Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 13 min.
Herkomst:




Erretje en de os Een Italiaans sprookje over de avonturen van een klein mannetje

Erretje en de osEen vrouw was aan het erwten koken. Een bedelares kwam voorbij en vroeg er een schaaltje van. "Als ik ze aan jou geef, dan kan ik ze niet eten!" zei de vrouw. Toen schreeuwde de bedelares haar toe: "Ik wens dat alle erwten in de pan kinderen van je worden!" en zij ging er vandoor.

Het vuur ging uit en - zoals erwten die aan de kook zijn - sprongen uit de pan honderd kindertjes te voorschijn, zo klein als erwten en die begonnen te schreeuwen: "Mama, ik heb honger! Mama, ik heb dorst! Mama, neem me op de arm!" En zij verspreidden zich overal over de kastjes, de oven en de inmaakpotten.

Hevig geschrokken ging de vrouw die wezentjes oppakken en zij stopte ze in de vijzel en stampte ze fijn met de stamper, als wilde zij er erwtenpap van maken. Toen zij meende dat zij hen allemaal kapot had gemaakt, ging zij het eten voor haar man klaarmaken. Maar toen zij bedacht wat zij gedaan had, kwamen de tranen en zij sprak: "Ach, had ik er tenminste één in leven gelaten, dan zou die me kunnen helpen, om het eten naar zijn vader in de werkplaats te brengen!"

Toen hoorde zij een heel dun stemmetje dat zei: "Mama, huil maar niet: ik ben er nog!" Het was een van de kindertjes. Het had zich verborgen achter het oor van de kruik en was zo blijven leven.

De vrouw was heel gelukkig: "O, liefje, kom te voorschijn, hoe heet jij?"

"Erretje," zei het kleintje en het liet zich van de kruik afglijden en kwam op zijn voetjes op de tafel terecht.

"Goed zo, mijn Erretje!" zei de vrouw. "Nu moet jij het eten naar papa in de werkplaats brengen."

Zij maakte de mand klaar en zette die op Erretjes hoofd. Erretje ging lopen en je zag alleen de mand en het was net of die zelf liep. Hij vroeg de weg aan een paar mensen en die schrokken geweldig, omdat ze dachten dat de mand sprak. Zo bereikte hij de werkplaats en riep: "Papa, papa! Kom eens; ik breng je eten."

Zijn vader dacht: "Wie roept me daar? Ik heb nooit kinderen gehad!" Hij kwam naar buiten en zag de mand en van daar onder vandaan klonk een stemmetje: "Papa, til de mand maar eens op, dan kun je mij zien. Ik ben je zoon Erretje, vanmorgen net geboren."

Papa deed dit en zag Erretje. "Goed zo, Erretje!" zei de vader, die smid was. "Nu ga jij met mij mee, want ik moet bij de huizen van de boeren langs om te horen of ze wat te repareren hebben."

Zo stopte de vader Erretje in zijn zak en zij gingen op stap. Onderweg deden zij niet anders dan babbelen en de mensen zagen de man, die in zijn eentje scheen te praten en ze vonden het maar wat gek.

Hij vroeg aan de huizen: "Is er iets te lappen?"

"Ja, wij zouden wel wat hebben," antwoordden zij hem, "maar aan jou geven wij het niet, want je bent gek."

"Hoezo, gek? Ik ben beter bij mijn verstand dan jullie. Wat zeg je wel?"

"Wij zagen dat jij op straat aldoor in je eentje liep te praten!"

"Och wat, in mijn eentje. Ik praatte met mijn zoon."

"En waar is dan die zoon van je?"

"In mijn zak."

"Nou, wat zeiden we? Jij bent gek!"

"Vooruit, ik zal hem aan jullie laten zien," en hij trok Erretje uit zijn zak, die schrijlings op zijn vinger ging zitten.

"Oh, wat een fijn jochie! Laat hem bij ons werken, dan laten wij hem op de os passen."

"Zou jij dat willen, Erretje?"

"Ik wel."

"Nou, dan laat ik je hier en als ik vanavond langs kom, haal ik je weer."

Erretje werd schrijlings op een horen van de os gezet en het leek, of de os daar alleen in de wei liep. Er kwamen twee dieven voorbij en toen zij de os daar alleen zagen, schijnbaar onbewaakt, wilden zij het dier stelen. Maar Erretje begon te schreeuwen: "Baas! Kom gauw! Baas!" De boer kwam aanhollen en de dieven vroegen hem: "Beste man, waar kwam die stem vandaan?"

"O," zei de baas, "dat is Erretje. Zien jullie hem niet? Hij zit daar op een horen van de os."

De dieven bekeken Erretje en zeiden tegen de boer: "Als jij hem enige dagen aan ons afstaat, dan zullen wij je rijk maken!" En de boer liet hem met de dieven meegaan.

Met Erretje in de zak gingen de dieven naar de stal van de koning, om paarden te stelen. De stal was gesloten, maar Erretje kroop door het sleutelgat, opende de deur, maakte de paarden los en ging er met ze vandoor, verborgen in het oor van een van de dieren. De dieven stonden buiten op hem te wachten. Zij stegen te paard en galoppeerden naar huis. Daar aangekomen zeiden zij tegen Erretje: "Hoor eens, wij zijn moe en gaan slapen. Geef jij de haver aan de paarden!"

Erretje begon de voerzakken aan de paardenhoofden te hangen, maar hij viel om van de slaap en ten slotte sliep hij in, in een van de voederzakken. Het paard merkte het niet op en at hem op tegelijk met de haver.

Toen de dieven hem niet zagen terugkomen, gingen ze hem beneden in de stal zoeken: "Erretje, waar ben je?"

"Ik ben hier," antwoordde een stemmetje, "ik zit in de buik van een paard!"

"Welk paard?"

"Dit paard hier!"

De dieven sneden een paard open, maar vonden hem niet.

"Dit is het niet. In welk paard zit je?"

"In dit!" en de dieven openden de buik van een ander paard.

Zo gingen zij door, en sneden het ene paard na het andere open tot ze ze allemaal gedood hadden, maar Erretje hadden zij niet gevonden.

Zij waren moe en zeiden: "Jammer! Pech gehad! En dan te bedenken, dat wij zoveel plezier van hem hadden. En wij zijn nu ook nog alle paarden kwijt!"

Zij sleepten de dode dieren weg en gooiden die in een wei en gingen slapen.

Er kwam een uitgehongerde wolf voorbij. Die zag de opengesneden paarden en begon er aan te vreten. Erretje zat nog verborgen in de buik van een paard en de wolf slokte hem op. Zo zat hij toen in de buik van de wolf. Toen de wolf weer honger kreeg en naar een geit toekwam, die op een akker stond vastgebonden, begon Erretje vanuit de wolvenbuik te schreeuwen: "Pas op voor de wolf! De wolf, opgepast!" tot de eigenaar van de geit kwam en de wolf op de vlucht joeg.

De wolf zei: "Hoe maak ik toch die geluiden? Ik heb zeker mijn buik vol lucht!" en hij probeerde die lucht van achteren kwijt te raken en liet een harde scheet. "Ziezo," dacht hij, "nu heb ik geen last meer van die lucht. Ik ga een schaap opeten."

Maar toen hij dichtbij de schaapskooi was, riep Erretje net zolang vanuit de wolvenbuik: "Denk om de wolf. Pas op, de wolf!" tot de baas van de schapen wakker werd.

De wolf was erg uit zijn doen. "Dus ik heb nog die lucht in mijn buik, die die geluiden veroorzaakt," en opnieuw probeerde hij ze kwijt te raken. Hij joeg de lucht er uit, eenmaal, twee keer en bij de derde keer sprong Erretje er ook uit, en verstopte zich in een struik. De wolf voelde zich opgelucht en ging terug naar de stallen.

Er kwamen drie dieven voorbij en zij gingen het gestolen geld tellen. Een van de dieven begon: "Een twee drie vier vijf..." En Erretje in de struik bauwde hem na: "Een twee drie vier vijf..." De dief zei tegen zijn kameraden: "Hou je bek; je brengt me in de war. Wie nog één woord zegt, sla ik dood!" En hij ging opnieuw tellen: "Een twee drie vier vijf..." En Erretje weer: "Een twee drie vier vijf..."

"Zo, dus jij wilt je bek niet houden?" zei de dief tegen een van zijn makkers. "Goed, dan sla ik je dood!" En dat deed hij. En tegen de andere zei hij: "Als jij op dezelfde manier aan je eind wilt komen, dan weet je wat je doen moet..." En weer ging hij tellen: "Een twee drie vier vijf..." En Erretje herhaalde: "Een twee drie vier vijf..."

"Ik sprak daar heus niet," zei de andere dief, "dat zweer ik: ik zei niets...!"

"Dacht jij, dat ik me voor de gek liet houden? Ik sla je dood!" En dat deed hij.

"Nu ben ik alleen," zei hij bij zichzelf, "nu kan ik rustig het geld tellen en dat allemaal voor mezelf houden. Een twee drie vier vijf..." En Erretje: "Een twee drie vier vijf..."

De dief rezen de haren te berge: "Hier zit iemand verborgen. Het is maar beter dat ik er vandoor ga!" Hij rende weg en liet het geld daar liggen.

Erretje ging, met de zak met geld op zijn hoofd, naar huis en klopte daar aan. Zijn moeder deed open en zag alleen de zak met geld. "Erretje!" riep zij. Zij tilde de zak op en daar was haar zoon onder, die ze hartelijk omhelsde.


*   *   *

Erretje en de os Samenvatting
Een Italiaans sprookje over de avonturen van een klein mannetje. Een erwt komt tot leven en wordt een klein mannetje, Erretje genaamd. Hij helpt zijn vader en moeder en beleeft avonturen met een os, paardendieven en een wolf. Omdat hij zo klein is, jaagt hij dieven op de vlucht. Uit angst laten ze een zak goudstukken achter, die Erretje mee naar huis neemt. Lees het verhaal

Toelichting
Ieder land heeft sprookjes over kleine mensen, niet te verwarren met dwergen. Ook Griekse en Romeinse dichters hebben er al over geschreven. De sprookjesversies vertonen grote onderlinge verschillen in de avonturen die het kleintje beleeft. Zie bijvoorbeeld Duimedik en Duimpje de wereld in van Grimm of het Koreaanse sprookje Het verhaal van Eetstokje, of het Turkse Kikkererwtje of het Marokkaanse Onderdeurtje.

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Italiaanse volkssprookjes" door Italo Calvino. Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1969. ISBN: 90-274-0944-7

Herkomst: Italië
Verteltijd: ca. 13 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook