Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 24 min.
Herkomst:

De witte kraanvogel Een Japans sprookje over behulpzaamheid en dankbaarheid

De witte kraanvogelEr leefde eens een oud echtpaar dat één zoon bezat. Zijn naam was Kotaro. De jongen bebouwde het landje achter de hut en als daar niets te doen was ging hij naar het bos om hout te sprokkelen. Het bracht in de stad wel niet veel geld op, maar een arm gezin kan ieder kopermuntje gebruiken.

Kotaro was een vlijtige en geduldige jongen, maar toch mopperden zijn ouders dikwijls op hem. Hij had nu eenmaal gauw medelijden en deelde daarom, terugkerend uit de stad, de paar verdiende muntjes wel eens met een bedelaar. Het meest ergerde het de oude man dat het hem, in het bijzijn van zijn zoon, nooit lukte een stuk wild te vangen, zodat zij tenminste een enkele maal genoeg en smakelijk te eten hadden. Kotaro gaf, zodra hij een dier in gevaar zag, een luide schreeuw of hij gooide, als waarschuwing, een flinke steen er naar toe. En zijn woedende vader kon het nakijken...

"Onze zoon heeft een heleboel goede eigenschappen," zeiden de oudjes wel eens tegen elkaar, "maar veel wijsheid schuilt er niet in die bol. Hij zal wel zijn leven lang op ons landje of in het bos moeten rondtobben, want hij heeft er geen idee van wat er in de wereld te koop is." En zij zeiden dat ook wel eens tegen Kotaro.

Op een dag kwam de jongen uit de stad en liep, langs het bospad, naar huis. Opgewekt stapte hij voort en luisterde naar het roepen en zingen van de vogels tot ineens een vreemd ruisen zijn oor trof. Hij keek in de richting van het geluid en zag een mooie, witte kraanvogel, die zich verward had in de takken van een hoge boom en wanhopig trachtte zich te bevrijden. De vergeefse worsteling had hem kennelijk verzwakt, want hij kon zijn vleugels nauwelijks meer bewegen. Kotaro aarzelde geen ogenblik en klom snel naar boven.

Met angstig opengesperde ogen keek de vogel hem aan. Voorzichtig bevrijdde Kotaro hem uit de verwarde takken en zag tot zijn schrik dat het dier was aangeschoten. Een lange scherpe pijl stak onder zijn vleugel uit.

"Jij arme kerel!" Kotaro streek liefdevol over de witte veren. "Wat zul jij een angst uitgestaan hebben. Natuurlijk ben je, nadat een jager je geschoten heeft, in de kruin van de boom gevallen. Stil maar, nu komt alles goed. De wond is niet groot en zal wel vlug genezen!"

Langzaam trok hij de pijl eruit en maakte het wondje schoon. Daarna droeg hij de kraanvogel naar een veilig plekje, diep het bos in.

"Over een paar dagen ben je gezond en kun je weer fijn vliegen, hoor," zei hij troostend tegen de vogel. En, na nog enkele malen te hebben omgekeken, ging hij naar huis.

Op het land was in die weken niet veel te doen en zo trok Kotaro iedere ochtend het bos in en keerde pas tegen de avond terug. Op een keer, toen hij nog niet thuis was, klopte een aardig jong meisje bij zijn ouders aan. Uit de grote tas die over haar schouder hing, bleek dat zij een verre tocht maakte. Met een helder stemmetje vroeg zij of de heer Kotaro te spreken was. De moeder, verbaasd dat zo 'n knap meisje naar haar zoon vroeg, antwoordde vriendelijk: "Kom toch binnen, lief kind! Kotaro is nog niet thuis uit het bos, maar je mag hier binnen op hem wachten, als je wilt."

Het meisje boog beleefd, maar ging op de drempel zitten. De oudjes liepen steeds om haar heen, bekeken haar nieuwsgierig en probeerden een gesprek aan te knopen, om er achter te komen wat zij toch van hun zoon wilde. Maar het meisje knikte hen lachend toe en herhaalde elke keer dat zij op Kotaro zou wachten.

Het was al bijna donker, toen deze, met een zware bundel hout op zijn rug, thuiskwam. Het meisje sprong op, boog diep voor hem en vroeg met haar zachte, zangerige stem: "Bent u de heer Kotaro?"

"Jazeker," antwoordde de jongen verwonderd, "wat wenst u van mij?"

"Ik wacht al sinds vanochtend op u," zei ze met een bescheiden glimlach.

"Kom dan toch binnen, u zult wel moe zijn," drong de jongen aan. Het onverwachte bezoek verwarde hem. Hij nodigde haar aan het avondmaal en dit keer sloeg zij niet af maar trok vlug de sandalen van haar voeten en ging bereidwillig met de oudjes en Kotaro aan tafel zitten.

Na de maaltijd gaf het meisje Kotaro wederom haar stralende glimlach, sloeg toen bescheiden haar ogen neer en vroeg of hij haar zó graag mocht, dat hij haar tot vrouw zou wensen.

Van verbazing kon Kotaro geen woord uitbrengen. Een meisje dat zo mooi en zo lief was, zou de vrouw van een arme houthakker willen worden? De ouders waren niet minder verbaasd. Zij vertelden haar haastig dat hun zoon geen geld bezat en dat hij dus nooit zo'n knap meisje zou kunnen trouwen. "Wij zijn arm en Kotaro dénkt zelfs nog niet aan vrijen."

"Je hebt toch geen geld nodig om gelukkig te zijn," viel het meisje hen in de rede, "men heeft dan alleen een goed hart nodig en dat hééft Kotaro. U zult er werkelijk geen spijt van hebben, als u mij opneemt in de familie. Ik kan heel wat werk verzetten en wij zullen het, met ons vieren, zo gezellig hebben."

Toen de ouders hoorden dat het meisje niet alleen lief en knap, maar ook vlijtig was, waren zij erg blij met die onverwachte hulp en hadden geen enkele bedenking meer.

Kotaro was buiten zichzelf van vreugde. Nooit had hij kunnen dromen dat zo'n lieflijke jonge bruid de zijne zou worden! Maar hij wist nog niet eens haar naam.

"Noem mij maar 'de dankbare Komatschi', antwoordde het meisje. Toen haalde zij wat geld tevoorschijn en vroeg aan Kotaro in de stad alles te kopen wat voor een smakelijk bruiloftsmaal nodig was. En vooral de rijstwijn niet te vergeten! De oudjes hadden nooit zo'n feestelijke dag beleefd en sloten het meisje voorgoed in hun hart.

Na de bruiloft ging Kotaro weer iedere dag naar het bos, maar nu keerde hij zo vroeg mogelijk terug naar huis. En altijd door verlangde hij naar zijn lieve jonge vrouw. Ook zijn moeder was erg tevreden. Het meisje deed alles zo vlug en opgewekt! Nog voordat de vrouw aan een werkje wilde beginnen, had het meisje het al gedaan. Zo hadden zij alle vier een gezond en plezierig leven en na een jaar werden zij nog gelukkiger, want toen schonk 'de dankbare Komatschi' haar man een zoon.

Op een avond, toen Kotaro wat uitrustte van een lange dag houthakken, zei de jonge vrouw plotseling: "Jij werkt van vroeg tot laat en toch moeten wij zo sober leven. Als wij een winkeltje hadden, zou je niet dag in dag uit met een gebogen rug hout hoeven te hakken! Ik kan goed weven, zullen we daarmee beginnen?"

Zij nam wat geld uit haar zak en liet Kotaro in de stad kopen wat zij voor het weven nodig had. Daarna bracht zij het weefgetouw naar de vliering en vroeg Kotaro en zijn ouders haar vooral niet onder het werk te storen. Zelfs niet als het weven heel lang zou duren.

Van nu af ging 'de dankbare Komatschi' iedere ochtend naar de vliering en kwam 's avonds heel laat pas naar beneden. Haar gezichtje werd smal en bleek en soms wankelde ze van duizeligheid. Kotaro smeekte haar het werk te staken. Hij had immers het geld niet nodig! Maar zij schudde ontkennend haar hoofd en bleef doorgaan.

Toen er drie jaren verstreken waren, kwam 'de dankbare Komatschi' op een dag naar beneden en hield een geweven wollen lap in haar handen, zó mooi, als de ouders en Kotaro nooit in hun leven gezien hadden. Hij was van een lichte, toverachtige kleur, woog minder dan vogelveertjes en zou, als kimono, warmer zijn dan die van de zwaarste zijde! 'De dankbare Komatschi' kon van zwakte echter niet meer op haar benen staan en strekte zich met een zucht op haar mat uit. Met een zacht stemmetje vroeg zij Kotaro haar de reiszak te brengen, die zij, jaren geleden, over haar schouder had gedragen. Zij nam er twee goudstukken uit en zei: "Blijf zo lang onderweg tot je deze twee goudstukken hebt opgebruikt. Dan moet je de stof verkopen, niét eerder. Als je mijn raad volgt zul je er heel veel geld voor krijgen!"

Kotaro vouwde de stof netjes op, stak de goudstukken in zijn beurs en bleef aarzelend naast zijn jonge vrouw staan. Zij zag eruit of zij ernstig ziek zou worden. Maar haar ogen vroegen hem dringend te vertrekken.

De jonge man was al een tijdlang onderweg en merkte tot zijn schrik dat het eerste goudstuk nog niet was gewisseld. Toevallig kwam hij juist een stad binnen en op de markt hield een koopman hem aan en vroeg wat hij te bieden had. Kotaro haalde de stof, die 'de dankbare Komatschi' geweven had, tevoorschijn. De koopman bekeek de wonderlijke, door elkaar spelende kleuren met veel belangstelling, woog de stof op zijn hand en riep toen verbaasd uit: "Dat is een weefsel! Warm en heel licht en die schemerige kleuren. Waar heb je die heerlijke stof vandaan gehaald?"

"Mijn vrouw heeft de lap geweven," antwoordde Kotaro trots.

"Verkoop hem maar aan mij, ik geef je er duizend goudstukken voor!"

Nu begreep Kotaro hoe kostbaar het weefsel was, waar zijn lieve Komatschi drie jaren aan gewerkt had. Maar hij herinnerde zich ook haar raad, niet te verkopen voordat de goudstukken uitgegeven zouden zijn.

"Ik mag de lap niet verkopen," zei hij spijtig tot de man en vervolgde zijn weg.

Na een poosje liep hij door een andere stad. Hij richtte zijn schreden naar de markt en nauwelijks had hij de zeldzame stof uit zijn tas gehaald, of er vormde zich al een kring mensen om hem heen die er verrukt en verbaasd naar wezen. De rijkste onder de kooplieden bood hem vierduizend goudstukken ervoor. Doch Kotaro dacht wéér aan de woorden van zijn vrouw. En nu was het tweede goudstuk nog niet gewisseld. Hij had zelfs nog kleingeld van het eerste in zijn beurs. Hij trok dus maar verder.

Hij liep nu door een eenzame streek en het duurde heel lang voordat hij weer een stad bereikte. Daar trok de stof nog meer belangstelling en een rijke koopman bood hem achtduizend goudstukken! Maar weer kon de jonge man er niet op in gaan, want nog altijd zat het goudstuk in zijn beurs. Het nieuws over de vreemde, kostbare stof was hem, bij de volgende stad, al vooruit gesneld. Want bij de poort werd hij opgewacht door een knecht van een zeer rijke koopman en deze bracht hem dadelijk bij zijn heer.

Toen deze het weefsel zag, licht als vogelveertjes, warm als de zwaarste zijde, en sprankelend van al die betoverende kleuren, wilde hij het tot elke prijs bezitten. En hij bood de jongen tienduizend goudstukken.

Maar nog kon Kotaro de stof niet verkopen, hoewel tienduizend goudstukken een rijkdom vertegenwoordigden, die hij zelfs in zijn dromen nooit gezien had.

"Verkoop mij die stof!" smeekte de rijke hem dringend. "Als tienduizend te weinig is geef ik twintigduizend!"

Twintigduizend goudstukken! Kotaro's hart bonsde van vreugde. Nu zou zijn dankbare Komatschi toch wel tevreden zijn, zelfs al had hij zijn laatste geld niet uitgegeven. En hij verkocht de stof.

De rijke liet hem dadelijk de twintigduizend goudstukken uitbetalen en het was zo'n vracht, dat Kotaro ze nauwelijks kon dragen. Tevreden ging hij op weg, maar vorderde langzaam. Want het was heel iets anders om twintigduizend goudstukken op de rug te dragen dan een vederlichte lap stof!

Eindelijk kwam hij thuis en 'de dankbare Komatschi', die inmiddels weer aangesterkt was, omhelsde hem hartelijk. Op haar vraag hoeveel de stof had opgebracht, wees Kotaro trots op zijn reistas en zei: "Twintigduizend goudstukken zitten daarin! En niet één ontbreekt eraan, ik heb ze geteld."

De oudjes verstijfden van schrik. Zoveel geld konden zij zich niet eens voorstellen en zij smeekten Kotaro de tas te openen. Alleen 'de dankbare Komatschi' keek haar man verwonderd aan. "Heb je de stof dan toch verkocht voordat de twee goudstukken waren uitgegeven?" vroeg zij teleurgesteld. "Als je niet zo haastig was geweest, zou je dertigduizend goudstukken gekregen hebben. Nu hebben wij er dus tienduizend verloren," Maar ineens keek zij hem stralend aan en riep: "Ach, zo is het immers ook genoeg! Ik ga een heerlijk feestmaal klaarmaken, om de thuiskomst van mijn man te vieren."

Zij bouwden een mooi, groot huis en Kotaro werd een rijke koopman. 'De dankbare Komatschi' hielp hem zoveel zij kon, voedde haar zoon op en zorgde liefdevol voor de oudjes. Het ontbrak hun aan niets en Kotaro bleef, ondanks zijn rijkdom, een eenvoudig mens met een warm hart voor anderen.

Zo hadden zij, tot aan het einde van hun dagen, gelukkig kunnen leven, als Kotaro's moeder, die steeds de grote berg goudstukken voor ogen hield, haar schoondochter niet iedere dag geplaagd had met de vraag: "Waarom weef je niet een tweede lap stof? Je weet hoeveel geld die opbrengt! Je hebt wel alles wat je hart begeert, maar je kunt het kwijtraken. En je weet niet waar je het in de toekomst nog voor nodig hebt. Een werkelijk goede moeder denkt aan haar zoon. Als je nog één zo'n stuk stof weeft..." En zo ging dat dag in, dag uit.

Vergeefs trachtte 'de dankbare Komatschi' haar schoonmoeder te overtuigen dat zij absoluut geen zorg voor de toekomst hoefden te hebben. Zij waren gezond, de zaak ging goed! Maar altijd weer eindigde het oudje met de woorden: "Ach wat, je bent gewoon lui! Een ander in jouw plaats zou voor haar familie doen wat ze kon."

Tenslotte sprak Komatschi haar niet meer tegen en liet, in een eenzaam, hooggelegen kamertje, het weefgetouw neerzetten. Toen Kotaro hoorde dat zijn vrouw weer wilde gaan weven, ried hij het haar ernstig af. "Denk er toch aan hoe zwak je geworden bent, de vorige keer. En dan, wij zijn toch rijk genoeg!"

Maar zijn vrouw lachte treurig en zei: "Kom jongen, drie jaren zijn vlug voorbij. Doch ik vraag je weer dringend, mij niet onder het werk te storen."

En, net als jaren geleden, ging zij weer iedere ochtend naar het kamertje en kwam pas 's avonds tevoorschijn. En reeds na enkele dagen kon men zien hoe het weven haar afmatte. Haar gezichtje werd bleek en de ceintuur van haar kimono kon zij steeds nauwer aantrekken, zo mager was ze!

"Wat zou zij toch uitvoeren?" mompelde haar schoonmoeder vaak in zichzelf. "Andere vrouwen weven toch ook en waarom worden die niét bleek en doen ze helemaal niet geheimzinnig?"

Op een ochtend wachtte zij tot allen aan het werk waren en sloop toen op haar tenen naar het kamertje waar 'de dankbare Komatschi' zat te weven. Zij knielde voor de deur en schoof die, heel zacht, een beetje opzij. Door de kier zag zij het weefgetouw en daarvoor stond een witte kraanvogel, die zich met zijn snavel veertjes uittrok. Uit veel kleine wondjes siepelde bloed en aan de beide vleugels ontbraken heel wat veren!

Onverwacht keek de kraanvogel om, zag door de kier het gezicht van de oude, gaf een luide, smartelijke schreeuw en vloog door het open venster de tuin in.

Kotaro had de schreeuw gehoord en snelde geschrokken naar boven. Toen zijn moeder hem vertelde wat zij gezien had, liep hij vlug de tuin in en onderzocht iedere boom. En eindelijk, daar zag hij, tussen het groen, de witte kraanvogel schemeren. De gehavende vleugels hadden hem niet verder kunnen dragen.

Met tranen in zijn ogen klom Kotaro naar boven, nam de stervende kraanvogel in zijn armen en streelde, diep bewogen, de met bloed bevlekte witte vleugels. Toen hoorde hij een zwakke stem: "Herinner je je nog hoe je eens een witte kraanvogel het leven gered hebt? Ik ben naar je toe gekomen om je te belonen. Maar nu heeft mijn laatste uur geslagen... zorg goed voor onze zoon..."

Wenend begroef Kotaro de vogel in zijn tuin. Hij veranderde zijn naam en wilde nu alleen nog 'de dankbare Kotaro' heten. Iedere dag ging hij, samen met zijn zoon, de tuin in. Dan stonden zij lange tijd aan het graf, dachten aan de lieve jonge vrouw en keken omhoog om te zien of langs de blauwe hemel niet een eenzame kraanvogel zweefde...


*   *   *

De witte kraanvogel Samenvatting
Een Japans sprookje over behulpzaamheid en dankbaarheid. Een behulpzame jongen redt op een dag een witte kraanvogel uit een boomtop en geneest zijn wonden. Een tijdje later staat er een meisje voor de deur dat zichzelf 'de dankbare Komatschi' noemt en met hem wil trouwen. Ze weeft een bijzonder kleed dat de jongen rijkdom in overvloed oplevert, totdat de moeder achter een geheim komt... Lees het verhaal

Toelichting
In Japan wordt de kraanvogel als gelukbrengend beschouwd, als symbool van een lang leven en afgebeeld met andere symbolen van een lang leven als pijnboom, bamboe en schildpad. In het feodale Japan werd de kraanvogel beschermd door de heersende macht en gevoerd door de boeren. Toen het feodale systeem werd afgezworen in het Meiji-tijdperk in de 19e eeuw werd de bescherming van de kraanvogels stopgezet, wat hen bijna aan de grens van de uitroeiing bracht. Japan noemde een van haar eilanden Tsuru (Kraanvogel). Als iemand, volgens de traditie, 1000 origami-kraanvogels vouwt zal zijn wens tot gezondheid in vervulling gaan.

Meer verhalen over de kraanvogel:

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Japanse sprookjes" bewerkt door Marijke van Raephorst. Uitgeverij N. Kluwer, Deventer, 1971.

Herkomst: Japan
Verteltijd: ca. 24 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook