Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 29 min.
Herkomst:

De waterval van Ma Cho Een sage uit Vietnam over een wonderfluit

In het binnenland van Indo China ligt een klein meer. Aan de oever ervan verheft zich een steile rots. Over die rots stroomt een beekje, dat zich met een mooie waterval in het meer stort. Het is de waterval van Ma Cho en alle bewoners uit die streek kennen het verhaal van deze prinses en haar jonge echtgenoot. 's Avonds vertellen de ouders vaak die droeve geschiedenis aan hun kinderen.

Heel, heel lang geleden heersten er in het land ziekte en hongersnood. Bovendien ondervonden de boeren veel last van rovers, die moordend en plunderend van het ene dorp naar het andere trokken. De koning was oud en zwak en liet zich gemakkelijk bedriegen door zijn ministers, die alleen aan eigen voordeel dachten en niets deden, om de arme boeren te beschermen tegen de boosdoeners. Eindelijk stierf de koning en werd opgevolgd door zijn zoon. Deze bleek een flink vorst te zijn. Hij ontsloeg de oneerlijke ministers en achtervolgde onvermoeid de rovers die van nu af aan geen ogenblik rust meer kenden. Voortdurend werden ze opgejaagd door de soldaten van de koning, tot ze op het laatst de strijd opgaven en het land verlieten.

Het is te begrijpen, dat de boeren hun koning dankbaar waren voor zijn flinke gedrag. Nu konden ze tenminste weer rustig hun akkers bebouwen. Doch een geheimzinnige ziekte brak toen uit, waartegen geen enkele dokter een geneesmiddel wist. De mensen kregen koorts en hun lichaam werd bedekt met zweren. De ziekte was heel besmettelijk, zodat in sommige dorpen niemand gespaard bleef en honderden stierven. Natuurlijk konden de akkers niet goed bewerkt worden, zodat er een hongersnood dreigde.

De mensen zeiden, dat al die ellende veroorzaakt werd door een boze geest. Velen beweerden zelfs, die geest gezien te hebben. Hij zag er uit als een mens met een slangenkop. Zijn lichaam bestond niet uit vlees en bloed, maar was slechts een doorzichtige groene nevel. In de dorpen waar de geest gezien was, brak zeker enige dagen later de geheimzinnige ziekte uit. De koning wist ook niet, hoe hij deze onbekende vijand moest bestrijden. Toen de nood het hoogst was, ging hij naar de rots aan het meer. In het meer leefde een gouden schildpad, die een groot tovenaar was. De koning wilde hem om hulp vragen. Hij riep de gouden schildpad, die dadelijk aan de oppervlakte van het water verscheen.

"Waarom roept u me?" vroeg de schildpad.

De koning antwoordde: "De mensen beweren, dat u een groot tovenaar bent. Daarom kom ik u smeken, een geneesmiddel te geven tegen de vreselijke ziekte, waaraan zovele van mijn onderdanen sterven."

De gouden schildpad sprak: "U heeft steeds aan het welzijn van uw onderdanen gedacht, koning, daarom zal ik uw wens vervullen. Aan de voet van de rots zult ge een gouden fluit vinden. Als ge daarop blaast, zal de god van de zee ontwaken en met zijn adem de lucht zuiveren en de ziekte verdrijven. Maar zorg ervoor, dat niemand anders op de fluit blaast, want dan verliest die haar toverkracht en zal een groot onheil u en uw onderdanen bedreigen."

Na deze woorden gesproken te hebben, verdween de schildpad weer onder het water. Dadelijk daalde de koning van de rots af en vond, beneden aangekomen, werkelijk de gouden fluit. Hij blies erop en een heldere toon weerklonk. Meteen stak de frisse zeewind op, die de mensen verkwikte met zijn heerlijke koelte. Doch de groene geest, die de geheimzinnige ziekte verbreidde, werd nu ook verjaagd. Vanaf die dag genazen de patiënten en werden weer even gezond als vroeger. Niemand wist dat de koning de ziekte verdreven had, want hij vond het beter dat geheim voor zich te houden. Maar zijn onderdanen zeiden: "De nieuwe koning is een zegen voor het land. Het schijnt wel of de goden hem beschermen en bijstaan."

De koning borg de toverfluit op in een onderaardse kamer, waarvan de deur altijd gesloten bleef. Daar niemand iets wist van de fluit, zou ook niemand proberen hem te stelen, dacht de koning. Maar hij wist niet, dat de groene geest zich wilde wreken en op middelen zon, om zijn vijand in het verderf te storten.

Vijftien jaren gingen in geluk en voorspoed voorbij. Ma Cho, de dochter van de koning, was intussen volwassen geworden. Verschillende prinsen hadden al haar hand gevraagd, maar Ma Cho had allen geweigerd. Haar vader wist wel waarom. Aan het hof leefde namelijk een jonge man, die de koning als geheimschrijver diende. Hij heette Tung Ti en was de zoon van een gouverneur, die voor de koning een provincie bestuurde. De koning hield veel van de jonge man, misschien ook wel, omdat hij zelf geen zoon had.

Op een dag kwam Ma Cho bij haar vader en vroeg: "Vader, ik zou graag met Tung Ti willen trouwen. Vindt u het goed?"

De koning glimlachte. Ma Cho en Tung Ti waren zó vaak samen en konden zó goed met elkaar opschieten, dat hij die vraag al lang verwacht had. "Tung Ti is een flinke jonge man," zei hij, "en als jullie met elkaar willen trouwen, vind ik het goed." Dadelijk ging de prinses dit blijde nieuws aan Tung Ti vertellen.

Spoedig daarop werd het huwelijk met grote pracht en praal gesloten en Ma Cho en Tung Ti meenden, dat ze de gelukkigste mensen van de wereld waren. De koning beschouwde Tung Ti voortaan geheel als zijn zoon en opvolger, en besprak met hem alle staatszaken.

Tung Ti toonde zich zo verstandig, dat de koning na enkele maanden zei: "Ik heb er al zo vaak over gedacht mijn vriend, de koning van Formosa, te bezoeken. Daar heb ik nu een mooie gelegenheid voor. Ik zal ongeveer een jaar wegblijven en jij moet in die tijd het land besturen."

Tung Ti vond het niet prettig, dat zijn schoonvader hem deze zware taak opdroeg, maar de koning zette zijn zin door en vertrok. Een tijd lang gebeurde er niets bijzonders. Toen kwam op een morgen een renbode bij Tung Ti en deelde hem mede, dat zijn ouders plotseling ernstig ziek geworden waren. Tung Ti schrok. Dadelijk liet hij zijn paard zadelen en vertrok naar het huis van zijn ouders om te zien, wat hun scheelde. Toen hij hen zag, kreeg hij tranen in zijn ogen, want de oude mensen bleken veel erger ziek te zijn, dan hij dacht. Ze hadden hoge koorts en hun lichamen waren bedekt met zweren. Ze konden hun zoon nauwelijks meer begroeten, zoveel pijn hadden ze. Nadat hij de kamer van zijn ouders verlaten had, liet hij de dokter roepen. Deze sprak: "Uw ouders lijden aan een geheimzinnige ziekte, die ruim vijftien jaar geleden hier ook geheerst heeft. Velen zijn er toen aan gestorven, want wij kennen er geen geneesmiddel tegen. Het spijt me, dat ik u dit moet zeggen."

Diep bedroefd liep Tung Ti de tuin in. Hij hield veel van zijn ouders en vond het vreselijk, dat hij hen waarschijnlijk spoedig zou verliezen. Het was doodstil in de tuin. Plotseling schrok hij hevig, want achter zich hoorde hij een geritsel. Snel draaide hij zich om en zag de groene geest met de slangenkop. De geest sprak: "Je kent me niet, Tung Ti, maar toch mag je blij zijn, dat we elkaar ontmoeten." Tung Ti antwoordde, nog bevend van schrik: "Wie bent u en waarom moet ik blij zijn, u te ontmoeten?"

"Omdat ik de enige ben, die je ouders kan genezen," antwoordde de geest.

"O, als u dat doet, zal ik u altijd dankbaar blijven," riep de arme Tung Ti uit. "Ik ben bereid, u te geven wat u vraagt, als u maar een einde maakt aan het lijden van mijn ouders."

"Mijn geneesmiddel is niet voor geld te koop," zei de geest. "Ik schenk het je, Tung Ti."

"Ik zal u mijn leven lang dankbaar blijven," herhaalde de jonge man. "En ik weet zeker, dat ook mijn schoonvader, de koning van dit rijk..."

"Nee, Tung Ti, wat ik je nu zeg, moet een geheim blijven tussen jou en mij," zei de geest. "Je mag zelfs niemand vertellen, dat je me gezien hebt. Want als je dat doet, zullen je ouders onmiddellijk sterven."

"Dan zal ik natuurlijk zwijgen," zei Tung Ti verbaasd.

"Luister dan," vervolgde de geest. "Je weet zeker wel, dat er in het paleis een geheime, onderaardse kamer is?"

"Ik weet dat die kamer er moet zijn," zei Tung Ti. "Maar ik ben er nooit in geweest. Dat heeft de koning iedereen streng verboden."

"Maar je vrouw weet wel, waar de sleutel hangt," zei de geest. "Nu, in die geheime kamer ligt een gouden fluit. Als je daarop blaast, zullen je ouders onmiddellijk genezen."

Tung Ti staarde de geest met grote ogen aan. "Maar waarom heeft mijn schoonvader ons zo streng verboden die kamer binnen te gaan?" vroeg hij.

"Omdat hij die tovermacht voor zich zelf wil houden," antwoordde de geest.

"Dat geloof ik niet," zei Tung Ti. "Mijn schoonvader is in 't geheel niet hoogmoedig."

"Waarom houdt hij dan die toverfluit zo geheimzinnig verborgen?" vroeg de geest. "Maar je moet het zelf weten. Je kunt je ouders redden. Maar denk eraan, vertel aan niemand dat je me gezien hebt. Het leven van je ouders staat op het spel." Meteen verdween hij.

De hele nacht dacht Tung Ti na over deze vreemde ontmoeting. Telkens hoorde hij zijn ouders kreunen. Toen het licht werd, ging hij naar hen toe en sprak: "Ik vertrek nu, maar misschien kan ik een middel vinden om u beiden te genezen."

"O, als dat mogelijk was..." fluisterde zijn vader.

Tung Ti vertrok en kwam 's avonds bij zijn vrouw aan. Deze had diep medelijden met haar schoonouders, toen ze vernam hoe ziek de oude mensen waren. "En zou er nu werkelijk geen middel zijn, om hen te genezen?" vroeg ze. Tung Ti zweeg. Maar toen ze alleen in hun slaapkamer waren, en niemand hen kon horen, fluisterde hij: "Ma Cho, ben jij wel eens in de geheime kamer geweest?"

"Nee, nooit," antwoordde ze. "Je weet toch wel, dat vader dit streng verboden heeft?"

"Maar waarom mag er niemand in die kamer?" vroeg Tung Ti weer.

"Dat weet ik niet," antwoordde Ma Cho.

Tung Ti ging door: "Vannacht heb ik gedroomd. Ik droomde, dat er in die geheime kamer een gouden fluit lag. Ik blies erop en daardoor genazen mijn ouders. Vind je dat niet een vreemde droom?" Zijn vrouw knikte.

"Je weet toch, waar die sleutel hangt?" vervolgde Tung Ti.

"Ja," zei Ma Cho, "maar die durf ik je niet te geven. Vader heeft gezegd, dat een groot onheil hem zou bedreigen, als iemand die kamer binnentrad."

"Maar hij hoeft toch niet te weten..." zei Tung Ti. Ma Cho zweeg.

"Ik heb een plan," ging Tung Ti fluisterend door. "We doen de deur van de kamer open. Als we dan werkelijk een gouden fluit zien liggen, dan hebben de goden mij in mijn droom het middel aangewezen om mijn ouders te genezen. Ligt er geen fluit, dan gaan we de kamer niet binnen, maar sluiten de deur dadelijk weer." Ma Cho bleef aarzelen.

"Je vader hoeft het toch niet te weten," herhaalde Tung Ti. "En als je de sleutel niet geeft, zullen mijn ouders sterven... O, als je gezien had, hoe ze lijden, zou je niet aarzelen..."

Ma Cho begon te huilen. Ze voelde, dat ze moest kiezen tussen haar vader en haar schoonouders... Eindelijk zei ze: "Goed, ik zal je de sleutel geven. Maar als je de fluit niet dadelijk ziet liggen, ga dan de kamer niet binnen."

"Ik dank je," zei Tung Ti zacht.

Ma Cho ging nu naar de kamer van haar vader en haalde de sleutel. Toen ze die aan haar man gaf, durfde hij haar niet aan te kijken.

Samen slopen ze vervolgens door de donkere gangen naar de onderaardse, geheime kamer. Ze waren in hun eigen paleis, maar toch klopte hun hart zo onrustig, alsof ze als inbrekers het huis van een vreemde binnen gedrongen waren. Tung Ti ging voorop, Ma Cho volgde hem, met een lichtje in haar hand. Beiden voelden zich schuldig. Ma Cho, omdat ze iets deed dat het leven van haar vader misschien in gevaar kon brengen, en Tung Ti, omdat hij zijn vrouw, die zoveel van hem hield, bedrogen had.

Eindelijk stonden ze voor de zware deur, die met ijzer beslagen was. Bevend stak Tung Ti de sleutel in het slot, draaide hem om en duwde de deur open. Beiden keken gespannen naar binnen. Eerst meenden ze, dat de kamer leeg was. Maar toen onderscheidde Tung Ti in een der hoeken een rotsblok, waarop iets glimmende lag. Het was de toverfluit.

Zonder iets te zeggen wees hij er naar met zijn hand. Ma Cho zag de fluit nu ook. Ze keek haar man aan. Beiden waren doodsbleek. Tung Ti dacht aan zijn schoonvader, die altijd zo goed voor hem geweest was. En als dank werd de oude man nu door hem bedrogen. Maar toen was 't alsof hij zijn ouders weer hoorde kreunen.

Ma Cho legde haar hand op zijn arm en knikte haar toe. Nu aarzelde hij niet langer. Hij liep de kamer binnen en blies op de fluit. Beiden schrokken van het geluid. Het leek wel een angstkreet van een mens... Snel verliet Tung Ti de kamer en sloot de deur. Maar op hetzelfde ogenblik werd het paleis verlicht door een felle bliksemstraal, dadelijk gevolgd door een dreunende donderslag. De wind stak op en de regen viel bij stromen uit de hemel. De storm werd zo hevig, dat verschillende bomen in het park omvielen. De bliksemstralen volgden elkaar snel op, en de zware donderslagen deden de dikke muren van het paleis trillen. Tung Ti en Ma Cho snelden haastig naar hun kamer. Daar keken ze elkaar angstig aan. Ze hoefden nu niet meer te vragen, of ze iets verkeerds hadden gedaan... Telkens dachten ze, dat de bliksem het paleis zou inslaan en hen doden.

Eindelijk, tegen het aanbreken van de dag, bedaarde het noodweer, en even later scheen de zon weer even vriendelijk als anders. Maar er waren die nacht heel wat vissers op zee verdronken. En in verschillende dorpen had de storm de huizen ernstig beschadigd.

"Dat is onze schuld," dachten Ma Cho en Tung Ti. Doch de groene geest hield woord: de ouders van Tung Ti genazen werkelijk.

"Maar daarvoor moesten al die onschuldige vissers sterven," dacht Tung Ti.

Er brak nu een akelige tijd aan voor de beide jonge mensen. Voortdurend vroegen ze zich af of er misschien nog meer rampen zouden volgen. Maar dit scheen niet het geval te zijn. Of wachtte de geest, tot hij zich op de koning zelf zou kunnen wreken?

Eindelijk was het jaar verstreken. Daar verscheen op een middag de koning weer in het paleis. Hij had een goede reis gehad en was gezond en vrolijk. Hij vertelde van het bezoek aan zijn vriend en vroeg toen: "En is hier nog iets bijzonders gebeurd tijdens mijn afwezigheid?"

Ma Cho werd doodsbleek bij die vraag en Tung Ti durfde zijn schoonvader niet aankijken toen hij antwoordde: "Nee, niets, vader." Hij begon vlug over iets anders te praten.

Hij bleef voortaan steeds in de buurt van de koning. Op deze manier hoopte hij hem nog te kunnen beschermen. Maar de groene geest had wel andere middelen om zich te wreken. Weer verscheen hij in de dorpen en maakte de mensen ziek, evenals zestien jaar geleden.

Toen de koning bemerkte dat zijn vijand terug gekomen was, ging hij in stilte naar de geheime kamer en blies daar op de fluit. Deze keer echter klonk er geen heldere toon, maar precies dezelfde angstkreet, die Tung Ti ook gehoord had. En de zeewind stak niet op...

De koning kreeg een bang voorgevoel. De groene geest kon nu ongestoord zijn boze plannen ten uitvoer brengen. De ziekte verbreidde zich dan ook snel van dorp tot dorp. Ten einde raad ging de koning naar de rots en riep de gouden schildpad. Deze verscheen onmiddellijk.

"Grote tovenaar," riep de koning, "mijn land wordt weer bezocht door de groene geest. Duizenden van mijn onderdanen zijn al gestorven. Ik heb op de toverfluit geblazen, maar deze schijnt haar kracht verloren te hebben. Help me, om mijn onderdanen te beschermen tegen de ziekte die hen bedreigt."

"Ik kan u niet helpen," antwoordde de gouden schildpad. "Iemand heeft in uw afwezigheid op de fluit geblazen, waardoor zij haar toverkracht verloren heeft."

De koning opende zijn mond om iets te vragen, maar hij durfde niet...

Doch de gouden schildpad gaf hem toch wel het antwoord. "Zij, die u bedrogen, staan achter u," klonk het uit de diepte.

De koning keek om en zag Ma Cho en Tung Ti, die hem ongemerkt gevolgd waren. Ze hadden de woorden van de gouden schildpad natuurlijk ook gehoord.

"Vader," zei Ma Cho schreiend, "alles is mijn schuld. Ik was de enige die wist waar de sleutel van de kamer hing. Ik heb dit geheim niet bewaard. Maar ik wil voor mijn schuld boeten." En voor iemand haar kon tegenhouden, sprong ze van de hoge rots in het meer. De koning wilde haar naspringen, maar Tung Ti greep zijn arm. In de verte klonk een akelig gelach...

"Vlucht, vader, vlucht!" riep Tung Ti.

Doch de koning schudde het hoofd. Hij bleef naar het meer staren, waarin zijn dochter verdwenen was.

Toen sprak Tung Ti: "Vader, ik heb op de fluit geblazen. Ik deed het om mijn zieke ouders te redden. Maar Ma Cho, uw dochter, is onschuldig. Kunt u mij vergeven, vader?"

De koning knikte, terwijl de tranen hem over de wangen rolden.

"Dank u, vader," zei Tung Ti. Toen riep hij naar beneden: "Grote tovenaar, bescherm de koning en zijn onschuldige onderdanen voor de wraak van de groene geest. Hier ben ik, straf mij!" En met deze woorden sprong hij ook in het meer. Weer klonk een akelig gelach, doch nu maar heel kort.

De gouden schildpad was tevreden met het dubbele offer, dat hem vrijwillig gebracht was. Een doordringende toon weerklonk en meteen stak de wind op. De groene geest moest vluchten, maar nergens kon hij een schuilplaats vinden. Tot in de verste uithoeken van het rijk drong de frisse zeewind door en joeg de ziekte op de vlucht.

De koning, eenzaam achtergebleven, regeerde nog lang over zijn rijk. Maar hij was nooit vrolijk meer. Vaak ging hij op de rots zitten en dacht eraan, hoe gelukkig hij vroeger geweest was.

Terwijl hij daar weer eens zat te treuren, hoorde hij het geruis van water. In de bergen, boven hem, was een bron ontstaan. Het water vormde een beekje, dat over de rots stroomde en zich daarna in het meer stortte. De koning keek naar de waterval, die in het licht der maan een prachtige, zilveren sluier geleek. En terwijl hij daar zo zat te staren, zag hij plotseling tussen de glinsterende druppels de gezichten van zijn dochter en zijn schoonzoon. En hij hoorde hen zacht fluisteren: "Wees niet bedroefd, vader, wij zijn gelukkig, wij zijn gelukkig..."

"Ma Cho! Tung Ti! Mijn kinderen!" riep de oude man. "Blijf bij me, laat me niet alleen!" En hij strekte de armen naar hen uit...

"We komen, vader," fluisterden ze. Beiden verschenen op de rots en gingen naar hem toe. "We zullen u nooit meer alleen laten, vader. Voortaan zullen we altijd bij u zijn," hoorde de grijsaard.

"Dan is het goed," zei hij. "Dan is alles weer goed..."

De volgende dag vonden de dienaren hun meester dood op de rots liggen. Hij glimlachte. Eindelijk was hij weer bij zijn kinderen, van wie hij zoveel gehouden had.


*   *   *

De waterval van Ma Cho Samenvatting
Een sage uit Vietnam over een wonderfluit. Wanneer een groene geest door een koning wordt verslagen, probeert hij zich te wreken door de wonderfluit van de koning af te pakken. Lees het verhaal

Toelichting
Uit Annam (de centrale provincies van Vietnam - ongeveer de huidige regio Centraal-Vietnam).

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes van Azië" verzameld en bewerkt door R.M. Dalang. C.P.J. van der Peet, Amsterdam, 1957.

Herkomst: Vietnam
Verteltijd: ca. 29 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook