Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 39 min.
Herkomst:




De zes draken

Ver over zee, niemand weet precies waar, leefde eens een koning die drie zonen en drie dochters had. De koning was heel oud en stond al met een been in het graf. Toen hij voelde dat hij ging sterven, liet hij zijn zonen roepen en zei: "Luister mijn zonen! Jullie zusters moeten jullie aan de eerste de beste geven die om hun hand vraagt. Als jullie in het bos gaan jagen, pas dan op voor de oude populier en als het soms 's nachts te laat wordt om naar huis te gaan, ga er dan nooit onder liggen slapen." Niet lang daarna stierf de oude koning en toen kreeg zijn jongste zoon het koninkrijk.

Op een avond, toen ze allen bij elkaar aan het avondeten zaten, klonk een stem bij het raam: "Geef mij toch jullie oudste zuster!" De zonen wilden aan het bevel van hun vader gehoorzamen en gaven haar direct aan hem over door het raam. De volgende dag om dezelfde tijd eiste iemand de middelste dochter op en ook die gaven ze weg. Op de derde avond vroeg weer een stem om de jongste dochter en ook haar staken ze door het raam naar buiten. Zo waren toen de drie koningszonen helemaal alleen.

Op een dag gingen ze jagen in het bos en toen de avond viel, stonden ze toevallig precies onder de boom die hun vader had verboden. Ze dachten wel aan zijn waarschuwing, maar wilden toch ook wel graag weten wat de reden was van zijn verbod. Daarom legden ze zich onder de boom te slapen, want ze waren heel moe, en de oudste koningszoon hield de wacht. Er brandde een flink vuur en hij hield dit ook goed aan de gang. Plotseling merkte hij dat het vuur door iets werd opgegeten en langzaam maar zeker werd ingeslikt. Toen hij goed keek, zag hij dat het een grote draak met drie koppen was. Direct ging hij hem met zijn sabel te lijf. Ze vochten een poos, maar uiteindelijk overwon hij de draak, groef een kuil voor hem onder de boom en begroef hem daarin. Toen de dag weer was aangebroken, stonden de beide jongste broers op, maar van de nachtelijke gebeurtenissen hadden ze niets gemerkt en de oudste broer sprak er ook met geen woord over.

Enige tijd later gingen ze weer op jacht in het bos en legden zich daarna opnieuw onder de boom te slapen. Deze keer hield de middelste zoon de wacht, terwijl de anderen sliepen. Toen hij daar zo met getrokken sabel onder de boom heen en weer liep, merkte hij plotseling dat het vuur door iets werd opgegeten en langzaam ingeslikt en toen hij goed keek, zag hij dat het een zeskoppige draak was. Onmiddellijk sloeg hij naar hem met zijn sabel en er ontstond een lang gevecht, maar ten slotte doodde de koningszoon toch de draak en begroef hem onder de boom. De volgende ochtend stonden de andere broers op, maar van wat er 's nachts was gebeurd, hadden ze niets gemerkt.

De derde keer dat ze onder de boom overnachtten, hield de jongste broer de wacht. Toen deze met zijn blanke sabel heen en weer liep, zag hij plotseling dat het vuur door iets werd opgegeten en ingeslikt. Deze keer merkte hij het echter pas toen alles al was verdwenen. Toen hij goed keek zag hij dat het een negenkoppige draak was. Ook nu sloeg hij direct met zijn sabel naar hem en vochten ze lang met elkaar. Uiteindelijk werd ook deze draak door de koningszoon verslagen en net als de vorige onder de boom begraven.

Toen peinsde de koningszoon echter hoe hij aan vuur kon komen en hij ging het bos in om te kijken of hij daar wat kon vinden. Plotseling zag hij een klein lichtje flikkeren, hij ging erop af en zag hoe de nacht met het morgenrood in gevecht was.

"Waarom vechten jullie?," vroeg hij. "Omdat," zei het morgenrood, "ik graag wil opkomen, maar de nacht houdt me tegen." Daarop sneed de koningszoon zijn broekriem in tweeën en bond de beide kemphanen elk aan een boom. Toen pakte hij het lichtje en ging er vandoor, maar voordat hij de plek had bereikt waar zijn broers lagen te slapen, was het al uitgegaan en moest hij opnieuw op zoek naar vuur. Zo dwaalde hij rusteloos door het bos, maar plotseling zag hij een open plek waar hemelhoog een geweldig vuur brandde.

Toen hij dichterbij kwam, zag hij drie reuzen om het vuur liggen slapen. Voorzichtig liep hij tussen hen door en pakte een flink stuk brandend hout. Toen hij zich omdraaide, viel er echter een brandend stuk op de rug van een van de reuzen. Deze greep de koningszoon onmiddellijk beet en zei tegen de tweede reus: "Kijk eens, ik heb een mug gevangen!"

Toen zei de andere reus: "Doe hem geen kwaad, dat is immers de kleine koningszoon. Wat zullen we met hem doen?"

De derde zei: "Braden zullen we hem, braden en opeten!"

Daarop smeekte de koningszoon de reuzen hem toch geen kwaad te doen.

"Goed," zei een van de reuzen, "we zullen je niets doen, als jij doet wat we van je verlangen."

De koningszoon beloofde ze goud en rijkdommen als ze hem maar loslieten, maar toen zei de grootste reus tot hem: "Luister. Die en die koning heeft drie dochters. We wilden ze al ophalen, maar dat lukte niet, want er zijn een haan en een hond die onmiddellijk onraad bespeuren en aanslaan. Als jij voor ons de drie koningsdochters haalt of de haan en de hond doodslaat, kun je gaan waarheen je maar wilt."

Daarop zei de koningszoon: "Goed, dat wil ik doen, maar geef me alleen een kluwen touw mee. Het uiteinde laat ik hier, dat moet een van jullie vasthouden. Zodra ik aan het touw trek, kom me dan te hulp."

Toen ging de koningszoon rechtstreeks op weg en hij was al in de buurt van het kasteel toen hij bij een rivier kwam en niet wist hoe hij aan de overkant moest komen. Direct trok hij aan het touw en onmiddellijk stond ook een van de reuzen naast hem. Deze gooide een eik over het water en zo kon de koningszoon oversteken.

Nu ging hij het slot binnen. De haan en de hond merkten zijn aanwezigheid niet op, omdat hij tegen de wind in liep. Allereerst liep hij de slaapkamer van de oudste dochter binnen en zag haar op een koperen bed liggen. Hij trok haar gouden ring van haar vinger en deed hem zelf om. Vervolgens ging hij de kamer ernaast binnen en zag daar de middelste dochter op een zilveren sofa liggen. Ook haar nam hij een gouden ring af en stak hem aan zijn eigen vinger. Ten slotte ging hij de derde kamer binnen en zag daar de jongste en mooiste dochter op een gouden sofa liggen. Ook bij haar trok hij de gouden ring van haar vinger, maar tegelijkertijd kreeg hij haar lief, omdat ze zo mooi was, en hij begon zich af te vragen hoe hij zich van de reuzen kon ontdoen.

Daarom trok hij aan het touw en meteen stond een van de reuzen buiten en maakte aanstalten naar binnen te gaan. De deur was echter veel te laag voor iemand van zijn lengte, zodat hij zich moest bukken en zijn hoofd buigen. Dat hoofd sloeg de koningszoon er toen zo finaal af, dat het leek alsof het er nooit was geweest en het lichaam sleepte hij in een hoek. En weer trok hij aan het touw en daar verscheen de tweede reus en deze boog ook zijn hoofd. Direct sloeg de koningszoon het af en zijn lichaam sleepte hij in de hoek naast dat van de eerste reus. Voor de derde keer trok hij aan het touw en daar was de derde reus, die het net zo verging als de andere twee.

Wat moest hij nu echter doen? Plotseling herinnerde hij zich dat hij het morgenrood en de nacht naast elkaar aan een boom had gebonden. Hij ging er onmiddellijk heen en maakte ze los en toen brak ook meteen de dag aan. Vervolgens ging hij terug naar de grote boom waaronder zijn broers lagen te slapen en maakte ze wakker. De oudste broer zei: "Drommels broertje, dat was een lange nacht!"

"Ja," antwoordde de kleine koningszoon, "dat kun je wel zeggen, lieve broer!" Toen pakten ze hun spullen en gingen regelrecht naar huis.

Op een dag zei de jongste zoon tegen zijn beide oudere broers: "Het wordt tijd op zoek te gaan naar een vrouw voor ons. Ik weet drie mooie koningsdochters te wonen." Daarop trokken de drie zonder verder uitstel door zeven en nog eens zeven landen aan de overkant van de zee tot ze bij de stad kwamen waar de drie koningsdochters woonden.

Toen zei de jongste zoon tegen zijn beide broers: "Blijf hier, ik wil de stad binnengaan en om de hand van de drie koningsdochters vragen." Zijn broers bleven wachten en hij ging de stad in. Hij was al bij de poort van het kasteel gekomen waar de koning woonde, toen er plotseling een man voor hem stond en hem vroeg waar hij heen wilde. Hij antwoordde: "Naar de koning. Ik wil voor ons drieën om de hand van zijn drie dochters vragen."

"Dat mag iemand pas doen," zo zei de ander, "als hij op deze trommel heeft geslagen. Als hij echter op de vragen die het instrument hem stelt geen antwoord kan geven, dan moet hij sterven, ook al heeft hij duizend zielen."

Toen sloeg de koningszoon op de trommel en het instrument vroeg hem van alles over de reuzen die hij had gedood. Hij wist de vragen stuk voor stuk te beantwoorden en bekende ook dat hij de reuzen had vermoord.

Toen zei de koning tot hem: "Je mag een van mijn dochters uitkiezen." Hij riep zijn broers erbij en zo kozen ze de drie koningsdochters, waarbij hij natuurlijk de jongste uitzocht. Vervolgens werd de bruiloft zo groots gevierd, dat de bruine jus van het gebraden vlees van Lützelburg tot Michelburg stroomde. De vader van de meisjes had geen zoon en daarom gaf hij het koninkrijk aan zijn jongste schoonzoon, maar hij stond erop dat ze gezamenlijk bleven wonen.

Nu wilde de koningszoon op een dag naar het koninkrijk dat zijn eigen vader hem had nagelaten, maar zijn vrouw wilde hij meenemen. De oude koning zei: "Neem haar niet mee, mijn zoon, want je kunt haar slechts bij je houden tot je bij de grens komt, daarna roven ze haar direct bij je weg." Maar zijn vrouw wilde heel graag mee en zo gingen ze toch samen op weg, onder begeleiding van wel veertig sterke soldaten. Toen ze echter de grens overgingen, werd de koningin zo plotseling uit de koets gesleurd, dat hij totaal niet begreep wat hem overkwam.

Toen ging de koningszoon weer helemaal terug naar huis en zei tegen zijn schoonvader: "Stel je voor, vadertje, ze hebben mijn koningin geroofd, precies zoals u, mijn koninklijke vader, mij had voorspeld. Maar ik heb geen rust tot ik haar heb gevonden." Daarop verzocht hij de oude koning hem te vertellen naar welk land ze zijn dochter hadden gebracht. Deze antwoordde echter: "Vraag slechts naar het witte land. Als je haar daar niet vindt, zie je haar beslist nooit meer terug."

Toen ging hij op weg en trok door zeven en nog eens zeven landen. Plotseling kwam hij bij een kasteel. Hij ging naar binnen en daar trof hij zijn oudste zuster aan en vroeg haar: "Is dit waar je terecht bent gekomen?"

"Ja zeker," antwoordde ze, "mijn man is een vierkoppige draak. Ik leef met hem zo goed en zo kwaad als het gaat."

Plotseling kwam nu de draak binnen en zei: "Gegroet zwager, waar wil je naartoe?"

"Ik ben op zoek naar het witte land. Kun jij me niet zeggen hoe ver dat nog is, zwager?"

"Dat weet ik waarachtig niet," antwoordde de draak, "maar een van mijn dieren weet daar vast wel iets van." Toen riep hij al zijn dieren bij elkaar, maar er was er niet een die zelfs maar van het witte land had gehoord.

Toen ging de koningszoon weer op weg en trok rusteloos door zeven en nog eens zeven landen. Plotseling kwam hij bij een kasteel, hij ging naar binnen en daar trof hij zijn tweede zuster aan, die getrouwd bleek te zijn met een achtkoppige draak. Zijn zwager vroeg hem waar hij heen wilde. "Ja zwager," zei de koningszoon, "ik zou graag naar het witte land willen, als ik het maar kon vinden. Weet jij niet waar het ligt?"

"Ik weet het waarachtig niet," zei de draak, "maar een van mijn dieren weet het vast wel." Direct riep hij zijn dieren bij elkaar en vroeg hun of ze soms het witte land kenden en wisten hoe ver het was. Maar ze antwoordden alle dat ze zelfs de naam nog nooit hadden gehoord.

Toen ging de koningszoon heel treurig weer op weg en trok verder door zeven en nog eens zeven landen. Plotseling kwam hij opnieuw bij een kasteel. Hij ging naar binnen en daar zag hij zijn jongste zuster zitten, die nog jonger was dan hij zelf. Ze huilde en las in een boek. Haar echtgenoot was een twaalfkoppige draak. Ook die vroeg hem: "Waar wil je heen?"
"Ja zwager," antwoordde de koningszoon, "ik wil naar het witte land. Heb jij daar ooit van gehoord? Weet je misschien hoe ver het nog is?"

"Ik weet het waarachtig niet," zei de draak, "maar een van mijn dieren weet het vast wel." Daarop riep hij zijn dieren bij elkaar en vroeg hun of ze soms ooit van het witte land hadden gehoord, maar ze antwoordden alle dat ze er nooit van hadden gehoord. Plotseling, toen de andere dieren al waren weggelopen, hinkte een lamme wolf naar hem toe. Ook hem vroeg de draak of hij wel eens van het witte land had gehoord.

"Ik wel," zei de wolf, "daar heb ik mijn poot gebroken toen ik een schaap wilde halen."

"Prachtig," zei de draak tegen hem, "dan breng jij deze koningszoon erheen. Een paar schapen zul je daar zeker voor krijgen."

"Nee, daar ga ik niet meer heen," zei de wolf, "niet voor drie hele schaapskudden. Ik wil hem hoogstens tot aan de grens brengen." Toen kreeg de wolf alvast een schaap als voorschot en ook de koningszoon at zoveel als hij kon, voordat ze zonder ophouden door zeven en nog eens zeven landen trokken. Eindelijk bracht de wolf de koningszoon naar een bergtop en zei tot hem: "Kijk, daar ligt het witte land. Ga nu je eigen weg, want ik keer hier weer om."

Toen liep de koningszoon regelrecht door tot hij uiteindelijk bij een kleine bron buiten een grote stad kwam. Daar ging hij even zitten. Het water uit deze bron had echter de eigenschap dat het iedereen die ervan dronk onmiddellijk verfriste. Toen hij daar zo zat, zag hij plotseling zijn vrouw met een gouden kruik naar de bron komen. Ze herkenden elkaar meteen en omarmden en kusten elkaar. "Mijn lieve vrouw," zei de koningszoon, "je ziet dat ik helemaal hier naartoe ben gekomen om je te bevrijden."

"Ja," zei de koningin, "maar hoe dat moet gaan, weet ik waarachtig niet, want de witte ridder die me van jou heeft weg geroofd en bij wie ik nu nog woon, heeft een paard dat zo snel kan lopen als de gedachten. Als ik met je zou vluchten, zou hij ons beslist inhalen en dat zou ons allebei ons hoofd kosten. Maar ik kan je wel zeggen waar je heen moet gaan. Daar en daar woont een oude vrouw die drie merries heeft. Dat zijn haar eigen dochters. Verhuur je aan haar als paardenknecht, maar verlang geen ander loon dan eerst een veulentje, dan een oud zadel dat op de vliering ligt en helemaal is bedekt met kippenmest en ten slotte een teugel. Als het veulen volgroeid is, kun je me redden, anders niet. Het paard van mijn witte ridder komt namelijk ook daar vandaan, daarom kan hij zo snel rennen."

Daarop ging de koningszoon op weg en trok regelrecht naar de plaats waar de oude vrouw woonde. Onderweg zag hij plotseling een kleine vis op het droge liggen. "Gooi me toch terug in de vijver, lieve koningszoon," smeekte het visje, "dan zal ik je belonen." En zo gooide hij het visje weer in de vijver. Het beestje overhandigde hem als dank een fluitje en zei: "Als je ooit in nood bent, blaas dan op dit fluitje, dan kom ik je te hulp." De koningszoon stopte het fluitje in zijn zak en trok verder. Plotseling zag hij een mier die vocht met een vlieg. "Help me lieve koningszoon," zei de mier, "dan zal ik je belonen." Toen redde hij de mier en ook dit dier gaf hem een fluitje. Als hij ooit in nood kwam, dan hoefde hij daar slechts op te blazen, dan zou de mier hem te hulp komen. Ook dit fluitje stopte hij in zijn zak.

En verder reisde de koningszoon, tot hij een kreupele vos vond. "Ach lieve koningszoon," zei de vos, "leg wat pijlkruid op mijn poot en verbind hem, dan zal ik je belonen." De koningszoon legde wat van het kruid op de poot en verbond hem. Toen gaf ook de vos hem een fluitje waar hij op moest blazen als hij ooit in nood kwam. Hij zou hem dan snel te hulp komen.

Ook dit fluitje stopte de koningszoon in zijn zak en weer trok hij verder tot hij eindelijk bij de oude vrouw kwam naar wie zijn vrouw hem gestuurd had om haar te dienen. Hij ging naar binnen en begroette haar met de woorden: "Goedenavond oud moedertje."

"Goedenavond mijn zoon," zei de oude vrouw, "wat zoek je hier?"

"Ik ben op zoek naar werk en nu heb ik gehoord dat u, oud moedertje, een paardenknecht nodig hebt."

"Die heb ik zeker nodig," zei de oude vrouw, "maar heb je wel verstand van paarden? Buiten op die palen zijn namelijk al negenennegentig mensenhoofden gestoken en dat van jou wordt het honderdste als je niet voldoet."

Toen verhuurde de koningszoon zich voor een jaar als paardenknecht, maar een jaar duurde daar slechts drie dagen, 's Avonds zette de oude vrouw hem een heerlijke, slaapverwekkende soep voor en stuurde hem vervolgens met de paarden naar buiten.

De koningszoon was echter heel moe en daarom ging hij liggen en viel vast in slaap. Plotseling werd hij wakker en zag dat de dag al was aangebroken, maar dat de merries nergens te bekennen waren. Wat moest hij beginnen? Toen herinnerde hij zich het fluitje dat het visje hem had gegeven. Hij blies erop en onmiddellijk verscheen het visje. "Nu, wat scheelt eraan," vroeg het dier hem. "Ach, mijn paarden zijn verdwenen!"

"Wees maar niet bedroefd en kom met me mee." Ze vertrokken direct en het visje bracht de koningszoon bij een vijver. Aan de rand van de vijver zwommen drie goudvissen. "Zie je dat," zei het visje tegen hem, "dat zijn je paarden. Gooi de teugel over ze heen en ga op hun rug zitten, want dan worden het weer paarden." Toen gooide hij de teugel over ze heen, ging zitten en reed naar huis.

"Wel allemachtig, ben jij terug?," zei de oude vrouw tegen hem.

"Ja, ik ben er weer, oud moedertje."
Toen ging de vrouw naar de stal, pakte de hooivork en joeg haar merries van de ene hoek naar de andere. "Vreselijke beesten," riep ze, "jullie zijn zeker helemaal verliefd op de paardenknecht?"

"Ach moeder," zeiden de merries, "die kan meer dan brood eten!"

De volgende avond stuurde ze de jongeman weer met de merries naar buiten en deze keer bond hij ook nog hun poten vast voordat hij in slaap viel. Toen hij de volgende ochtend wakker werd, waren de paarden echter verdwenen. Hij zocht ze overal, maar kon ze nergens vinden. Plotseling herinnerde hij zich het fluitje dat de mier hem had gegeven. Hij haalde het uit zijn zak, blies erop en direct stond de kleine mier naast hem en vroeg: "Nu, wat scheelt eraan?"

"Ach, mijn paarden zijn gedurende de nacht weer verdwenen en ik kan ze nergens vinden."

"Maak je maar niet ongerust, we zullen de heuvel oplopen. Uit de mierenhoop die daar ligt, zullen drie rode mieren kruipen. Je hoeft alleen maar de teugel over ze heen te gooien, want dat zijn jouw merries." Ze gingen op weg en vonden de mierenhoop, waar inderdaad drie rode mieren uitkwamen. Onmiddellijk wierp hij de teugel over ze heen en toen veranderden ze weer in paarden. Zo reed hij terug naar huis.

Opnieuw zei de oude vrouw: "Wel allemachtig, ben jij terug?"

"Ja zeker ben ik terug, oud moedertje," antwoordde hij. Toen ging ze weer naar de stal en joeg de merries flink van de ene kant naar de andere, omdat ze zich zo slecht hadden verstopt. "Ach moeder," zeiden de merries, "hij kan meer dan jij!"

De derde avond zette ze de koningszoon weer een stevige slaapverwekkende soep voor en stuurde hem vervolgens met de merries op pad, maar voor die tijd had ze tegen haar dochters gezegd direct weer naar huis te komen. Deze keer wilde ze ze zelf verstoppen. De jongeman trok er met de merries op uit, ging liggen en viel in slaap.

Toen hij de volgende ochtend wakker werd, waren de paarden weer verdwenen. Hij zocht ze overal, maar kon ze nergens vinden. Toen herinnerde hij zich het fluitje dat de vos hem had gegeven. Hij blies erop en direct stond de vos naast hem. "Wat is er aan de hand, mijn lieve koningszoon?"

"Ach," antwoordde deze, "ik ben mijn paarden kwijt."

Toen zei de vos: "Deze keer zijn ze op een hele moeilijke plaats. Ze zijn alle drie veranderd in eieren. De oude vrouw zit op een stoel te spinnen en onder de stoel staat een mand en daarin liggen de eieren. Nu heeft de oude vrouw een gouden haan en een gouden kip in het kippenhok. Die zal ik de kop afbijten. Ga zodra de oude vrouw van haar stoel opspringt de kamer in en gooi de teugel om de eieren heen, dan veranderen ze meteen weer in paarden."

Ze gingen direct op weg, tot ze bij het huis van de oude vrouw kwamen. De vos sloop de vliering op en doodde de kip en de haan. Onmiddellijk stoof de oude vrouw de vliering op en riep: "Vort, vort vos. De honden komen eraan en zullen je verscheuren!"

Ondertussen rende de koningszoon echter het huis binnen en gooide de teugel over de eieren. Meteen werden het weer paarden, die hij naar de stal bracht. Toen kwam de oude vrouw terug en wilde de eieren controleren, maar ze vond alleen het lege nest en schudde verbijsterd haar hoofd.

De volgende dag riep ze de jongeman en zei tegen hem: "Mijn zoon, je hebt het jaar eervol uitgediend, wat wil je als loon hebben?"

"Ik verlang niets anders," antwoordde hij, "dan het magere veulen dat een van de merries gisteren heeft gekregen, en verder het oude zadel vol kippenmest dat boven op zolder ligt en ten slotte een teugel."

"Wat wil je daar nu mee beginnen? Ik geef je liever zoveel geld als je maar wilt hebben."

"Nee," zei de jongeman, "ik wil niets anders dan die drie dingen." Toen moest de oude vrouw hem ten slotte wel geven wat hij vroeg.

Toen nam de koningszoon het veulentje op zijn rug, want het kon nog niet goed lopen. Ook het zadel en de teugel nam hij mee en onophoudelijk liep hij door. Toen hij 's avonds wat uitrustte, zei het veulen: "Laat me naar huis gaan om te drinken! Morgenochtend ben ik weer terug." Hij liet het veulen naar huis gaan om te drinken en legde zich te slapen. De volgende morgen was het veulen weer terug, stootte hem tegen zijn voet en zei: "We moeten weer verder, baas!"

Zo trokken ze rusteloos verder. Toen hij weer zijn kamp opsloeg voor de nacht zei het veulentje: "Laat me naar huis gaan om te drinken, morgen ben ik weer terug." Dus liet hij het veulen naar huis gaan en legde zich te slapen. De volgende morgen stootte het veulen weer tegen zijn voet en zei: "We moeten verder."

De koningszoon wilde het veulen weer op zijn rug nemen, maar het dier zei: "Lieve baas, tot nu toe heb je mij gedragen, maar nu draag ik jou." Dus zadelde de koningszoon zijn paardje, ging op zijn rug zitten en zo snel als de wind gingen ze er vandoor tot ze bij de bron kwamen waar de koningszoon zijn vrouw voor het eerst had teruggezien.

Daar liet hij zijn paardje drinken en dronk ook zelf. Plotseling verscheen ook zijn vrouw met haar gouden kruik om water te halen. Toen kon hij zeggen: "Lieve vrouw, dit is het paard waarvoor ik me als paardenknecht heb verhuurd. Laten we.op zijn rug gaan zitten en er vandoor gaan."

Toen ze op zijn rug zaten, zei het paard: "Hoe snel moet ik lopen? Zo snel als de wind of zo snel als de gedachte?"

"Doe wat je zelf wilt," zei de koningszoon.
En zo vlogen ze er vandoor.
Ondertussen begon het paard van de witte ridder in zijn stal te stampen en te steigeren. De witte ridder ging naar hem toe en vroeg: "Wat scheelt je? Zo kunnen straks de wolven en honden je bloed likken!"

"Ze hebben de mooie vrouw gestolen," antwoordde het paard, "op een veulen voeren ze haar weg." Toen de witte ridder dat hoorde sprong hij op zijn paard en weg stormden ze, zo snel als de gedachte.

Ze waren de koningszoon al dicht genaderd toen de witte ridder tegen zijn paard zei: "Hinnik toch tegen dat andere paard dat hij op je moet wachten." Zijn paard hinnikte, maar het veulen hinnikte terug: "Ik wacht pas als je me hebt ingehaald," Daarop gooide het paard zijn achterpoten in de lucht en stormde zo hard weg, dat de witte ridder meteen werd afgeworpen en te pletter viel. Nu wachtte het veulen op hem. De koningszoon zette zich op het paard van de witte ridder, zijn vrouw bleef op het veulen zitten en zo reden ze naar huis. Daar gaf de koningszoon een geweldig feestmaal uit vreugde over het feit dat hij zijn vrouw had teruggevonden en thuisgebracht. Niet lang daarna stierf ook de oude koning en zo bleef hij met zijn vrouw in het koninkrijk wonen, en als ze niet gestorven zijn, dan leven ze nu nog.


*   *   *

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Hongaarse sprookjes" samengesteld door Leander Petzoldt, vertaald door Uta Anderson. Uitgeverij Elmar, Rijswijk, 1996. ISBN: 90-389-03839

Herkomst: Hongarije
Verteltijd: ca. 39 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook