Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 13 min.
Herkomst:




De vissen bij de Drakenpoort Een verhaal uit China over een draak als regengod

In China zijn er honderden draken. Elk watertje en elke rivier heeft zijn eigen draak, en in de zee zijn er nog een heleboel meer. Het zijn geen woeste draken, en ze eten ook geen mensen - gelukkig maar, want er zijn er zoveel. Hoe komt het eigenlijk dat er zoveel draken in China zijn?

Lang geleden was er in China een overstroming. Het was net zo'n soort overstroming als de zondvloed uit de Bijbel, toen Noach zijn grote boot bouwde. Maar in China kwam het door twee grote helden en een beetje magische klei dat sommige mensen en dieren van het water gered werden, en natuurlijk spelen de Chinese draken ook een rol in het verhaal.

De Gele Keizer, de allerhoogste hemelgod, was boos. "De mensen blijven maar slechte dingen doen," zei hij. "Ik wil van ze af! En dat zal gebeuren ook. Nu!" En hij gaf de regengod bevel om regen te maken, regen die niet meer ophield.

Dat stond de regengod geweldig aan en hij haastte zich langs de hemel, klopte grote, zwarte wolken op en wierp stromen regen naar beneden. Hij gunde zich geen moment rust. Hij hield van zijn werk.

En zo bleef het zonder ophouden regenen op aarde en er was een grote overstroming. Huizen, planten en zelfs bomen werden weggevaagd en duizenden mensen en dieren verdronken. Enkele gezinnen vluchtten de bergen in en slaagden erin te overleven. Maar zelfs zij waren bang, toen ze zagen dat het water elke dag hoger steeg.

Van alle goden was er maar één - Kun, de kleinzoon van de Gele Keizer - die uit de hemel naar beneden keek en diep medelijden had met de mensen. Hij ging naar het paleis van zijn grootvader en pleitte voor de mensen. "Heer van de Hemelen," zei hij. "Laat die eindeloze regen ophouden. Laat niet nog meer mensen sterven."

Maar de Gele Keizer was nog altijd boos; hij deed gewoon zijn ogen dicht, haalde diep adem en keerde zich af.

Toen Kun hoofdschuddend en bedrukt het paleis uitliep, kwam er een oude zwarte schildpad op hem af hobbelen.

"Wat is er aan de hand?" vroeg de schildpad.

"Ik wil niet dat er nog meer mensen verdrinken," zei Kun. "Maar ik weet niet hoe ik hen moet helpen."

"Magische klei! Dat is wat je nodig hebt!" zei de schildpad. "Daar moet je wat van over het water strooien en dan zul je eens zien wat er gebeurt!"

"Waar kan ik die klei krijgen?" vroeg Kun.

"Geen probleem!" zei de schildpad. "De Gele Keizer heeft een grote pot vol in het gebouw waar hij zijn schatten bewaart."

"Maar mij zal hij er niets van geven," zei Kun. "Hij wil niet dat de overstroming ophoudt."

"Dan..." zei de schildpad, en hij liet zijn stem dalen tot een gefluister, "dan... zul je er wat van moeten stelen!"

Kun was een god. Het volgende ogenblik was hij in het gebouw waar zijn grootvader zijn schatten bewaarde. Algauw vond hij een hoge pot vol zachte, groenige klei; hij nam er een handvol uit en stond enkele ogenblikken later weer buiten.

Zo snel als de gedachte was hij op aarde, staande op een berghelling, en de onophoudelijke regen spetterde op zijn hoofd. Hij brak een klein stukje klei af en strooide het op het water. Het was werkelijk magische klei! Het werd twee keer zo veel, en nog eens twee keer zo veel en nog eens. Het bleef maar zwellen, en tegelijkertijd zoog het het water op als een spons. Het duurde niet lang of er was een eiland.

Kun werkte snel door, ging van plaats tot plaats en strooide magische klei op het water, maakte nog meer eilanden en grote landruggen tussen de bergen. De mensen kwamen te voorschijn uit de grotten en hutten waar ze geschuild hadden en keken naar hem. Eindelijk kregen ze weer een beetje hoop... misschien zou de vloed niet alles overspoelen.

Maar de regen viel nog steeds, en daar kwam nog bij dat voordat Kun alle klei had opgebruikt, de Gele Keizer hem in de gaten kreeg en zag wat er allemaal gebeurde.

"Kun moet sterven!" zei de Gele Keizer en hij gaf de vuurgod bevel om dit uit te voeren. Toen Kun de vuurgod zag komen, veranderde hij zichzelf in een wit paard en trachtte zich te verstoppen tussen de rotsblokken bovenop een berg. Maar de vuurgod slingerde een bliksemschicht en Kun, het witte paard, viel als dood neer.

De tijd verstreek. Kun, het witte paard, bewoog. Er groeide iets in hem. Er voer een rilling door hem heen, en uit zijn lichaam kwam nieuw leven te voorschijn - een gouden draak - jong, sterk en schitterend.

Toen stierf Kun ten slotte, de dappere held. Maar zijn zoon, die zichzelf Yu noemde, vloog op naar de hemel. Hij trad het paleis van de Gele Keizer binnen, boog zijn drakenhoofd en sprak zacht en vol eerbied:

"Grote Heer van de Hemelen," zei hij. "Ik ben Yu, de zoon van Kun, in de wereld gezonden om zijn werk te voleinden. Vereerde Overgrootvader, de mensen hebben veel geleden en hebben verdriet. Heb medelijden met hen en laat de regen ophouden/

De Gele Keizer luisterde. Zijn woede bekoelde.

"Gouden Draak," zei hij, "van nu af aan zul jij de regengod zijn. Maar dat is niet het enige. Ik zal je wat magische klei geven om nieuw land te maken en het teveel aan water op te zuigen."

De Gele Keizer wees op een schildpad die in een hoek stond te luisteren. Het was dezelfde oude, zwarte schildpad die Kun geholpen had! De Gele Keizer glimlachte en zei: "Je mag net zoveel magische klei nemen als je op de rug van die schildpad kunt leggen."

Yu, de gouden draak, boog zijn hoofd. "Ik dank u, Overgrootvader," zei hij.

Er was een hoop te doen. Snel vloog Yu daarvandaan, brak de wolken uiteen, joeg ze alle kanten op en blies ze weg. Terwijl hij hiermee bezig was, stond hij ineens oog in oog met de oude regengod, die geweldig het land had. Hij had het heerlijk gevonden om regen te maken die niet meer ophield, en hij had geen zin om zijn werk op te geven. Maar de Gele Keizer moest gehoorzaamd worden. Er bleef de regengod niets anders over dan mopperen en klagen.

Toen ten slotte de regen ophield op aarde te stromen, stapelde Yu wat van de magische klei op de rug van de schildpad en met zijn tweeën kwamen ze naar de aarde.

Nog steeds was er een hoop te doen. Yu en de schildpad reisden door het land van China en strooiden magische klei, waarmee ze nieuw land maakten en waardoor tegelijkertijd het water werd opgezogen.

Toen alle magische klei opgebruikt was, zei Yu tot de schildpad: "Nu is er nog één ding over! We moeten een paar rivieren maken!

De schildpad wees de weg en de draak gebruikte zijn staart om diepe voren te ploegen door de zachte, modderige grond, van de bergen naar de zee.

Het was heel gemakkelijk. Er was maar één moeilijk stuk. Toen Yu in Noord-China de loop van de Gele Rivier ploegde, kwam hij bij een plaats waar een paar grote rotsen in de weg stonden. Yu dacht een ogenblik na, toen draaide hij zich om, geselde de rotsen met zijn staart en sneed er een diepe kloof doorheen.

"Deze plek zal de Drakenpoort genoemd worden," zei hij. "Hij zal voor altijd gewijd zijn aan de draken."

Op deze manier maakte Yu, de gouden draak, de grote rivieren die tegenwoordig dwars door China stromen. Ook wordt er verteld, dat de verkleumde, verdrietige, hongerige mensen zich eindelijk naar buiten waagden uit hun grotten en hutten in de bergen, waarin ze voor de eindeloze regens hadden geschuild, en dat ze aan Yu vroegen of hij hun keizer wilde worden. En zo werd Yu, de gouden draak, een mensengod, en leefde op aarde.

Yu wordt nog altijd vereerd en herdacht, vooral bij de Drakenpoort in de Gele Rivier. Elke lente, als de vissen stroomopwaarts zwemmen, moeten ze over de snelstromende watervallen springen die naar beneden klateren door de kloof, die Yu met zijn staart heeft uitgesneden.

En de vissen die door het wild spattende schuim en de stuivende mist de stroomversnelling met één enorme sprong overbruggen - die vissen veranderen in draken en hun sprong brengt ze tot in de wolken. Daar buitelen en spelen ze in de zomer, voordat ze teruggaan naar de rivieren en de wateren waar ze 's winters slapen.

Draken leven lang, heel lang, en elk jaar worden er bij de Drakenpoort een paar nieuwe draken geboren. En daarom zijn er zoveel draken in China.


*   *   *

De vissen bij de Drakenpoort Samenvatting
Een verhaal uit China over een draak als regengod.

Toelichting
De Chinese draak heeft een kop als een kameel, twee hoorns en snorren als een kat en hij draagt een kostbare parel onder zijn kin of in zijn bek. Net als de draak uit het Europese volksverhaal heeft hij schubben, vier poten, klauwen, een schat en kan hij vliegen. Maar gewoonlijk heeft de Chinese draak geen vleugels, hij eet geen mooie jonge meisjes op en hij ademt wolken damp in plaats van vlammen of dodelijke smook. ‘s Winters slaapt hij in poelen, rivieren of zelfs in de zee. In de lente wordt hij wakker en vliegt hoog de lucht in, waar alle draken bij elkaar komen om te vechten en te spelen en de zomerregens te maken. Soms blijven ze te lang boven en dan is er zoveel regen dat er overstromingen komen.

Dit verhaal is gebaseerd op materiaal uit Dragons and Dynasties: An Introduction to Chinese Mythology, van Yuan Ke (geselecteerd en vertaald door K. Echlin en N. Zhixiong), 1993; en uit Chinese Mythology: An Introduction van Anne Birrell, 1993.

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Mythische dieren uit alle windstreken" naverteld door Margaret Mayo. Uitgeverij Christofoor, Zeist, 1997. ISBN: 90-6238-666-0

Herkomst: China
Verteltijd: ca. 13 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook