Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 26 min.
Herkomst:

De vijf spoken

Het werd al duister en nog steeds wist de jonge samoerai Joschinari niet waar hij de nacht zou doorbrengen. Hij liep, heel alleen, over een uitgestrekte grasvlakte en keek nauwlettend om zich heen of hij niet ergens een dorp ontdekte, waar hij misschien zou kunnen slapen. Had hij niet die krijgshaftige houding en de twee korte zwaarden in zijn gordel, dan zou men hem zeker voor een dolende ridder gehouden hebben. Hij was armzalig gekleed, zijn haar onverzorgd en aan het bleke, magere gezicht kon men duidelijk zien dat hij in lang niet meer voldoende gegeten had. Hij was zonder betrekking. Zijn heer had de oorlog verloren en moest toen zijn lijfwacht wel ontslaan. Er was Joschinari en zijn kameraden niets anders overgebleven dan door het land te trekken, in de hoop ergens een nieuwe betrekking te vinden. Maar het geluk was niet met hem. En nu bezat hij niets meer dan de twee korte zwaarden.

Eindelijk ontdekte hij in de verte een paar huisjes. Hij was blij niet in de buitenlucht te hoeven overnachten en liep zo snel mogelijk in de richting van het dorp. Toen hij er aan kwam was het al volkomen donker. Joschinari liep van het ene huis naar het andere, maar niemand wilde hem ontvangen. Men sloeg de deur voor zijn neus dicht of opende die zelfs niet. Waren ze soms bang voor hem?

Kijk, daar werd een zoldervenster geopend en een stem riep: "Voorbij het dorp staat een kleine tempel, misschien kun je daar slapen!" En boem, het venster was alweer dicht.

Joschinari verwonderde zich diep over het vreemde gedrag van de dorpelingen. Maar, dacht hij, misschien had de overheid verboden dolende ridders een onderdak te geven. En hij ging op weg naar het tempeltje. De hoofdzaak was dat hij die nacht een dak boven zijn hoofd zou hebben.

Halverwege dook er plotseling een oude man voor hem op die met een bundel sprokkelhout op zijn rug uit het bos kwam. Het oudje groette Joschinari beleefd en zei: "U wilt toch niet in onze tempel gaan overnachten?"

"Ach vadertje, wat kan ik anders doen? In het dorp schijnt men bang voor me te zijn. Niemand wil mij binnenlaten. Maar iemand raadde mij wel naar die tempel te gaan," antwoordde Joschinari.

"Doe dat vooral niét!" zei de man. "Ik begrijp wel waarom zij U daar naar toe gestuurd hebben. Het is een verlaten tempel en 's nachts spookt het er. Nog niemand heeft het er een hele nacht uitgehouden. Misschien verwachten de dorpelingen dat U die spoken voor hen wegjaagt. Maar ik raad U, ga er niet heen. Als U mijn eenvoudige hut voor lief neemt, overnacht dan bij mij!"

Joschinari ergerde zich danig toen hij hoorde dat de dorpelingen hem hadden bedrogen. Maar ineens kreeg hij een idee. Hij knikte vriendelijk tegen de oude en zei: "Ik dank U voor de uitnodiging maar ik ga toch liever naar die tempel. Anders denkt men misschien dat ik bang ben voor spoken. En een echte samoerai is voor niets in de wereld bang!"

"Zoals U wilt, edele ridder, ik heb U gewaarschuwd. Veel geluk vannacht!" En de oude man liep, gebogen onder zijn vrachtje, snel naar huis.

Het was een slecht begaanbaar pad naar de tempel. Na een poosje zag Joschinari de omtrekken van een vervallen gebouwtje uit de duisternis opdoemen. In het dak zat een groot gat en door de kieren van de oude muren konden de katten gemakkelijk in en uit.

Toen Joschinari de voorgalerij opliep, hield hij een stuk van de balustrade in zijn hand en de planken onder zijn voeten kraakten verdacht. Zodra hij de deur opende stuitte hij op een grijs gordijn van spinnewebben! De tempel was leeg, afgezien van een paar oude matten, ontelbare spinnewebben en een met stof bedekte kist. Joschinari sleepte de matten naar een hoek van de tempelingang en strekte zich met een zucht er op uit. De zwaarden legde hij binnen het bereik van zijn hand, hoewel hij het betwijfelde of zij in de strijd met spoken iets waard zouden zijn. En zo wachtte hij op de dingen die komen zouden. Intussen was het volslagen donker geworden, maar het heldere maanlicht scheen door het dak en de wanden heen. Af en toe kraakte er iets, maar verder bleef alles stil. Joschinari was van plan wakker te blijven en zich door niets van de wijs te laten brengen. Maar hij had een afmattende tocht achter de rug. Het was dus geen wonder dat hij tenslotte toch insliep.

Om middernacht werd hij wakker door een gestaag kloppen op de noordelijke muur van de tempel. Tegelijkertijd hoorde hij een hoge, krassende stem: "Hallo, is daar iemand?" Vlug greep hij de zwaarden en vroeg zich af of hij zou antwoorden. Maar voordat hij iets kon doen, vlamde in de ruimte naast hem, door de dunne bamboewand heen, een licht op en iemand riep: "Hier is de lange, uitgerafelde, onschuldig opgeslotene! Vandaag ben ik thuis en ontvang gasten. Wie is daar?"

En de stem buiten kraakte: "Hier is de schemerige, gebogene, in het struikgewas verlorene! Ik kom op bezoek, mag ik erin?"

"Kom maar binnen, je bent welkom," antwoordde de gastheer. Maar er klonken geen voetstappen en er was ook geen ander geluid te horen. Het licht achter de bamboewand doofde uit. En alles was weer als tevoren.

Joschinari dacht dat hij gedroomd had. Maar daar werd wéér geklopt, nu tegen de zuidelijke wand. En een vreemde, nasale stem riep: "Hallo, is er iemand?"

Weer flakkerde het licht achter de bamboewand op en een stem antwoordde: "Hier is de lange, uitgerafelde, onschuldig opgeslotene! Ik ben thuis en ontvang gasten. Wie is daar?"

Hierop neuzelde de nieuwe gast: "Hier is de dunne, tandeloze, aan een tak opgehangene! Ik kom op bezoek, mag ik erin?"

"Kom maar binnen, je bent welkom," antwoordde de gastheer. Het licht verdween en alles was weer stil en duister.

Nu wist Joschinari zeker dat hij niet gedroomd had. In spanning wachtte hij wat er nu verder gebeuren zou. En het duurde niet lang of er klopte iemand op de oostelijke muur van de tempel. En een griezelige, holle stem vroeg: "Hallo, is daar iemand?"

Toen het licht weer scheen en de lange, uitgerafelde geantwoord had, riep de nieuwe bezoeker: "Hier is de naakte, happende, slechts half begravene! Ik kom op bezoek, mag ik er in?"

Ook hij werd binnengelaten, maar hoe dat toeging kon Joschinari niet ontdekken, want er was geen geluid te horen.

Nog voordat het licht uitdoofde, werd er weer geklopt, nu aan de westelijke muur van de tempel. En de nieuwe bezoeker stelde zich dadelijk voor: "Hier is de dikbuikige, onverzadelijke, in een vijver verdronkene! Ik kom op bezoek. Mag ik er in?"

Nadat deze binnengekomen was, ging het licht niet meer uit. Integendeel, het brandde steeds helderder. De lange, uitgerafelde scheen niemand meer te verwachten.

Een tijdje gebeurde er niets. Alleen een zacht gefluister en gegiechel was hoorbaar en een licht gerammel van vaatwerk. Het was net of een klein gezelschap gezellig aan het eten en praten was. Ineens klonk de stem van de gastheer luider en de anderen zwegen. Hij riep: "Vandaag heb ik een prettige verrassing voor jullie. Hiernaast, in een hoek van de tempelingang, slaapt de ridder Joschinari en hij weet absoluut nog niet wat hem te wachten staat. Maar ik weet het wel. Wij zullen hem..." Jammer genoeg werden die laatste woorden zo zacht gefluisterd, dat Joschinari er niets van verstond. Op het gefluister volgde een daverend lachsalvo en geestdriftig geroep: "Ja, dat is het! O, wat geweldig! Nee maar, dat wordt een feest!"

Joschinari brak het koude zweet uit! Een minder moedige ridder zou allang de benen hebben genomen, maar hij verloor geen ogenblik zijn tegenwoordigheid van geest. Toen hij hoorde dat de spoken dichterbij kwamen, stond hij op, stroopte zijn mouwen omhoog, ging wijdbeens staan en wachtte hen op, met het zwaard in de hand.

Op dat ogenblik klonk er een luid sissen en een lichtende, dunne, rode streep gleed de voorzaal binnen. Hij bewoog over de grond, beschreef cirkels en bogen, kwam steeds dichter bij Joschinari en trok snel een lus om hem heen. Joschinari sloeg wild met zijn zwaard, maar de streep lachte slechts vergenoegd en danste verder.

Nu wist de samoerai Joschinari sinds zijn jeugd dat een sluwe vijand het meest geïmponeerd wordt door een onbevreesde tegenstander. En daarom riep hij met strenge stem: "Halt!" En inderdaad, de rode streep staakte zijn dans, glansde onzeker, maar ineens herstelde hij zich weer en piepte: "Zeg mij dadelijk wie ik ben. Anders wurg ik je!"

Koschinari aarzelde geen seconde en zei: "Wie zou jij anders zijn dan de lange, uitgerafelde..." en daar de streep nog steeds niet bewoog, voegde hij erbij: "de onschuldig opgeslotene."

Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken, of de streep schrompelde ineen en verdween.

Nu naderde een dreunend gestamp, alsof er een troep paarden de tempelingang kwam binnen galopperen. En iets langwerpigs, dat een witte glans verspreidde, vloog met een vreemd geritsel om Joschinari heen. Plotseling vertoonde de lichtplek zich vóór de ridder op de grond en sprak: "Zeg vlug wie ik ben, anders scheur ik je aan stukken!"

Joschinari antwoordde: "Jij bent natuurlijk de naakte, happende..." en snel voegde hij er aan toe: "de half begravene!" Toen sprong het langwerpige, witte licht nog eenmaal omhoog en verdween daarna voorgoed.

Joschinari vroeg zich zenuwachtig af wie er nog meer bij de lange, uitgerafelde op bezoek waren gekomen. Maar veel tijd om na te denken had hij niet, want daar klonk al een hoge toon, zoals een klok kan slaan en een rond blauw licht verscheen, dat steeds vlugger in de rondte cirkelde. Intussen werd het groter en groter, tot het bijna de gehele tempelingang vulde en Joschinari zich tegen de muur moest drukken, om niet in die werveling meegesleurd te worden. Ineens bleef het blauwe licht voor zijn voeten glanzen en een stem floot luid: "Zeg direct wie ik ben, anders verslind ik je met huid en haar!"

Op dat ogenblik wist Joschinari ineens weer welke namen hij gehoord had en zei snel: "Jij bent niemand anders dan de dikbuikige, onverzadelijke, natuurlijk de in een vijver verdronkene!" En ook de blauwe lichtcirkel verdween.

Nog voordat de ridder op adem was gekomen, vloog iets onzichtbaars zo snel over de grond heen en weer, dat de vonken er af vlogen! Plotseling schoot het op Joschinari toe maar deze kon nog net opzij springen. Het onzichtbare riep, met een sterk neusgeluid: "Zeg dadelijk wie ik ben, of ik maal je fijn!"

Aha, dacht Joschinari, die kan niet bijten. En hij antwoordde. "Jij zult vast de dunne zijn, de tandeloze, die aan een tak is opgehangen!" En het spook verdween net zo snel als zijn drie voorgangers.

Joschinari wist dat er nog één bezoeker ontbrak, maar hij kon zich met de beste wil van de wereld zijn naam niet meer herinneren. Ingespannen dacht hij na, maar daar klonk al een gefladder alsof er een hele zwerm vogels de tempelingang vulde. En iets doorzichtigs, dat alle kleuren van de regenboog vertoonde, zweefde naar omlaag. Het kwam steeds dichterbij, tot het voor Joschinari stilhield. En een stem kraakte: "Zeg vlug wie ik, ben of ik kietel je dood!"

Wat een geluk dat jij de laatste bent, dacht Joschinari, want hij was door die nachtelijke springpartij zeer vermoeid. "Wel," zei hij langzaam, "jij was toch de eerste, die..." Plotseling kietelde iets zo hevig onder zijn neus, dat hij een luchtsprong maakte. Maar gelukkig schoot hem op datzelfde ogenblik de naam van de bezoeker te binnen. "Jij bent de schemerige, gebogene, in het struikgewas verborgene. En nu, verdwijn! Ik heb schoon genoeg van jullie!" Zijn stem schalde door de tempel en werkelijk, het kleurige doorzichtige verdween en alles was in een diepe duisternis gehuld. Maar in het vertrek naast hem zag Joschinari nog steeds het geheimzinnige licht branden. Hij durfde niet te gaan slapen. Wie weet wat de spoken nog meer met hem voor hadden!

Gelukkig liep het al tegen de morgen. En bij het eerste hanengekraai doofde het licht uit. De griezelige, nachtelijke bezoekers waren blijkbaar naar huis gegaan.

Nu pas durfde Joschinari te gaan slapen. Hij kon van moeheid niet meer op zijn benen staan en hij sliep dadelijk in. Toen hij, met een knorrende maag, wakker werd, scheen het heldere zonlicht al door het open dak en alle tempelkieren. Joschinari keek verdwaasd om zich heen. De tempel was werkelijk leeg, afgezien dan van de vele spinnenwebben, de oude matten en de met stof bedekte kist.

Hij stond op, stak de zwaarden in zijn gordel en betrad de voor galerij. Niet ver van de tempel stond een groepje dorpelingen hem stomverbaasd aan te staren. Hij dacht er aan hoe ongastvrij zij hem de vorige dag ontvangen hadden en hij zette de handen aan zijn mond en riep luid: "Jullie hebt mij een onderdak bij de spoken aanbevolen! Maar zoals je ziet is er niets gebeurd. Ik heb zelfs een heel gezellige nacht gehad! En weet jullie wel wié hier spoken? Luister goed: hier in de tempel zit de lange, uitgerafelde, onschuldig opgeslotene. En bij hem op bezoek komen de schemerige, gebogene, in het struikgewas verborgene - de dikbuikige, onverzadelijke, in een vijver verdronkene - de naakte, happende, en maar half begravene -en de dunne, tandeloze, aan een tak opgehangene. Dit zijn vijf goeie vrienden, die overdag niet bij elkaar kunnen komen en daarom 's nachts rondspoken. Als wij hen alle vijf kunnen vinden en op een hoop leggen, is het met die spokerij voorgoed gedaan. Sta daar nu niet zo bang bij elkaar, maar help mij liever zoeken! In het westen zie ik een vijver. Daar kan die dikbuikige, onverzadelijke wel zijn." En nog voordat de dorpelingen hun verbazing te boven waren, liep Joschinari al naar de vijver. Eerst vond hij niets, maar ineens zag hij, dicht bij de oever, een oude kruik zonder bodem in het water liggen.

"Daar is hij!" riep hij verheugd. "Kijk eens hoe dikbuikig hij is, en onverzadelijk is hij óók, zonder bodem! Haal hem uit het water, dan zullen wij straks wel verder zien."

Toen de kruik was opgeborgen, wees Joschinari naar het noorden en zei: "Daar zijn struiken, zou de schemerige, gebogene er te vinden zijn?"

Het hele dorp zocht nu met Joschinari mee. Ineens zag de ridder iets lichts tussen het groen. Hij bukte zich en zwaaide even later met een hanenstaart.

"Ik heb hem," riep hij lachend, "alle kleuren schemeren erin en gebogen is hij ook. Zijn eigenaar zal hem wel verloren hebben, anders lag hij niet hier. Nu gaan wij naar het zuiden, want daar, aan een boom, moet de tandeloze dunne hangen!"

In het zuiden groeide een eenzame boom, die zij nu aan alle kanten bekeken. Eerst konden zij niets vinden. Maar op het eind ontdekte een klem meisje ineens, hoog in de top, een oude, tandeloze kam!

"Prachtig, daar hangt hij!" prees Joschinari het meisje. "Dunner kan hij niet zijn en tanden heeft hij ook niet meer. Wij nemen hem mee en gaan dan in oostelijke richting. Die steen daar lijkt op een grafsteen. Wij zullen er zeker de naakte, happende en half begravene vinden."

Toen schudden zij de dunne, tandeloze naar beneden en begaven zich daarna naar de steen. Nu hoefden ze niet lang te zoeken. Vlak achter de grafsteen stak een witte paardenschedel uit de grond.

"Dat zal hij zijn. Hij is zo naakt dat het niet naakter kan, tanden om te happen heeft hij nog en begraven is hij inderdaad maar half. Neem hem maar mee, dan gaan wij naar de tempel. Wij moeten nu alleen nog de gastheer, de lange, uitgerafelde en onschuldig opgeslotene vinden."

Zij zochten in alle hoeken van de tempel, maar deze was leeg.

Zou het misschien de kist zijn? vroeg Joschinari zich af. Lang is hij niet en uitgerafeld nog minder. Maar de kist kan zijn gevangenis zijn. Die lange, uitgerafelde kan er wel in zitten.

Hij sloeg met zijn vuist op het deksel en probeerde daarna het slot met zijn mes open te breken. Eindelijk week het deksel van de kist en Joschinari zag een stapel schuiflaatjes en in het onderste daarvan vond hij een eindje veter. Hij trok het er uit en zei tegen de dorpelingen: "Hier is hij, de onschuldig opgeslotene! Hij hoort ook niet in een kist, die alleen voor heilige rollen bestemd is. En uitgerafeld is hij! Lang? Nu ja, in ieder geval is hij langer dan breed en dat beetje overdrijving kunnen we hem wel vergeven. Nu hebben wij de vijf bij elkaar. Begraaf ze maar samen op één plek, dan kunnen ze niemand meer de schrik op het lijf jagen.

De dorpelingen deden wat Joschinari hun had opgedragen. Onder grote belangstelling begroeven zij de bodemloze kruik, de verloren hanenstaart, de tandeloze kam, de witte paardenschedel en de kapot getrokken veter diep in de aarde. Voor de ridder bogen zij herhaaldelijk en dankten hem dat hij de tempel van de vijf spoken had bevrijd. Nóóit meer zouden zij iemand zo onvriendelijk ontvangen als zij het de ridder hadden gedaan! En of je het geloven wilt of niet, sinds die dag heeft niemand meer in de tempel gespookt. De schemerige, noch de gebogene, de dikbuikige noch de onverzadelijke, de naakte, happende noch de dunne tandeloze. Ja, zelfs de lange, uitgerafelde heeft men nooit meer gezien!


*   *   *

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Japanse sprookjes" bewerkt door Marijke van Raephorst. Uitgeverij N. Kluwer, Deventer, 1971.

Herkomst: Japan
Verteltijd: ca. 26 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook