Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 24 min.
Herkomst:

Een hulpvaardige geest

Er leefde eens een brahmaan die de naam Sanoebhoeti droeg. Hij was arm als de mieren en hield zich al bedelend in leven. Zijn vrouw was een feeks. Zij kookte de rijst waarmee haar man van zijn dagelijkse bedeltochten thuiskwam. Die at zij in haar eentje op. De arme brahmaan moest genoegen nemen met de restjes eten die zij, samen met de vuile vaat, voor hem liet staan. Elke dag maakte de vrouw een touw. Daarmee gaf ze haar man 's nachts een stevige afranseling. Al met al was het huwelijksleven van Sanoebhoeti een hel op aarde.

Op een dag stuurde een bemiddelde dorpsgenoot Sanoebhoeti met een boodschap naar een ver gelegen plaats. Hij zou tien dagen wegblijven. Op de dag dat hij zou terugkomen, zat zijn vrouw met tien touwen op zijn komst te wachten. Haar handen jeukten om elk van de tien touwen op zijn rug te laten dansen. Maar Sanoebhoeti werd ergens opgehouden. Toen hij 's nachts nog steeds niet was komen opdagen, werd het zijn vrouw te veel. Zij pakte de touwen en liep ermee naar de plek buiten het dorp, waar een oude vijgenboom groeide. Om haar woede te koelen, sloeg ze één voor één alle tien de touwen stuk op de bast van de boom.

Sinds mensenheugenis leefde juist in die vijgenboom een geest. Hij leed alle pijn, die de vijgenboom onder de zweepslagen van de vrouw te verduren kreeg. Maar na de zoveelste mep werd het hem te veel. Luid gillend kwam hij uit de boom en zette het op een lopen.

Hij was nog niet ver, toen hij een man zag met een goed gevulde bedelnap in zijn hand en een zak rijst op het hoofd. Het was Sanoebhoeti, die op weg naar huis was. De geest sprak hem aan en vroeg naar zijn naam en woonplaats. Sanoebhoeti stelde zich voor en gaf hem de naam van zijn dorp. Daarop vertelde de geest dat een vrouw uit datzelfde dorp de vijgeboom, waarin hij woonde, een verschrikkelijk pak slaag gegeven had en dat hij in grote pijn had moeten vluchten. Hij vroeg zich af hoe Sanoebhoeti het kon uithouden in een dorp, waar zo'n afgrijselijk mens woonde. Sanoebhoeti begreep dat hij met een geest te maken had. Daarom sprak hij langzaam en beleefd: "Mijn hemel! De feeks die de boom waar jij in huisde heeft afgeranseld, is niemand minder dan mijn eigen vrouw. Elke avond trakteert ze mij op zo'n pak slaag. Kijk maar eens hoe ruw mijn huid is." Sanoebhoeti toonde hem zijn rug, die hard was en waarop de striemen nog duidelijk zichtbaar waren. De geest had medelijden met de arme brahmaan en zei: "Als zij jou iedere dag slaat, waarom leef je dan met die vrouw samen? Waarom blijf je bij haar, waarom ga je niet weg? Welk genoegen schep je in haar? Zij heeft mij maar één keer afgeranseld en ik ben gillend van ellende weggerend. Hoe is het mogelijk dat jij zoiets dag in, dag uit verdraagt. En dat jij hier nog staat te popelen om het voedsel, dat je bij elkaar gebedeld hebt, naar haar toe te brengen, is voor mij een compleet raadsel."

"Ach meneer," sprak Sanoebhoeti, "ondanks het dagelijkse pak rammel, blijf ik bij haar omdat zij voor mij kookt. Ik ben een berooide nietsnut. Ik heb geen familie waar ik heen kan. Wat moet ik doen?" En als een hulpeloos klein kind, barstte de brahmaan in tranen uit.

De geest, wiens gewoonte het was om als een hongerige tijger mensen op te eten, was begaan met het lot van Sanoebhoeti. "Arme brahmaan, huil niet! Ga niet naar huis en doe wat ik je zeg. Niet ver van hier ligt een grote stad. Daar heerst koning Doergadatta en hij heeft een dochter. Ik zal in haar lichaam gaan zitten en er is geen geestenbezweerder die me er weer uit krijgt. Ik zal haar levensbloed drinken tot zij nauwelijks meer van een geraamte te onderscheiden is. Over een paar weken kom jij naar die stad en maakt het nieuws bekend, dat je de geest uit het lichaam van de prinses kunt drijven. Eerst moet je van de koning een belofte afdwingen. Laat hij je een aantal dorpen en rijkdom schenken, als blijkt dat jij in staat bent zijn dochter met succes te genezen. Dan ga je naar haar toe en fluistert in haar oor dat je de brahmaan bent die onder de vijgeboom woont. Op dat ogenblik zal ik uit haar lichaam treden. Je kunt er zeker van zijn; over een maand ben jij een rijk man en kun je een goede vrouw huwen."

Sanoebhoeti viel aan de voeten van de geest en prees hem de hemel in, terwijl hij zijn vrouw het vagevuur toewenste. De geest, die duidelijk ingenomen was met deze lofzang, nam afscheid. En Sanoebhoeti? Waar hij heen moest, dat wist hij niet. Maar teruggaan naar zijn vrouw, dat in geen geval.

Diezelfde nacht nog trad de geest het lichaam van de prinses binnen. Met een ijselijke gil vloog zij haar bed uit. Haar echtgenoot schrok wakker en toen hij vroeg wat haar bezielde, sprong zij boven op hem en begon in het wilde weg te bijten. Met enige moeite wist hij te ontkomen en waarschuwde haar ouders. Het slaperige echtpaar kwam kijken wat er loos was met hun dochter. Ze waren de kamer nog niet binnen of het meisje viel hen luid grommend en tandenknarsend aan. Omdat hij er stellig van overtuigd was dat zijn dochter door een boze geest bezeten werd, plaatste de koning haar achter gesloten deuren. Al zijn pogingen om haar te genezen waren vergeefs. Ze at niet en ze sliep niet, met de dag werd ze magerder. Koning Doergadatta gaf de hoop op dat zijn dochter deze beproeving kon overleven. In het paleis heerste grote verslagenheid, iedereen liep met een wolk op het voorhoofd rond.

Het was rond deze tijd, dat Sanoebhoeti arriveerde. Overal in de stad spraken de onderdanen van de koning over de prinses. Ze vertelden hem dat haar leven in gevaar was en dat zij niet lang meer te leven had. Sanoebhoeti ging naar het paleis en vertelde de bewakers dat hij gekomen was om de prinses te genezen. Hij werd voor de koning geleid. Toen deze de in lompen geklede Sanoebhoeti zag, weigerde hij te geloven dat zo iemand in staat kon zijn de prinses beter te maken. Daarop daagde Sanoebhoeti de koning uit: "Ik kan uw dochter verlossen van de geest die haar teistert. Lukt het mij niet, dan plaats ik mijn leven in uw handen. Blijkt daarentegen mijn poging wel succesvol te zijn, dan moet u mij belonen met een gift van twaalf dorpen en mijn gewicht in goud." De koning nam de uitdaging aan en liet onmiddellijk een schriftelijke toezegging klaarmaken.

Sanoebhoeti was nu verzekerd van zijn beloning en vroeg de koning om hem zijn dochter te laten zien. Met een gevolg van twaalf lijfwachten bracht de koning hem naar de kamer waarin de prinses opgesloten zat. Terwijl Sanoebhoeti de deur openmaakte, waarschuwde de koning hem: "Ga die kamer niet binnen, het is niet meer mijn dochter, maar een duivel die daar binnen is. Je komt onvoorbereid, je hebt helemaal geen toverspullen bij je. Je hebt zelfs geen maatregelen genomen om jezelf te beschermen. Zij zal je aanvallen, zij is gevaarlijk."

Op het gelaat van Sanoebhoeti verscheen een glimlach. "Alleen kwakzalvers vertrouwen op dat soort kunstgrepen, ik niet," antwoordde hij. Daarop ging hij de kamer binnen en deed de deur achter zich op slot. In de kamer was het een ravage. De vloer lag bezaaid met scherven van spiegels en lampen. Van het bed was niets meer heel en de kussens waren allemaal verscheurd.

Toen de prinses Sanoebhoeti langzaam op zich af zag komen, begon zij luidkeels te krijsen. Ze pakte een poot van het stukgeslagen bed en nam een aanvallende houding aan. Sanoebhoeti raakte in lichte paniek, hij vouwde zijn handen en zei: "Luister! Ik ben de brahmaan die onder de vijgeboom woont. Ik ben op uw aanraden gekomen. De koning zal mij twaalf dorpen en een berg goud schenken, kijk maar, hij heeft zijn belofte op papier gezet. Door uw goedheid ben ik nu een rijk man."

De geest die in het lichaam van de prinses zat, had Sanoebhoeti's woorden gehoord en sprak: "Zo, daar ben je dan. Het was mijn voornemen jou rijk te maken. Ik ben blij dat het mij gelukt is. Zoek een andere vrouw en wees gelukkig. Ik zal de prinses verder met rust laten. Maar knoop het volgende goed in je oren: het is mijn lust en leven om in het lichaam van jonge prinsesjes te treden. Ik zal spoedig een andere prinses vinden en mocht jij gevraagd worden om haar te genezen, weiger dan, want het kan je dood betekenen. Let goed op wat je doet." Nadat hij was uitgesproken, verliet de geest het lichaam van de prinses en verdween.

Tegelijkertijd viel de prinses op de grond en bleef roerloos liggen. Sanoebhoeti opende de deur van de kamer en kwam met een stralend gezicht naar buiten. De koning klampte hem direct aan en vroeg vol ongeduld: "Is het je gelukt, heb je de geest uitgedreven?"

"Gaat u zelf maar kijken hoe haar toestand nu is," antwoordde Sanoebhoeti. De koning en zijn lijfwachten slopen op hun tenen de kamer binnen. Toen hij zachtjes haar naam riep, opende zij langzaam de ogen. Met zwakke stem maakte ze kenbaar dat ze honger had en dat ze iets wilde eten. Vanaf dat moment at de prinses weer, en onder de goede zorg van haar moeder was zij binnen een paar dagen geheel hersteld.

In de ogen van koning Doergadatta was Sanoebhoeti niet minder dan een god. Hij bracht hem buitengewone hulde en overstelpte hem met eerbetoon. Hij schonk twee keer zoveel dorpen als hij hem eerder had beloofd en gaf hem bovendien een prachtig huis in de stad. Vervolgens zag hij erop toe dat Sanoebhoeti met een dochter van de hofpriester in het huwelijk trad. De eens zo arme brahmaan leed nu een vredig bestaan. Hij was rijk en leefde in weelde.

Nog geen zes maanden later kwam daar echter verandering in. De vorst van een naburig gelegen koninkrijk schreef Doergadatta dat zijn dochter van een boze geest bezeten was. Reeds drie geestenbezweerders hadden hun pogingen om haar te genezen met de dood bekocht, zonder dat er enige verbetering in haar toestand te bespeuren viel. Hij verzocht Doergadatta om de vermaarde Sanoebhoeti naar zijn hof te zenden. Alleen hij kon zijn dochter beter maken. Hij had al een palankijn gestuurd om hem op te halen.

Doergadatta riep Sanoebhoeti bij zich en las hem de brief voor. "Je moet hem gaan helpen," sprak de koning. "wanneer je eenmaal zijn dochter geneest, zal men jou ook in andere streken roemen."

Sanoebhoeti's hart zonk hem in de schoenen. Hij sprak gedwee: "O edele vorst, het uitdrijven van geesten moet u niet luchthartig opvatten. Jarenlang heb ik de goden gediend en mijzelf alle wereldse geneugten ontzegd. Dankzij de geestelijke kracht die ik door zo'n leven te leiden ontwikkeld had, was ik in staat de geest uit uw dochters lichaam te bannen. Het gevecht met een kwade geest is een uitputtende slag. Ik ben niet in staat om die voor een tweede maal aan te gaan. Mijn eigen geestelijke ontwikkeling zou erdoor teloorgaan. Neemt u het mij niet kwalijk indien ik uw verzoek niet kan eerbiedigen." Doergadatta was echter niet met mooie woorden te vangen. Hij wees erop dat de koning een nauwe bloedverwant was en dat zijn reputatie op het spel stond; hoe kon hij het verzoek van een familielid negeren. Hij beloofde Sanoebhoeti dat hij hem in de toekomst nooit meer zou betrekken in een dergelijke onderneming.

Sanoebhoeti kon niet langer weigeren. De volgende dag vertrok hij in de palankijn die de koning van het buurland gestuurd had. Tijdens de reis stonden zijn gedachten niet stil. Wat een ramp is dit. Ik ben op weg om een geest uit te drijven, terwijl ik op dat terrein absoluut geen ervaring heb. Ik ben er zeker van dat de geest in kwestie dezelfde is als degene die mij geholpen heeft rijk te worden. Hij heeft mij nog zo gewaarschuwd om hem in de toekomst niet meer lastig te vallen. Het lot drijft mij ertoe om zijn waarschuwing in de wind te slaan. Als hij mij doodt, zoals hij mij beloofd heeft, is het mijn verdiende loon. Waarom heb ik de koning niet de waarheid verteld? Waarom ga ik door met deze poppenkast? Enkel een mirakel kan mij nog redden.

Toen Sanoebhoeti bij het paleis arriveerde, gaf de koning hem een hartelijke ontvangst. Hij werd omringd door andere geestenbezweerders. Zij vroegen hem naar zijn werkwijze en of hij nog spullen nodig had voor de bezwering. Maar Sanoebhoeti had niets nodig. Hij gaf enkel te kennen dat hij zo spoedig mogelijk naar de kamer wilde waarin de prinses lag.

De koning wees hem de weg. Vastberaden stapte Sanoebhoeti in zijn eentje de kamer binnen en deed deur achter zich dicht. Toen de prinses hem zag, begon ze luid gillend op en neer te springen. Sanoebhoeti bracht zijn handen bij elkaar en zei: "Ik ben de brahmaan die onder de vijgeboom woont. Ik kom u mijn eerbied betonen."

"Drommelse kerel die je bent," sprak de geest die in het lichaam van de prinses zat. "Ben je mijn waarschuwing soms vergeten? Heb ik je niet bevolen om nooit meer in mijn buurt te komen! Je bent zeker niet tevreden met de rijkdom die je door mijn inspanning hebt vergaard. Dat was niet genoeg en nu waag je je leven, in de hoop op meer."

Sanoebhoeti deed alsof hij bang was en antwoordde: "Uw goedheid zal ik nooit vergeten, u bent meer dan een vader voor mij. Is het dan mogelijk dat ik uw waarschuwing in de wind zou slaan? Rampspoed achtervolgt mijn leven. Niet wetend hoe ik daar een halt aan toe kan roepen, ben ik bij u gekomen om advies. Nadat u mij zo goed geholpen heeft, was ik zes maanden lang gelukkig. Maar geluk en ongeluk leven onder één dak. Op de een of andere wijze is mijn eerste vrouw erachter gekomen dat ik door uw toedoen zo rijkelijk door koning Doergadatta beloond ben. Terwijl het mij voor de wind ging, knoopte zij elke dag een touw om mij mee af te ranselen. Al die honderdtachtig touwen heeft zij op een wagen geladen en is ermee naar mijn huis gereden. Toen ik haar zag, raakte ik geheel van streek. Ik ben naar u toe gevlucht voor hulp. Destijds hebt u mij van haar bevrijd. Red mij voor een tweede maal, ik smeek het u. Ik ben uw nederige dienaar, alstublieft, bescherm me." En met die laatste woorden wierp hij zich aan de voeten van zijn weldoener.

Terwijl de geest dit relaas aanhoorde, begon hij te beven van angst en zei: "O Sanoebhoeti! Haar zweepslagen op de vijgeboom zal ik nooit meer vergeten. Je zegt dat ze op een wagen, beladen met touwen, naar jouw huis gekomen is. Blijft zij daar? Of weet ze waar je nu bent en is ze jou gevolgd? Vertel op, waar zit die vrouw van jou?"

Sanoebhoeti antwoordde: "Het schijnt dat ze helderziend is. Zonder het aan iemand te vragen, wist ze waar ik woonde. Ik weet dat ze mij weer op het spoor is. Ze kan elk ogenblik in deze stad aankomen. Helpt u mij toch een weg te zoeken om aan haar razernij te ontsnappen." Daarop sprak de van schrik bevangen geest: "Dop jij je eigen boontjes maar. Het is jouw lot, uiteindelijk ben jij met haar getrouwd. Ik ga mijn eigen huid redden. Ik vlucht naar een eiland, waar ik voor eens en voor altijd van haar af zal zijn." De geest verliet het lichaam van de prinses en was in een oogwenk verdwenen.

Armoede maakt slim. Sanoebhoeti prees de goden voor de list, die hem op het juiste moment te binnen was geschoten. Hij kwam de kamer uit en zei tegen de koning dat de prinses genezen was. De koning beloonde hem rijkelijk en zorgde voor een groots vaarwel. Sanoebhoeti keerde terug naar huis en leefde nog lang en gelukkig.


*   *   *

Een hulpvaardige geest Samenvatting
Een arme brahmaan heeft een vrouw die hem elke dag afranselt. Hij krijgt hulp van een geest om rijk te worden en een fatsoenlijke vrouw te trouwen. Daarvoor verzinnen ze een list: de arme brahmaan zal optreden als succesvol geestuitdrijver. Lees het verhaal

Toelichting
Verhaal uit Andra Pradesh, een zuidelijke deelstaat van India. In dit verhaal wordt de hoofdpersoon door zijn vrouw vernederd.

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens. Verhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.

Herkomst: India
Verteltijd: ca. 24 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook