de kamer van de verloren prinses moest zijn. Hij repte zich naar de deur en haalde de gouden sleutel te voorschijn die de tweede reus hem had gegeven. Vlug opende hij alle sloten en betrad het vertrek. Daar zag hij de verloren prinses, die bij het raam zat te snikken om haar droevig lot. Zij was zeer verbaasd dat er iemand binnenkwam, want zelfs van haar hofdames werd zij gescheiden gehouden. En toen de minister zag dat zij hem niet herkende in zijn vermomming, haalde hij de hoofddoek waarop zij met haar tranen had geschreven uit zijn zak. En toen de verloren prinses die zag, wist zij dat de minister haar ten langen leste had gevonden, en zij omhelsde hem en schreide van vreugde. Toen zei de minister: "Kom, laten we ons haasten en het paleis uit vluchten, eer de hofdames terugkomen." - "Helaas," zei de prinses, "langs die weg kunnen wij niet ontsnappen. Want de Boze heeft zijn betovering zodanig uitgesproken dat die niet verbroken kan worden, zolang mijn voeten of die van mijn redder de grond raken. En juist die betovering houdt mij hier nog meer gevangen dan de zeven sloten op de deur, die u op een of andere wijze heeft weten te openen." Eerst deed dit onverwachte obstakel de minister de moed verliezen, maar toen herinnerde hij zich het fluitje dat de derde reus hem had geschonken. Hij haalde het uit zijn zak en blies erop, en in een oogwenk blies er een wind naar binnen door het open raam en zei: "Hoe kan ik u van dienst zijn?" Daarop vertelde de minister de wind van de betovering en vroeg of hij hen kon meevoeren zonder dat de voeten van de prinses of de zijne de grond raakten. "Natuurlijk kan ik dat!" zei de wind. "Maar waar wilt u naartoe?"

En de minister vroeg de wind hen terug te brengen naar het paleis van de koning die de vader van de prinses was, en eer zij het beseften zweefden zij hoog door het luchtruim, en weldra zette de wind hen neer in het koninkrijk waar zij zo lange tijd waren weggeweest. En zo had de trouwe minister dan ten langen leste zijn queeste volbracht, en toen de koning en zijn dochter, die nu niet langer meer verloren was, werden herenigd, veranderde hun droefenis in een vreugde, zo groot dat men haar niet beschrijven kan.

Moge een ieder tenminste eenmaal in zijn leven een zo grote vreugde smaken!


*   *   *

Toelichting
Lees ook het verhaal De verloren dochter.

Trefwoorden

Herkomst: Oost-Europa
Verteltijd: ca. 29 min.
Leeftijd: vanaf 9 jaar

Lees ook