Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 37 min.
Herkomst:




De zoons van de koopman Een Italiaans sprookje uit de Pentamerone over een drakendoder

Er was eens een schatrijk koopman, genaamd Antoniello, die twee zonen had, Cienzo en Meo, zo op elkaar gelijkend, dat men de een niet van de ander kon onderscheiden. Nu gebeurde het, dat Cienzo, de oudste, de zoon van de koning van Napels uitgedaagd had voor een partijtje steen werpen, waarbij hij zijn schedel verpletterde. Om dit ongeluk foeterde Antoniello hem uit: "Zozo, dat heb jij hem mooi gelapt! Bazuin het maar flink uit! Beroem je er op, sufferd! Steek het op een staak, dan kan iedereen het zien! Daar heb je me nota bene kapot gemaakt wat geen kleinigheid waard is! Je hebt immers de zoon van de koning zijn kop verpletterd? Had je dan geen maatstok bij je, om de afstand te meten, die er tussen jou en de koningszoon bestaat, ezelsveulen dat je bent? Wat gaat er nu met je gebeuren? Je hebt zo slecht huisgehouden, dat ik geen schijntje vertrouwen meer in je heb. Al zou je weer teruggaan in de schoot van je moeder, waaruit je gekomen bent, ik zou je niet kunnen garanderen, je uit de handen van de koning te houden, want je weet, dat hij lange armen heeft, die overal heen reiken; en wat hij doen zal, zal vreselijk zijn!"

De zoons van de koopman
Nadat de vader dit tot in den treuren gezegd had, antwoordde Cienzo: "Mijn vader en heer, ik heb altijd horen beweren, dat het beter is, het gerecht in huis te hebben dan de dokter. Was het niet veel erger, als hij mijn hoofd verpletterd had? Ik werd uitgedaagd, we zijn jong, het ging hier om een kleine kwestie. Dit is mijn eerste misdrijf en de koning is een verstandig mens. Wat kan hij mij per slot van rekening doen? Ik ben niet bang!"

"Wat hij je kan doen?" vroeg Antoniello. "Hij kan je deze wereld uit jagen, hij kan je van lucht laten veranderen. Hij kan je op de galeien laten roeien. Hij kan je een koord van drie palm lengte, ingezeept en wel, om je hals laten leggen, om je te verenigen met de galg en de voeten van vadertje beul op je schouders te voelen! Daarom moet jij je leven niet op het spel zetten, maar nog op dit ogenblik weggaan, als je tenminste niet gepakt wilt worden. Beter een vogel in de vrije natuur dan in een kooi te zijn. Hier heb je geld, neem een paard, van de twee toverpaarden, die ik in de stal heb, en een hond, die ook toverkracht bezit; en talm niet langer. Beter de benen te nemen, dan de benen van de beul op je schouders te voelen; beter een eind te vluchten, dan een eind koord om je nek te krijgen. Als je niet onmiddellijk de biezen pakt, zal geen rechter je kunnen helpen!"

Cienzo vroeg zijn vader om de zege, steeg te paard en met het hondje in de armen begaf hij zich buiten de stad. Doch toen hij de Capuana-poort uit was, wendde hij het hoofd om en sprak: "Nu verlaat ik u, mijn schoon Napels! Wie weet, of het mij wel ooit gegeven zal zijn, uw klinkers van suikergoed en muren van koningsdeeg weer te zien? O, stad, waar de stenen van manna zijn, de balken van suikerriet, de deuren en vensters van honingkoek. Ai mij, nu ik u, mijn schone wijk Pennino verlaat, heb ik het gevoel naar het schavot te gaan. Nu ik mij verwijder van u, Piazza Larga, krimpt mijn hart ineen; mij afkerende van u, Piazza dell'Olmo voel ik mij flauwvallen. Nu ik van u, Lancieri-straat, afscheid neem, is het mij, of ik door een lansier doorboord wordt en bij het verlaten van u, Forcella-straat, meen ik, aan de galg de laatste adem uit te blazen! Waar zal ik een andere Havenwijk vinden, o zoete haven van al het wereldse geluk? Waar een andere Gelsi (moerbeibomen) wijk, waarin de rupsen van liefde doorlopend cocoonen van genot verschaffen? Waar een ander Pertuso, nest van alle deugdzame lieden? Waar een andere Loggia, waar het vette der aarde huist en de smaak zich verfijnen laat? Ach, dat ik mij niet verwijderen kan van u, mijn Lavinaro-straat, zonder dat een stortvloed mij uit de ogen stroomt! Ik kan u niet verlaten, mijn Mercato, zonder gemerkt te worden door smart! Ik kan niet scheiden van u, schone Piaggia, zonder dat duizend plagen mijn hart verwonden! Vaarwel, peentjes en bieten, adieu honing en kastanjekoeken; adieu bloemkooltjes en gezouten tonijn; tot weerziens, lekkere worstjes en smakelijke gehaktballetjes. Vaarwel, bloem der steden, sieraad van Italië, troetelkind van Europa, spiegel der wereld! Vaarwel Napels 'non plus ultra', waar de Deugd haar eindpunt en de Gratie haar grenspalen geplaatst heeft! Ik ga er uit weg en zal verstoken blijven van uw vette koolsoepje, uitgewezen uit dat schone oord; mijn kooltjes, ik laat je achter!"

Onder het uitspreken van die jammerklachten reed hij zo ver, tot hij de eerste avond bij Cascano kwam, bij een bos, dat het zonlicht buiten zijn grenzen hield en zich vermeide met de stilte en de duisternis.

Daar was een oud huis aan de voet van een ruïne en hij klopte er aan. Doch de eigenaar, die vermoedde, dat er rovers waren, omdat het reeds nacht werd, wilde niet opendoen. Zo werd de arme Cienzo gedwongen, in die ruïne te overnachten. Na zijn paard in een wei vastgebonden te hebben, ging hij met het hondje naast zich liggen slapen op wat stro, dat hij daar binnen vond.

Hij had nog maar net de ogen gesloten en was ingedommeld, toen hij gewekt werd door het blaffen van het hondje en rumoer hoorde van sloffen door de bouwval. Cienzo, die moedig was en heel wat durfde, sloeg de hand aan zijn zwaard en begon er duchtig op los te slaan in het duister. Doch, toen hij merkte, dat hij niemand raakte en in de lucht schermde, strekte hij zich wederom op het stro uit.

Na een poosje voelde hij zachtjes aan zijn voet trekken en hij sloeg de hand weer aan het kromzwaard, sprong op en riep: "Hela, wat moet dat daar? Laat je zien als je durft. Ik daag je uit!"

Bij deze woorden weerklonk een schampere lach en vervolgens sprak een sombere stem: "Kom maar eens beneden, dan zal ik je zeggen, wie ik ben!"

Cienzo verloor de moed niet en antwoordde: "Wacht even, dan kom ik!" En hij tastte rond, tot hij een trap vond, die naar een kelder leidde, waarin hij afdaalde en een lampje vond en drie kereltjes, die kabouters leken. En deze weenden bitter en klaagden: "Mijn schone schat, hoe raak ik je kwijt!"

Cienzo oordeelde het juist, ook aan het wenen te slaan; en nadat het zo een flink tijdje geduurd had zeiden de drie, die het treurig refreintje gezongen hadden, tegen hem: "Komaan, neem jij deze schat, die is bestemd voor jou alleen. Zorg, dat je ze bewaart!" En aanstonds verdwenen zij, precies alsof ze de duivel waren, die je nooit te zien krijgt. Toen Cienzo door een gat de zon zag opkomen, wilde hij weer naar boven gaan, doch hij kon de trap niet weer vinden. Hij ging daarom roepen en riep zo hard, dat de eigenaar van het huis, die toevallig even de ruïne binnengekomen was, hem hoorde. Deze vroeg, wat hij uitvoerde, en toen hij wist, wat er gebeurd was, ging hij een ladder halen en daalde af waar Cienzo was. Zo gauw hij zijn voet in de kelder gezet had, werd hij een grote schat gewaar en hij maakte zich daarvan meester, niet zonder aan Cienzo het deel, dat deze toekwam, aan te bieden. Doch Cienzo weigerde het, nam zijn hondje opnieuw in de armen, steeg te paard en ging weer op weg.

Na enige uren bereikte hij een eenzaam en verlaten bos, dat je trekkingen in het gezicht gaf van ontzetting, zo donker was het. Hier ontmoette hij een fee aan de oever van een riviertje, dat - om een pleziertje te doen aan een schim, waarop het verliefd was - een dansje door de weiden maakte en over de stenen galoppeerde. En de fee was handgemeen met een bende struikrovers, die haar kwaad wilden doen. Zo gauw Cienzo die gemene schurken zag sloeg hij de hand aan zijn sabel en richtte een ware slachting onder die troep aan. De fee overlaadde hem, om wat hij tot haar verdediging gedaan had, met bedankjes en complimenten en inviteerde hem in een paleis, dat niet ver af lag, want zij wilde hem graag belonen voor de dienst, die hij haar bewezen had. Cienzo herhaalde echter steeds: "Het is immers niet de moeite waard. Dank u zeer. Een andere keer zal ik graag van uw gunsten profiteren, want nu ga ik vlug weg voor iets, dat moet gebeuren," en hij nam afscheid.

Na weer een flink eind afgelegd te hebben, kwam hij bij het paleis van de koning, dat in rouw gedompeld lag, waardoor ieder, die het zag somber gestemd werd. Cienzo vroeg de reden van deze rouw en kreeg als antwoord, dat in die streek een draak met zeven koppen verschenen was, het vreselijkste monster, dat men ooit ter wereld gezien had, met hanenkammen op zijn rug, een kattenkop, vurige ogen, de muil van een bloedhond, vleugels van een vleermuis, berenklauwen en de staart van een slang. "Deze draak verslindt een christen per dag, en nu het tot vandaag geduurd heeft, is de beurt aan Menechella, het dochtertje van de koning. Dit is de reden van de smart en verwarring, welke om het koninklijk paleis heerst, omdat het lieftalligst schepseltje van ons land door een lelijk monster moet worden opgeslokt en verteerd!"

Na deze inlichtingen ging Cienzo wat achteraf staan en zag Menechella verschijnen, in rouwgewaad, begeleid door haar hofdames en door alle vrouwen van de stad, die de handen ineensloegen en zich de haren bij plukjes tegelijk uitrukten en het droevig lot der ongelukkige prinses beweenden onder het uitroepen van: "Wie had dat ooit deze jonkvrouw kunnen voorspellen, dat zij in het lijf van dat vreselijke beest afstand zou doen van het leven? Wie zou dat ooit tegen dit mooie puttertje gezegd hebben, dat zij de buik van een draak als kooitje zou krijgen? Wie zou dit lieve zijderupsje ooit voorspeld hebben, dat zij zich in een donkere cocon zou gaan inspinnen?"

Terwijl zij zo spraken - kijk - daar kwam uit een donker hol de draak tevoorschijn: hemeltje, wat een lelijkerd was dat! De zon verborg zich zelfs uit angst achter de wolken, de lucht betrok en de harten van al die mensen verstijfden. Bij dit gezicht sprong Cienzo naar voren en met een slag van zijn sabel deed hij hem - flang! - een van zijn koppen op de grond rollen. Doch de draak wreef zijn hals met wat gras af en zette zijn kop weer op.

Cienzo dacht: de aanhouder wint. Hij zette de tanden op elkaar en mikte zo prachtig, dat hij hem met een slag pardoes alle zeven koppen afsloeg, die van de nek afsprongen als erwten van een pollepel. Vervolgens rukte hij de tongen uit en behield deze, terwijl hij de koppen een mijl ver van de romp slingerde - dan zouden ze daar niet weer mee verenigd worden. En hij nam een handje vol van dat gras, waarmee de draak zijn nek weer vast gehecht had. Na dit gedaan te hebben stuurde hij Menechella naar het huis van haar vader terug en ging zelf uitrusten in een herberg.

Er zijn geen woorden om weer te geven, hoe de koning van vreugde jubelde, toen hij zijn dochtertje terugzag. Hij hoorde vervolgens, hoe zij bevrijd werd en beval toen, te laten omroepen, dat wie de draak gedood had komen moest om zijn dochter tot vrouw te nemen.

De afkondiging werd algemeen bekend en een boosaardige boer raapte de koppen van de draak op en ging naar de koning en sprak tot hem: "Door toedoen van de man, die u voor u ziet, is Menechella gered. Deze handen hebben het land van zoveel ellende bevrijd. Hier zijn de koppen, die getuigenis afleggen van mijn dapperheid. En dus: belofte maakt schuld!"

De koning nam de kroon van zijn hoofd en plaatste die op de kop van de boer, zodat het wel de kop van een onthoofde op een zuil leek.

Dadelijk verbreidde zich het gerucht van dit feit over het gehele land en het bereikte ook het oor van Cienzo, die bij zichzelf zei: "Ik ben heus een grote stommerd! Ik had mijn geluk bij de haren te pakken en liet het me toch ontglippen. Iemand wil mij een schat geven en ik besteed er zoveel aandacht aan als een Beier om fris water geeft. Een koning wil me goed doen in zijn paleis en ik besteed er zo weinig aandacht aan als een ezel aan muziek. Nu ben ik tot regeren geroepen en ik laat me de kroon afpakken door te dulden, dat een boerenkinkel mij de voet dwars zet en een valsspeler mij een mooie kaart ontfutselt.

Terwijl hij dit zo overpeinsde, nam hij een inktpot, vatte de pen, streek het papier glad en begon te schrijven: "Aan de hoogste vreugde aller vrouwen, Menechella, kroonprinses van Perdisenno. Nu ik u het leven gered heb verneem ik, dat een ander mooi weer speelt met mijn moeite en profiteert van de dienst, die ik u bewezen heb. Daar u echter aanwezig was bij de vechtpartij, kunt u bij de koning voor de waarheid getuigen en u mag niet toestaan, dat een ander de lege plaats bezet, terwijl ik er voor gevochten heb. Aldus zal het resultaat van uw koninklijke gunst zijn en de verdiende beloning voor mijn heldendaad. Tot slot kus ik u de tedere handjes. Uit de Herberg dell'Orinale, heden, Zondag."

Nadat Cienzo deze brief geschreven en met deeg gezegeld had, deed hij hem in de bek van zijn hondje, met het bevel: "Hard lopen jij en breng de brief naar de dochter van de koning, maar zorg, dat je 'm persoonlijk dat lichtend wezen ter hand stelt." Het hondje rende en bereikte het koninklijk paleis, waar het de trap op klom en de koning vond, die nog beleefdheden aan het wisselen was met de bruidegom. De koning zag het hondje met de brief binnenkomen en beval, dat hem die afgepakt werd. Doch het hondje wilde de brief niet afgeven, maar sprong bij Menechella op schoot en stopte 'm haar in de handen. Menechella stond op, maakte een buiging voor de koning en reikte de brief aan hem, opdat hij hem lezen zou. Na het lezen van de brief beval de koning dadelijk, dat men het hondje achtervolgen zou om te zien, waar het binnenging, om daarna zijn baas voor te geleiden. Twee hovelingen volgden het en kwamen bij het logement, waar ze Cienzo vonden, en ze brachten hem de boodschap en vergezelden hem naar het paleis. In tegenwoordigheid van de koning gebracht werd hem door Zijne Majesteit gevraagd, hoe hij het waagde, zich er op te beroemen, de draak gedood te hebben, als immers de man, die hij nu aan zijn zijde zag met de kroon op het hoofd de koppen gebracht had. Cienzo gaf ten antwoord: "Deze boer zou eerder de papieren muts van een ter dood veroordeelde dan een kroon verdienen, omdat hij zo onbeschaamd is, u knollen voor citroenen te verkopen. Laat u nu, ten bewijze van de waarheid, dat ik de onderneming volvoerd heb en niet deze bok van een kerel, de koppen van de draak hier brengen, waarvan geen als getuige kan fungeren, daar de tong ontbreekt. De tongen heb ik meegenomen, om getuigenis af te leggen!" Hij toonde de tongen en de boer werd bleek van schrik en wist niet, wat hem overkwam. En het werd nog erger, toen Menechella er aan toe voegde: "Dit is hij! O, jij hond van een boer, wat heb je mij aangedaan!" En onmiddellijk nam de koning de kroon van het hoofd van de boerenkinkel en plaatste ze op dat van Cienzo. Ook wilde hij de boer naar de galeien sturen, doch Cienzo wenste de onbeschaamdheid met vriendelijkheid te vergelden en vroeg en verkreeg gratie voor hem. Vervolgens werden de tafels gedekt en hield men een schitterend feestmaal, en de jonggetrouwden begaven zich ter ruste. Op deze wijze verhief Cienzo de trofeeën der overwinning op de draak en betrad triomferend het Kapitool van Liefde.

De volgende morgen, toen de Zon met beide handen haar reuzenzwaard van licht te midden der sterren zwaaide en riep: "Achteruit jullie, tuig!" zag Cienzo, terwijl hij zich voor een venster aan het aankleden was, in het huis er tegenover een meisje en hij wendde zich tot Menechella en sprak: "Wat een knap meisje woont daar tegenover dit huis!"

"Wat heb je met dat wicht van niks uit te staan?" antwoordde Menechella, "heb je soms een oogje op haar? Je bent niet lekker. Of heb je nu al genoeg van me, hè?"

Cienzo boog het hoofd als een poes, die kwaad gedaan heeft en zei geen woord terug. Maar hij deed alsof hij een boodschap had, verliet het paleis en liep het huis van het meisje binnen. En dat was zeker de moeite waard. Nooit sloeg zij haar ogen op, zonder dat ze een verliefd hart in vuur en vlam zette; nooit opende zij de schelp der lippen, zonder dat ze een ziel liet koken van verliefdheid; zij verzette geen voet zonder dat ze trapte op een die zich vastklemde aan het koord der hoop. En behalve, dat zij zulk een betoverende schoonheid was, had zij de gave, altijd, wanneer zij dat wilde, de mannen te bekoren, aan zich te binden en vast te ketenen. En dit deed zij met Cienzo, die - zo gauw hij zijn voet in haar huis gezet had - vast gekluisterd werd als een veulen.

Ondertussen vatte Meo, de jongere broer, toen er maar geen bericht van Cienzo kwam, het plan op, hem te gaan zoeken. Hij vroeg toestemming aan zijn vader en kreeg ook een paard en een hondje, die toverkracht bezaten. Op zijn reis kwam hij op zekere avond bij de ruïne, waar Cienzo geweest was, en de eigenaar, die hem met zijn broer verwarde, verleende hem de grootste eerbewijzen en wilde hem veel geld geven, wat hij echter niet aannam. Doch deze vriendelijkheden deden Meo denken, dat zijn broer hier geweest was en hij hoopte daardoor, hem terug te zullen vinden. Zo gauw de maan, de vijandin der dichters, de zon de rug toekeerde, ging hij weer op pad en kwam, waar de fee woonde, die ook in de mening verkeerde, dat hij Cienzo was en hem feestelijk ontving en hem begroette met een: "Wees welkom, jongeman, want jij hebt mij het leven gered!" Meo bedankte haar voor haar beminnelijkheid en zei tegen haar: "Vergeef me, als ik hier niet toeven blijf, want ik heb haast. Tot ziens bij mijn terugkomst!" Blij, dat hij aldoor het spoor van zijn broer te zien kreeg, vervolgde hij zijn weg, tot hij kwam bij het paleis van de koning, juist op de dag, toen Cienzo in de netten van het schone meisje verstrikt werd. Binnengekomen werd hij met grote eer door de dienaren ontvangen en liefdevol door Menechella begroet, die tegen hem sprak: "Welkom, manlief! De morgen komt en de avond gaat, en wanneer elke andere vogel op voedsel uitvliegt, keert de uil naar zijn nest terug. Waarom heb je zolang getalmd, Cienzo lief? Hoe heb je het kunnen uithouden zonder je Menechella? Je hebt mij eens uit de muil van de draak gered en werpt me nu in de keel der achterdocht, omdat je me niet voortdurend in de ogen blikt!" Meo, die slim was, raadde onmiddellijk, dat zij de vrouw van zijn broer was en hij verontschuldigde zich, dat hij zo laat was en omhelsde haar en samen zetten zij zich aan tafel.

En toen de maan, als een kloek, de sterren riep, om de dauw op te pikken, begaven zij zich te ruste; doch Meo, die zijn broer zeer hoog achtte, verdeelde het dek, door een gedeelte voor zich te nemen en het andere aan Menechella te laten, want hij wilde geen gelegenheid hebben, zijn schoonzuster aan te raken. Zij echter zei bij deze nieuwigheid met een gezicht van een oorwurm: "Mijn lief, sinds wanneer is dit zo? Wat voor grapjes zijn dat? Zijn we soms een hoeve van twee ruziemakende boeren, dat je de grenzen tussen ons afbakent? Zijn wij vijandelijke legers, dat je een loopgraaf tussen ons graaft? Zijn wij wilde paarden, dat je een schutting tussen ons zet?" Meo, die bij de pinken was, antwoordde: "Beklaag je niet over mij, liefje, maar over de dokter, die mij een dieet heeft voorgeschreven; en bedenk ook, dat ik door een lange dag op jacht zeer vermoeid ben."

Menechella, die buitengewoon naïef was, slikte dit verzinseltje en ging slapen. Doch toen de schemering den nacht kwam helpen, zag Meo, die zich aan hetzelfde venster als indertijd zijn broer stond aan te kleden, hetzelfde knappe meisje, dat Cienzo ingepalmd had. En daar zij ook hem zeer beviel vroeg hij aan Menechella: "Wie is het aardige vogeltje, dat aan dat venster staat?" En zij viel kwaad uit: "Zullen we maar niet opnieuw beginnen? Gisteren had je het daar ook over en ik ben heel bang, dat het hart overloopt van waar de mond vol van is. Je kon wel eens wat meer eerbied voor mij hebben, want per slot ben ik een koningsdochter. Ha, nu ga ik alles van vannacht begrijpen. Jij houdt niet meer van mij, jij bent op een ander verliefd! O, maar als dat zo is, dan zal je nog wat raars van mij beleven! En of de splinters er dan af zullen vliegen!"

Meo, die voor hetere vuren had gestaan, suste haar met goede woorden en bezwoer haar, dat hij nog niet eens voor de schoonste courtisane ter wereld haar huis verruilen zou en dat zij de klop van zijn hart was.

Menechella ging geheel getroost haar boudoir binnen. En daar reikten haar hofdames haar de glazen bol om haar voorhoofd glad te strijken en vlochten haar haren, verfden haar wenkbrauwen, legden rouge op haar gelaat en parfumeerden haar, opdat zij zo nog mooier zou schijnen voor de man, van wie zij dacht dat hij haar gemaal was. Meo, die door Menechella's woorden was gaan vermoeden, dat Cienzo zich in het huis van dat meisje bevond, nam ondertussen het hondje met zich mee. Hij verliet het paleis en liep het huis er tegenover binnen. En zo gauw hij daar was, sprak de schone fee: "Mijn haren, bindt hem!" En Meo sprak vlug: "Mijn hondje, eet haar op!" En het hondje slokte haar onmiddellijk op als was zij een zacht gekookt eitje. Meo ging vervolgens verder en trof zijn broer betoverd aan, doch met twee haren van zijn hondje, die hij op zijn lichaam zette, ontwaakte die als uit een diepe slaap. En dadelijk begon hij hem te vertellen, wat hem allemaal op reis overkomen was, en tenslotte alles van het koninklijk paleis, en hoe hij, door Menechella verwisseld, naast haar geslapen had. En hij wilde verder vertellen van het verdeelde beddengoed, toen Cienzo, door de duivel daartoe aangezet, zijn hand aan een zwaard sloeg en hem onthalsde als was hij een komkommer. Bij het rumoer verscheen de dochter van de koning en toen zij zag, dat Cienzo een ander gedood had, die precies op hem geleek, vroeg zij hem naar de reden.

Cienzo antwoordde: "Vraag het aan jezelf, jij, die met mijn broer geslapen hebt in de mening, dat ik naast je lag. Daarom heb ik hem zijn verdiende loon gegeven!"

"Ach, hoevelen zijn ten onrechte gedood!" riep Menechella uit, "daar heb je een mooie streek uitgehaald! Jij verdiende deze beste broer niet, want je moet weten, dat hij naast mij in bed met de grootste bedachtzaamheid het dek verdeeld heeft en zei: "Jij blijft aan jou kant, ik aan de mijne!"

Cienzo krabde, ontdaan van berouw om zijn grote fout, die als gevolg van een lichtzinnig oordeel zulk een stommiteit veroorzaakt had, zijn halve gezicht tot bloedens toe. Doch toen herinnerde hij zich het gras, dat de draak hem geleerd had en streek er zijn broer mee over de hals, die dadelijk weer aan het hoofd vast kwam te zitten. En zijn broer stond weer op, in zijn vroegere gedaante en springlevend. En hij omarmde hem met grote vreugde en vroeg hem vergiffenis, omdat hij driftig geworden was en hem slecht ingelicht uit de wereld had willen jagen. En daarna gingen zij samen naar het koninklijk paleis. Vervolgens lieten zij Antoniello met de gehele familie roepen, die de koning heel sympathiek ging vinden. En Antoniello zag in de persoon van zijn zoon bewaarheid, dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn.


*   *   *

De zoons van de koopman Samenvatting
Een Italiaans sprookje uit de Pentamerone over een drakendoder. De oudste zoon van een Napolitaanse koopman vermozelt de schedel van de zoon van de koning en vlucht weg. Na allerlei avonturen, komt hij in een land waar een draak dagelijks een offer eist. Hij doodt de draak en trouwt met de (bijna geofferde) prinses. Hij raakt echter betoverd door een andere vrouw, maar zijn broer komt hem achterna en schiet te hulp. Lees het verhaal

Toelichting
Uit de Pentamerone (Lo cunto de li cunti overo lo trattenemiento de peccerille - Het sprookje der sprookjes, of Vermaak voor de kleinen) van Giambattista Basile (Eerste dag, zevende sprookje).

Vergelijk met De twee broers van de gebroeders Grimm.

Trefwoorden

Thema
  • Pentamerone (Klassieke Italiaanse sprookjes van Giambattista Basile)

Verhaalsoort

Oorspronkelijke titel

Bron
"Italiaansche volkssprookjes" bewerkt naar de Pentamerone van G. Basile door Rien Valkhoff, illustraties van Frans Lammers. Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V., Utrecht, 1948.

Herkomst: Italië
Verteltijd: ca. 37 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook