Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 29 min.
Herkomst:




De vis met de ring

In Yorkshire, gelegen in het noordelijke deel van Engeland, leefde eens een baron. Hij bezat een mooi kasteel en had veel rijke vrienden. Overdag ging hij op jacht of reed over zijn landerijen, maar 's nachts, als iedereen naar bed was en alles stil was, bleef hij lang op en las in vreemde boeken, want hij was een tovenaar. Uren achtereen zat hij bij het licht van een lamp gebogen over een groot, in leer gebonden boek en trachtte met tekens en formules te doorgronden wat er op aarde gebeuren zou.

Nu had hij een zoon, een jongen van vijf jaar, die hij boven alles liefhad. De moeder van de jongen was bij diens geboorte gestorven en zodoende had de baron op deze aarde alleen het kind, waar hij van kon houden. Natuurlijk wilde hij, dat de jongen gelukkig zou worden en later in zijn leven iets zou bereiken. Hij hoopte, dat zijn zoon zou opgroeien en later met een rijke dame, misschien zelfs wel met een prinses, zou trouwen, in een paleis zou wonen en over een groot koninkrijk zou heersen. Zo dácht hij er over. Maar toen wilde hij het wéten. Een hele nacht lang las hij in zijn toverboeken en uiteindelijk, tegen de morgen, kende hij het antwoord. Toen werd hij verdrietig, want hij had ontdekt, dat zijn zoon in plaats van met een prinses met de dochter van een heel arme man zou trouwen, die in de buurt van de kathedraal van York moest wonen.

De baron had uren over de horoscoop gezeten en nu zat hij er nogmaals uren over gebogen om een fout in zijn berekeningen en onderzoekingen op te sporen. Maar alles was zinloos. Hij had geen fout gemaakt. Het was zo. De baron had geen zin om te gaan slapen. Hij zou in bed geen rust vinden. Hij had ook geen zin om iets te eten. In plaats daarvan liep hij de wenteltrap af die naar de grote binnenplaats leidde. Iedereen in het huis sliep nog. Hij zadelde zijn paard en reed naar de stad York.

Toen de baron bij de hoge kathedraal aankwam, merkte hij een arme man op, die voor de deur van zijn huisje stond. Hij zag er ongelukkig uit en de baron vroeg hem, wat er aan scheelde. "Sir," zei de arme man, "ik heb al vijf kinderen. En zojuist is mijn vrouw weer van een kind, een meisje, bevallen. Ik weet niet meer, waar ik het geld vandaan moet halen om ze allemaal te kleden en te voeden. Wij zijn arm en ik vrees, dat ik niet nog harder kan werken dan ik al doe." Aha, dacht de baron, dat moet het meisje zijn, dat moet opgroeien en dan met mijn zoon zal trouwen. Dat zal ik beletten. Ik zal nooit toestaan, dat mijn zoon zo'n armelui's kind tot vrouw neemt. "Goede man," sprak de baron, "ik zal je een dienst bewijzen. Geef mij het kind. Ik zal het mee naar huis nemen en er goed voor zorgen."

De arme man en zijn vrouw wilden hun dochter niet kwijtraken, maar wat konden zij anders doen dan op het voorstel van de baron ingaan. Deze kans mochten zij niet laten voorbijgaan. Huilend en jammerend overhandigden zij het meisje aan de baron en deze reed, zo snel hij kon, uit de stad York weg. Hij reed over het moeras tot hij in een breed dal kwam, waar een rivier doorheen stroomde. Verbitterd en verbolgen stapte hij van zijn paard, pakte de baby en gooide haar in de rivier. "Nooit zal het lot bereiken, dat mijn enige zoon met de dochter van arme mensen trouwt. Hij heeft een betere vrouw verdient." Dat mompelde hij, sprong op zijn paard en reed weg tot hij weer bij zijn kasteel aankwam.

Maar het lot had het beste voor met de hulpeloze baby. Nauwelijks was ze in het water terecht gekomen of haar babykleren spreidden zich uit en ze dreef zachtjes stroomafwaarts. Het kind voelde niets van het water en de kou, want het sliep ongestoord. Iets verder stroomafwaarts zat een arme man aan de oever, die in een huisje, niet ver van de rivier, leefde. Hij was aan het vissen. Hij had de hele morgen al daar gezeten, maar hij had tot nu toe nog geen beet gehad. Hij zat er net over te denken of hij het maar zou opgeven, toen hij het kleine meisje zag dat op het water op hem afdreef.

"Wel," zei hij tegen zichzelf, "dit is wel de vreemdste vis die ik ooit gezien heb. Kom maar kleintje, iemand zal zich over je moeten ontfermen." Voorzichtig trok hij het kind met zijn hengel naar zich toe en tilde het uit het water. Hij trok het de natte kleertjes uit, wikkelde het in de wollen sjaal die het kind om had en bracht het vlug naar zijn huisje.

Dankzij de goede zorgen van de visser en zijn vrouw groeide de baby op tot een krachtig en gezond meisje. De pleegouders noemden haar Margret en beschouwden haar als hun eigen kind. Margret was vrolijk en tevreden en bovendien nog mooi ook.

Zestien jaar gingen voorbij en de zoon van de baron was opgegroeid tot een mooie jongeman. Hij was een rusteloze jongeman, die niet maar steeds op het kasteel van zijn vader wilde blijven. Hij trok door het land en verbleef soms weken en maanden bij zijn oom in Scarborough aan de kust. Zijn vader vroeg zich soms af wanneer zijn zoon eindelijk eens een vrouw zou zoeken. Hij zelf was nu meer dan ooit geboeid door de toverkunst en hij las steeds vreemder en wonderbaarlijker boeken. Zo gebeurde het, dat hij zich vaak lange tijd helemaal niet om zijn zoon bekommerde.

Op een dag maakte de baron met enkele vrienden een ritje en zij verdwaalden in het moeras. Het was een hete dag en nergens konden zij drinkwater vinden. Tenslotte kwamen zij bij het huisje van de visser en zagen daar Margret voor de deur zitten en groente schoonmaken. Zij sprongen uit het zadel en de baron vroeg het meisje of zij hen wat water om te drinken zou willen brengen. Margret, die nu een mooie jonge vrouw geworden was, stond op, veegde haar handen aan haar schort af en deed wat haar gevraagd was. De visser en zijn vrouw kwamen het huis uit. Ze praatten vriendelijk met de baron en zijn vrienden, terwijl de mannen ondertussen broodjes aten en fris water dronken.

"Dit is een buitengewoon mooi meisje," zei een van de vrienden van de baron, "het zou interessant zijn te weten met wie zo'n meisje eens zal trouwen. Ben je al aan een man beloofd?" - "Nee meneer," antwoordde Margret, "wij zijn maar arme mensen, en ik moet mijn ouders helpen. Wij hebben geen tijd om aan trouwen en dat soort dingen te denken. Bovendien is hier niemand in de verre omtrek, die met een arm meisje zoals ik, zou willen trouwen." - "Nou," zei een van de vrienden van de baron, "als ik een zoon had, dan zou ik willen dat hij een vrouw kreeg zoals dit meisje." - "U bent toch een geleerd man," zei een van de andere mannen tegen de baron. "U kunt geheimen onthullen en de toekomst voorspellen. Vertel ons eens, met wat voor een man zal dit meisje trouwen?" De baron werd kwaad. "Ik ben toch geen zigeuner," riep hij, "ik voorspel de toekomst niet."

Maar zijn vrienden bleven aandringen. Ze spotten, dat al zijn toverij onzin was. Nu kwam uit, dat hij niet meer wist dan ieder ander mens ook. De baron voelde zich in zijn eer aangetast en beloofde uiteindelijk, dat hij uit zou zoeken met welke man dit meisje zou trouwen. Hij vroeg aan de vrouw van de visser wanneer haar dochter geboren was, want dat was voor zijn onderzoek bijzonder belangrijk. "Om de waarheid te zeggen, meneer," antwoordde de vrouw, "zij is niet onze eigen dochter. Wij hebben haar vandaag precies zestien jaar geleden gevonden." - "Dat is zo, beaamde de man, ik ben het geweest, die haar als baby een paar mijl van dit huis vandaan in de rivier zag drijven." - "En hoe oud was het meisje toen, wat schat u?" vroeg de baron. Hij was helemaal bleek geworden en praatte langzamer dan normaal. "Niet ouder dan een paar dagen," antwoordde de vrouw van de visser.

De baron zei niets, want hij wist, dat dit het meisje moest zijn, dat door het lot bestemd was om met zijn zoon te trouwen. Hij had zestien jaar geleden geprobeerd haar te verdrinken, maar hier stond ze, gezond en wel, als het bloeiende leven, en nog mooi ook. De vrouw ging naar binnen en kwam met een lange grijze sjaal terug. "Deze sjaal had het kind toen om," legde ze uit, "ik weet niet waar deze doek vandaan komt, maar het patroon lijkt op dat waar ze in de stad York de sjaals mee versieren. Dat weet ik omdat mijn zuster daar vroeger gewoond heeft." De baron vroeg om papier, inkt en pen. Toen ging hij op de bank voor de hut zitten en schreef een brief. Hij verzegelde het schrijven en gaf het aan Margret.

"Hier," zei hij, "ik mag je wel, meisje, ik zal voor je geluk zorgen. Breng deze brief onmiddellijk naar mijn broer in Scarborough en hij zal verder voor je zorgen. Hier is reisgeld. Veel geluk. Ik hoop dat je gezond en vrolijk weer naar je ouders zult terugkeren als je je fortuin hebt gemaakt." Margret en haar pleegouders waren over dit gulle aanbod verbaasd en wisten nauwelijks wat te zeggen. Ze bedankten de baron en spoedig daarna reed hij met zijn vrienden weer weg.

Het meisje ging op weg naar Scarborough. De brief had ze in de zoom van haar rok gedaan. Zij liep over de velden en over de moerassen en toen de avond viel, was het nog steeds ver tot naar Scarborough. Wat kon zij anders doen dan in een herberg te overnachten. Ze vond op haar weg in een dorp een eenvoudige, maar schone herberg, at er haar eten op en ging meteen daarna vermoeid naar bed.

Nu waren er in de herberg twee rovers. Ze keken uit naar rijke reizigers, die ze wilden beroven. Maar aangezien die gelegenheid hun niet werd geboden, wachtten zij tot Margret in slaap was gevallen en slopen toen naar haar kamer. Ze doorzochten haar spulletjes en vonden ook de brief van de baron aan zijn broer. Ze liepen met het schrijven naar hun kamer terug en daar, bij het licht van een kaars, lazen zij, vol verbazing:
Mijn beste broer,

Neem de brengster van deze brief gevangen en laat haar onmiddellijk terechtstellen. Anders zal zij voor onze familie een groot gevaar worden en onheil over ons brengen. Volg onvoorwaardelijk mijn aanwijzingen op.
Je liefhebbende broer.
John
Dat was een brief, waarover zelfs rovers verontwaardigd waren. Zij hadden medelijden met het meisje. "Wat een schande en wat een schurkenstreek," zeiden zij, "wij zullen zijn plan verijdelen." Ze pakten pen, inkt en papier, schreven een andere brief in het handschrift van de baron en legden hem terug op de plaats waar ze de eerste brief gevonden hadden.

Margret sliep de hele tijd door en merkte niets van hetgeen om haar heen gebeurde. De volgende morgen stond het meisje vroeg op, betaalde het avondeten, het ontbijt en haar kamer en ging op weg naar Scarborough. Tegen de middag had zij de plaats bereikt en vond zonder verdere moeilijkheden de weg naar het huis van de broer van de baron. Nu was de zoon van de baron ook toevallig weer bij zijn oom te gast en toen hij het mooie meisje zag, werd hij meteen een beetje verliefd op haar. Hij bracht haar naar zijn oom. Margret overhandigde hem de brief. De broer van de baron verbrak het zegel en las:
Mijn beste broer,

Laat het meisje, dat je deze brief brengt, onmiddellijk met mijn zoon trouwen. Het is zo'n lief kind en zij heeft de bescherming en zorg van een oprecht man nodig. Volg onvoorwaardelijk mijn aanwijzing op.
Je liefhebbende broer.
John
De broer van de baron was wel wat verbaasd over deze brief, maar hij wist dat zijn broer een vreemd mens was. Hij was een beetje bang voor hem omdat hij dacht dat zijn broer een machtig tovenaar was. Toen hij bovendien zag, hoe verrukt zijn neef over het meisje was, trof hij de voorbereidingen voor het huwelijk, zoals hem in de brief was bevolen.

Toen de baron op zijn kasteel was teruggekeerd, vond hij tot zijn verbazing een brief van zijn broer uit Scarborough, waarin deze hem meedeelde, dat alle voorbereidingen voor het huwelijk waren getroffen. Het feest kon nu plaatsvinden. De baron werd bleek, want het werd hem duidelijk, dat het lot wederom zijn plannen had doorkruist.

Hij sprong onmiddellijk op zijn paard en reed naar zijn broer in Scarborough. Toen hij daar aankwam, zag hij dat men inderdaad de laatste voorbereidingen voor een huwelijk trof. Mannen droegen schalen met gebraden vlees en andere spijzen het huis binnen. Door de ramen klonk muziek. Woedend stormde de baron het huis binnen.

"Waar is het meisje, dat met mijn zoon trouwt?" riep hij. Toen hij Margret zag, die reeds haar trouwjurk droeg, werd hij nog kwader. Maar hij hield zich in en zei tegen zijn broer dat hij het meisje voor de plechtigheid nog een keer alleen moest spreken. Dus ging hij met haar het huis uit, door de straten, de stad uit, tot aan een klip.

Hij wilde haar over de rand van de afgrond in de diepte storten. Maar toen haar duidelijk werd wat hij van plan was, viel zij voor hem op haar knieën en smeekte: "Laat mij gaan. Ik zal nooit meer een blik op uw zoon werpen. Ik heb immers niemand iets kwaads gedaan. Dood mij niet. Ik zal ver weg gaan. U zult mij in dit land nooit meer zien." Zij smeekte zo deerniswekkend, dat de baron besloot haar te laten gaan. Hij merkte een ring aan haar vinger op, die ooit van hem was geweest. Zijn zoon moest haar het sieraad gegeven hebben. Hij nam haar de ring af en gooide hem ver weg, de zee in. De ring flitste een seconde op. Toen verdween hij in de golven.

"Meisje," sprak de baron, "ik zal je laten gaan. Maar zet het eens en voor altijd uit je hoofd dat je met mijn zoon zult trouwen. Als ik je ooit nog eens zie, zal ik je beslist doden. Behalve," zo voegde hij eraan toe, "als je mij de ring laat zien, die ik zojuist in zee heb geworpen. Mocht dat het geval zijn, dan zou ik niets meer tegen een verbintenis tussen jou en mijn zoon hebben." Toen lachte hij, keerde zich om en liet het snikkende meisje onbewogen aan haar lot over. Hij ging naar het huis van zijn broer terug en zei daar, dat het huwelijk niet kon doorgaan omdat de bruid er op het laatste moment van had afgezien. Ze was weggelopen en zou nooit terugkomen.

Tevergeefs vroegen de broer en de zoon van de baron wat dit allemaal te betekenen had en hoe het zover had kunnen komen. Zij wisten beiden, dat de baron een gewelddadig mens was en dat men beter niet met hem kon twisten als hij eenmaal iets besloten had, en daarom hielden zij tenslotte op met hun vragen.

Margret ging niet naar het huis van de visser terug. Zij vond een baantje als keukenmeisje bij een edelman in een ander deel van het land. Zij werkte er hard, want er werden vaak grote feesten gevierd. Iedereen was zeer tevreden over haar, want bij de visser en zijn vrouw had zij goed leren koken. Vooral als het ging om het bereiden van vis, droeg men haar op de grootste feestmalen te bereiden.

Op een dag, toen zij juist weer een grote vis klaarmaakte, reed niemand minder dan haar gewezen bruidegom en diens vader, de baron, samen met een groot gezelschap jagers de poort binnen. Dus voor hen moest zij vandaag koken. Margret besloot vooral vandaag bijzonder haar best te doen met het vismaal. Ze wendde zich van het raam af en begon de vis schoon te maken. Toen ze de vis opensneed, vond ze iets dat flonkerde en schitterde. Ze nam het voorwerp uit de buik van de vis, maakte het met water schoon en liep naar het raam om het goed te bekijken. Het was een ring ja, dé ring, die de zoon van de baron haar gegeven had en die de baron haar weer had afgenomen en van de klip in de buurt van Scarborough de zee in had gegooid.

Ze deed de ring in haar zak en toen ze klaar was met haar werk en de grote vis in de oven gaar was, waste ze haar handen en stak de ring aan de vinger, waar zij hem al eerder had gedragen.

In de grote hal zat het gezelschap aan het feestmaal. Er waren kostelijke gerechten en edele wijnen. De baron was in een opperbest humeur, want hij had eindelijk een rijke bruid voor zijn zoon gevonden. De zoon wilde echter niets van zijn nieuwe bruid weten, hij dacht nog steeds aan het mooie meisje, dat hij in het huis van zijn oom had gezien en toen was kwijtgeraakt. Maar de baron dacht dat zijn zoon hem wel zou gehoorzamen en met de vrouw zou trouwen, die hij voor hem had uitgezocht.

Er werd gepraat en gelachen, en allen, die aan tafel zaten, vonden vooral één gerecht bijzonder lekker. Dat was de grote vis, die met een saus en kruiden gegarneerd was. Niemand kon zich herinneren ooit zo'n voortreffelijk visgerecht geproefd te hebben. De baron riep dat men de kokkin moest halen. Hij wilde haar een compliment maken.

Schuchter kwam Margret binnen en liep naar de baron. In eerste instantie herkende hij haar niet. Maar toen de andere gasten verstomden, omdat zij zo verbaasd waren zo'n mooi meisje met een schort aan te zien, keek de baron haar scherp aan en nu wist hij, wie zij was. Hij was te verbluft om kwaad te worden. Hoe kon hij kwaad op een meisje zijn dat iedereen aan tafel vol bewondering aankeek! "De maaltijd was uitstekend," zei de baron, "vooral de vis. Als een tovenaar hem had klaargemaakt, had hij niet beter kunnen smaken." Het meisje knielde neer voor zijn stoel. Hij pakte haar bij de hand en trok haar omhoog. Toen zag hij de ring. "Ik ben blij je weer te zien," zei toen de baron, "want ik zie, dat je mij iets wilt teruggeven wat eens van mij was." En hierbij wees hij naar de ring. Hij wist nu, dat het geen zin had het lot langer te tarten en hij herinnerde zich zijn belofte op de klip. "Als je mij geeft, wat eens van mij was," zei hij, "zal ik jou iets teruggeven, wat voor jou bestemd was." Verbaasd keek het gezelschap aan tafel naar hem en het meisje.

"Dit meisje," riep de baron luid de zaal in, "is geen kokkin. Integendeel, zij is voorbestemd om de vrouw van mijn zoon te worden. Laat niemand hier iets tegenin brengen, want het zou geen nut hebben, het zou net zo zinloos zijn als mijn weigering is geweest. Wat het lot bijeen brengt, moet de mens niet trachten te scheiden." En bij deze woorden wenkte hij zijn zoon en leidde hem naar Margret. Lange tijd stonden het meisje en de jongeman tegenover elkaar en keken elkaar verwonderd en gelukkig aan, terwijl de gasten vol verbazing de voorgeschiedenis aanhoorden. De twee trouwden in het slot van de baron. En vanaf die dag was de baron vol lof over Margret en vond, dat zijn zoon geen betere vrouw had kunnen krijgen.


*   *   *

De vis met de ring Samenvatting
Een rijke baron en tovenaar leest in de sterren dat zijn zoon met een arm meisje zal trouwen. Hij probeert van alles om dit te voorkomen, maar het blijkt onmogelijk om dat wat het lot bijeenbrengt te scheiden. Lees het verhaal

Toelichting
Afkomstig uit: Henderson, Folk-Lore of the Northern Countries, London, 1866. Andere variaties van dit verhaal vindt men in Morris 'Nouvelles Françoises du Treizieme Siecle'. Dr. E. Kuhn spoorde een versie in Ethiopië op. Ook in Byzantium was dit verhaal bekend, van daar schijnt het naar Frankrijk en Engeland gekomen te zijn. Het motief van de brief, waarvan de overbrenger gedood moest worden, is bekend uit Indische verhalen en natuurlijk uit de Ilias. In de bewerking echter gaat het sprookje waarschijnlijk terug op een Byzantijnse vertelling over een romance van keizer Constantijn.

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Volkssprookjes en legenden uit Engeland" samengesteld door Frederik Hetmann. Uitgeverij Elmar, Delft. 1978. ISBN: 90-6120-13-65

Herkomst: Groot-Brittannië
Verteltijd: ca. 29 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook