Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 30 min.
Herkomst:




Geef alles

Maya en Phusati waren twee zusters die leefden volgens alle lessen van de Boeddha. Vooral Phusati leefde bijna als een heilige. De goden wilden haar belonen. Ze mocht van Sakka, de koning van de goden, tien wensen doen voor haar wedergeboorte. Zij wilde in haar laatste leven onder andere graag een voortreffelijke zoon. Niet lang na deze wens stierf ze en werd herboren als een prinses. Ze groeide op en overtrof iedereen in schoonheid en kennis. Ze trouwde met een prins die Sanjaya heette, zoon van de koning van Sivi.

Boven in de hemel zag Sakka dat negen van de tien wensen vervuld waren. Nu moest ze nog een zoon krijgen. Hij riep het Grote Wezen en zei: "Edele Heer, je moet de wereld van de mensen binnengaan. Je moet zonder uitstel ontvangen worden in de schoot van Phusati."

Het Grote Wezen gehoorzaamde. Hij daalde af en zo gauw hij de schoot van Phusati binnendrong, voelde zij een verandering in haar bestaan. Het was het vurige verlangen naar vrijgevigheid en weldoen. Ze gaf meteen aalmoezen in overvloed aan de arme mensen die op het land werkten.

De waarzeggers van koning Sanjaya zeiden: "Uw vrouw draagt een kind dat steeds maar wil geven." De koning was blij en hij maakte er ook een gewoonte van de arme mensen iets te geven.

Toen het kind bijna geboren zou worden, zei Phusati dat ze de stad wilde bezoeken. Terwijl ze door de Vessastraat kwam, begonnen de weeën. Er werd een tent voor haar opgezet en daarin werd haar zoon geboren. De mensen zeggen dat hij werd geboren met open ogen. Hij greep onmiddellijk de hand van zijn moeder en gaf haar een zakje met gouden munten. Hij werd Vessantara genoemd. Dat betekent: hij die geboren is in de Vessastraat. Op dezelfde dag werd een geheel witte olifant geboren. Dat was een teken van geluk en de olifant werd naar de koninklijke stallen gebracht.

Toen Vessantara nog klein was, gaf hij aan zijn verzorgers en bedienden zijn sieraden weg. Dit werd verteld aan de koning. Hij zei: "Wat mijn zoon heeft gegeven, is goed gegeven!" en hij liet nieuwe sieraden maken.

Toen hij acht jaar was, zei de jongen: "Alles wat ik weggeef, komt van iemand anders en dat is niet genoeg. Ik wil iets weggeven dat helemaal van mij is."

Sakka hoorde dit in de hemel en hij was zeer tevreden.

Toen Vessantara zestien jaar was, beheerste hij alle wetenschappen. Hij trouwde met een prinses die Maddi heette. Zij kregen een zoon Jali en een dochter Kanchana.

Het ging goed in het koninkrijk. Het geld stroomde binnen. De prins deelde elke dag rijkelijk giften uit, gezeten op de rug van de witte olifant.

Het leven in het naburige koninkrijk Kalinga was moeilijk. Er was droogte en misoogst en hongersnood. Vele bewoners vochten om een beetje eten of gingen het stelen. De mensen gingen wanhopig naar hun koning om hulp te vragen. Hij zei dat hij zou bidden om regen, binnen zeven dagen. Maar er kwam geen regen. "Wat moet ik doen?, vroeg hij aan zijn beste minister. Deze antwoordde: "Vessantara is bekend om zijn vrijgevigheid. Hij heeft een prachtige witte olifant en overal waar die olifant komt, gaat het regenen. Stuur hem enkele magere mensen en laat ze vragen om de olifant." De koning vond het een goed plan. Hij riep acht magere mannen en zei: "Ga en vraag om Vessantara's olifant."

De volgende morgen gingen ze op weg. Ze bezochten de plek waar Vessantara aalmoezen uitdeelde en riepen: "Leve de edele Vessantara!" Toen de prins hun magere lijven zag, vroeg hij: "Wat wensen jullie?" Het antwoord kwam snel: "Wij hebben iets heel hard nodig. Wij willen de olifant waarop u rijdt." Vessantara steeg af en gaf wat ze vroegen, niet alleen de olifant, maar ook de kostbare versieringen waarmee hij bekleed was. Zij stegen snel op en reden weg, dit tot grote woede van de plaatselijke bevolking. Daar ging hun regenbrenger. De mensen schreeuwden: "Waarom pikken jullie onze olifant in?" en zij antwoordden: "Wie zijn jullie dat je dat vraagt? Vessantara gaf hem aan ons." En terwijl ze wegreden door de stad, maakte ze minachtende gebaren naar de bevolking. De mensen werden nog bozer, niet alleen door het verlies van hun olifant, maar ook door het misselijke gedrag van de mannen van Kalinga. Ze kwamen in opstand tegen Vessantara. Ze drongen op naar zijn vader, de oude koning Sanjaya, op een manier die nog nooit was vertoond in het vredige koninkrijk. De koninklijke familie werd bang dat de menigte Vessantara zou doden en besloot hem de volgende morgen te verbannen, als de uitzinnige mensen hem met rust zouden laten. De koning vond het niet de beste oplossing, maar hij had geen keus. Hij riep Vessantara bij zich en vertelde wat hij had besloten. Vessantara leek onaangedaan. Ook koningin Phusati hoorde van de beslissing. Zij klaagde: "Een bitter lot treft mijn zoon, hij die alleen maar goed doet." Zij pleitte voor hem, maar het volk eiste zijn vertrek. Het beste wat ze kon doen, was haar zoon troosten.

Gehoorzamend aan zijn vader ging Vessantara naar de vertrekken van zijn vrouw Maddi. In grote rust zei hij tegen haar: "De bevolking van Sivi is kwaad, omdat ik de olifant weggaf en zij verbannen me uit het koninkrijk." Hij droeg een gedicht voor over een landstreek bij het Himalaya-gebergte en zei dat het een goede plek was om heen te gaan. Toen zij luisterde naar het gedicht, voelde zij dat zij zich in deze streek thuis zou voelen.

De volgende morgen, voor de zon opging, vertrok Vessantara naar het paleis, met Maddi, om afscheid te nemen van zijn ouders. Zij zegenden hun zoon en verzekerden hem dat zijn vrouw en kinderen alle zorg zouden krijgen tijdens zijn afwezigheid. Maar dat was niet nodig. "Ik ga met hem mee," zei Maddi, "want hij geeft mij alle vreugde en vrede."

"Maar laat de kinderen achter," vroeg de koningin. Maddi zei: "Mijn Jali en Kanchana zijn mijn lievelingen. Zij gaan met ons mee naar het bos."

Toen de zon opging, vertrokken zij in een koets die werd getrokken door vier paarden. Tegen het samengestroomde volk zei Vessantara dat zij aalmoezen moesten geven aan de armen en goede daden moesten doen. Terwijl zij door de stad reden gaf hij aan bedelaars alles wat hij nog bezat, zelfs zijn eigen sieraden. Bij de grens van het koninkrijk liet hij de koets en de paarden achter en zij trokken lopend verder en droegen de kinderen op hun heup.

Ondertussen bereikte het nieuws over Vessantara de koninkrijken verderop, bijvoorbeeld Ceta, waar Vessantara en zijn vrouw doorheen trokken. De prinses van het land heette ze hartelijk welkom en vroeg of ze in het paleis haar gasten wilden zijn. Vessantara dacht dat zijn eigen volk het verkeerd zou begrijpen als hij als banneling in het paleis ging wonen en vroeg om een hut buiten de stadsmuren. De volgende dag vertrokken ze alweer. De prinses liet een wijze en praktische man achter hen aanreizen om een oogje in het zeil te houden.

Er gingen vele dagen voorbij. Ze trokken door dichte bossen en over woeste rivieren en uiteindelijk bereikten ze de voet van de berg Vamba. Neerziend uit de hemel had Sakka er voor gezorgd dat er een kluizenaarshut was gebouwd op een mooie plek. Vessantara zag de hut al van ver en liep er naar toe. Hij begreep uit de inscripties op de muren heel goed wie de hut had laten bouwen. Hij trok zijn kleren uit, legde zijn boog en zwaard weg en trok de ruwe pij van een heremiet aan en liet zich zo aan zijn vrouw zien. Maddi wierp zich in tranen aan zijn voeten. Zij ging toen naar haar eigen cel en trok ook een pij aan. Hierna lieten ze ook hun kinderen een eenvoudig kleed aantrekken.

De vier edele monniken bleven daar zeven maanden. Ze leefden van wilde wortels en bosvruchten en ze dronken uit het stroompje naast de hut.

In die tijd woonde er in een naburig koninkrijk een oude koopman met de naam Jujaka. Hij had zijn bezittingen achtergelaten bij een zekere familie en vertrok om nog rijker te worden. Tijdens zijn afwezigheid gaf de familie het geld uit en omdat ze hem niet konden terugbetalen, gaven ze hem hun jonge dochter Amittata. Jujaka nam het meisje mee naar zijn dorp. Zij beantwoordde aan al zijn wensen, maar ze was niet gelukkig. Dat kwam omdat ze werd uitgelachen door jonge mannen als ze water ging halen in de rivier. De jonge mannen bespotten haar omdat ze leefde met een oude man. Amittata ging naar haar man en zei: "Ik zal jou iets vertellen. Als je geen slaaf of dienstmeid koopt om dit werk te doen, loop ik van je weg." Jujaka had geen geld, maar zij had een plan. "Bij de berg Vamka leeft Vessantara. Ga naar hem toe en vraag hem om een slaaf. De prins zal je alles geven wat je graag wilt hebben." Na veel aarzeling ging Jujaka akkoord. Gauw maakte ze alles klaar voor zijn vertrek, legde de knapzak op zijn schouder en zond hem weg voor hij van gedachten kon veranderen.

Jujaka zocht naar de plek waar Vessantara woonde. Hij vroeg het aan iedereen die hij tegenkwam, maar de mensen waren bang dat hij een vijand van de prins was. Ze stuurden hem dan de verkeerde kant op. Toch vond hij de hut van Vessantara, maar daar stond een soldaat die door prinses Ceta was neergezet. De koopman bedacht een smoes: "Ik kom hier als de ambassadeur van het volk van Sivi om Vessantara terug te brengen. Vertel mij waar ik de prins kan vinden." De soldaat was blij, pakte zijn spullen bij elkaar en wees hem de weg. Jujaka kwam doodmoe aan bij het pad naar Vessantara's hut. Het was al donker. Hij had van de soldaat gehoord dat Maddi

's Morgens zou weggaan om bosvruchten te zoeken en dat was het goed moment om Vessantara te vragen om zijn kinderen. "Vrouwen staan dan maar in de weg," mompelde hij. Daarom beklom hij een heuveltop in de buurt en bracht daar de nacht door. De volgende morgen vermomde hij zich als wijze man en liep naar de hut. Vessantara zat op een steen en begroette hem. "Het is niet zonder reden dat een bezoeker zo diep het bos is ingetrokken," dacht hij. "Ik zal hem meteen vragen waarom hij hier is." Hij stelde de vraag en de sluwe man antwoordde in de vorm van een gedicht:
"Als een grote rivier vol water is
en geen dag met zijn stromen faalt
zo is het met hem naar wie ik kom
goed dat hij met zijn kinderen betaalt."
Toen Vessantara dit hoorde, was hij opgetogen. Al die jaren hadden mensen hem van alles gevraagd, dat niet van hem zelf was: voedsel, kleren, land, sieraden, paarden, olifanten. Hij wilde altijd al iets weggeven dat helemaal van hemzelf was. Hier was de kans om dat te doen. Daarom vond hij het goed. "Maar," zei hij, "mijn vrouw is in het bos. Blijf deze dag hier, zodat de kinderen morgen kunnen vertrekken met de zegen van hun moeder." Jujaka dacht: "Dat gaat niet goed" en vroeg om het onmiddellijke vertrek van de kinderen. Hij zei dat zijn vrouw geen moment kon wachten en hevig verlangde naar de komst van de kinderen om haar te dienen in haar huishouding. Toen begreep Vessantara pas dat zijn kinderen werden weggenomen als slaven. De kinderen begrepen het ook en vluchtten het bos in. Vessantara vond het verschrikkelijk, maar wilde niet terugkomen op zijn woord en bood aan om ze te zoeken. Hij volgde hun voetsporen, vond ze en toen zij hoorden waarom hij dit alles deed, gaven de onschuldige kinderen toe. "Laat de oude man doen met ons wat hij wil," zei Jali. "Ik zal mijn vader gehoorzamen." Kanchana viel huilend aan de voeten van haar vader en greep zijn enkels vast. De oude man haalde een touw uit zijn zak, bond de voeten van de prinselijke kinderen aan elkaar en droeg ze als gevangen zwijntjes weg. De tranen stroomden uit Vessantara's ogen. Terwijl hij zich beheerste, lukte het hem nog een prijs te bepalen voor zijn kinderen. Hij zei tegen zijn zoon: "Jali, als je je vrij wil kopen, moet je de man duizend goudstukken geven. Je zuster is een mooie prinses en zij kan alleen worden vrijgekocht door een koning, niet alleen met goudstukken maar ook met een kudde olifanten, paarden en slaven."

Toen de onschuldige kinderen werden geslagen en weggevoerd door Jujaka, schoten er allerlei gedachten door Vessantara's hoofd. De eerste was de man achterna te gaan, hem te doden en de kleintjes terug te brengen. Maar nee, dat zou niet goed zijn; iets geven en dan terugkrabbelen vanwege het verdriet van de kinderen, was niet in orde. Toen werd hij filosofisch. Deze pijn, bedacht hij, wordt veroorzaakt door aanhankelijkheid. Hij moest zich daarom losmaken van zijn verlangens en kalm worden. Toen dacht hij aan Maddi. Wat zou ze doen als ze terugkwam en haar kinderen niet zag? Kon zij de pijn verdragen als zij hoorde dat haar kinderen waren weggegeven? Toevallig kwam Maddi die avond later terug dan gewoonlijk. Ze was er aan gewend de kinderen op het pad te vinden en toen ze hen niet zag, begon ze te roepen. Er kwam geen antwoord en zo bereikte ze Vessantara. Toen ze zag dat hij stil naar haar keek, vroeg ze wat er met de kinderen gebeurd was. Vessantara zei niets. Ze zocht overal rond de hut en in de omgeving. Toen ze terugkwam, zag ze er heel treurig uit, maar Vessantara bleef stil. Ze vroeg hem nog eens en nog eens waar de kinderen waren, maar hij antwoordde niet. Ze verlangde naar haar kleintjes en ging opnieuw zoeken. Pas in de nacht keerde ze terug naar haar cel met de gedachte dat ze dood waren. Voor de zon opkwam was Maddi terug aan de voeten van haar man en beklaagde het verlies van de kinderen. Ze viel flauw van verdriet. Hij besprenkelde haar met water en toen ze weer bij zinnen kwam, vroeg ze: "Mijn heer Vessantara, waar zijn de kinderen?" Eindelijk gaf hij antwoord: "Ik heb ze weggeven aan iemand die ze nodig had." Maddi's volgende vraag schokte hem: "Liefste, als je de kinderen hebt weggegeven, waarom liet je me dan de hele nacht huilen, zonder een woord te zeggen?" Toen vertelde Vessantara aan Maddi wat er gebeurd was en waarom hij de kinderen had weggegeven. Zij bevestigde dat dit de edelste gift was die iemand kon bedenken en voegde er aan toe:
"Ik verheug me! Een grotere gave met pijn
is niet mogelijk. Bid en laten we kalm zijn."
De koning der goden volgde in de hemel hun gesprek. Vessantara kon niet vermoeden dat een laatste test van zijn vrijgevigheid op hem wachtte.

"Als nu een slecht mens bij Vessantara kwam en om Maddi zelf vroeg, wat zou hij dan doen?" vroeg Sakka zich af. "Als hij haar zou weggeven, zou hij niets meer hebben. Maar als hij het deed, zou hij de hoogste graad van heiligheid bereikt hebben. Ik zal hem zelf op de proef stellen."

Er was een goede reden om zelf te gaan. "Als hij haar aan mij geeft, kan hij haar niet aan iemand anders geven en dan geef ik haar tenslotte terug."

Sakka vermomde zich als kluizenaar en verscheen voor Vessantara. Na een kort gesprek, vroeg Vessantara wat hij voor hem kon doen. Het antwoord was meteen ter zake."Ik ben oud, maar ik ben hier gekomen om te vragen om uw vrouw Maddi. Geef haar aan mij."

Hij verwachtte een antwoord als: "Gisteren gaf ik mijn kinderen weg, hoe kan ik u mijn vrouw geven en alleen achterblijven in het bos." Maar nee, dat was niet het antwoord. Vessantara nam snel wat water en goot het over zijn rechterhand, als teken van een gift, en liet Maddi naar de kluizenaar gaan. Sakka keek naar Maddi, hoe zij reageerde. Zij sprak luid deze woorden:
"Vanaf mijn jeugd was ik zijn vrouw.
Laat hem doen wat hij wil: ik blijf trouw."
De test was compleet. De Heer onthulde zijn ware wezen. Hij prees hen beiden om hun onafhankelijkheid. Zij hadden bewezen dat zij niet gebonden waren aan de aardse werkelijkheid. Hij gaf haar terug aan Vessantara en vertrok nadat hij hen tien wensen had laten doen.

Terwijl Vessantara en Maddi verder leefden in de hut, waren de kinderen blootgesteld aan de genade van de wrede koopman. Als zijn slaven moesten ze niet alleen de vuile karweitjes van zijn vrouw opknappen; ze moesten hun meester ook vergezellen op zijn reizen. Tijdens één zo'n bezoek kwam hij in het koninkrijk van Sivi, waar hun grootvader een vreemde droom had. De droom ging over een man die met twee bloemen naar hem toe kwam en die, toen hij ze kreeg, met veel liefde tegen zijn borst omhoog groeiden. De droomuitlegger zei het volgende: "Er zullen twee mensen uit uw omgeving, die lang afwezig zijn geweest, terugkeren."

Een boodschapper van de koning zag in de stad twee kinderen die wel van goud leken. Ze waren in het gezelschap van een oude man. De drie werden voor de koning geleid. Onder indruk van de koninklijke soldaten vertelde Jujaka hoe hij aan de kinderen kwam. Toen een hoveling een spottende opmerking maakte over Vessantara, die zo idioot was zijn eigen kinderen als slaven weg te geven, kon de jongen zich niet langer stilhouden. Hij nam het op voor zijn vader. "U mag hem niet bespotten! Wat hij gaf is goed gegeven."

De koning was trots op zijn kleinzoon. Hij zei dat ze bij hem moesten komen en omarmde ze terwijl zij zich aan zijn borst vlijden. Maar Jujaka liet ze niet zo maar gaan. De koning moest voor de kinderen betalen: de prijs die Vessantara had bepaald. Hij deed het zonder aarzelen en toen droeg hij Jali op zijn heup en Kanchana kwam bij haar grootmoeder. Jujaka kreeg een koninklijk vertrek waar hij uit kon rusten op een kostbaar bed en waar hij de heerlijkste gerechten mocht eten.

De volgende dagen vertelden de kinderen over hun leven in het bos. Hoewel hun ouders gezond waren, was het leven daar heel moeilijk. Vooral hun moeder had het zwaar. De koning was boos dat hij om het volk zijn zin te geven zijn zoon had moeten wegsturen. Wat had hij aan zijn rijkdommen? Het enige dat hij nu nog wilde, was de terugkeer van Vessantara, die het koninkrijk weer moest besturen. Jali begreep heel goed dat zijn vader niet uit zichzelf zou terugkeren. De enige manier was dat de koning hem zelf moest ophalen, legde hij uit.

Koning Sanjaya, begeleid door de koningin en de kleinkinderen maakten alles klaar voor de reis naar de berg Vamka. Onder het bevel van de generaal werden ze in de dichte bossen voorafgegaan door het het leger. Jujaka moest de weg wijzen, maar hij stierf onderweg. Toen moest Jali als gids optreden. Op de zevende dag bereikten ze hun doel.

Toen Vessantara de olifanten hoorde, was hij eerst bang dat het leger zijn vader had vermoord en nu op hem afkwam. Maddi stelde hem gerust. Ze zei dat niemand hem pijn kon doen. Vanaf de heuveltop zagen zij toen de koning en de koningin naar de hut komen. Ze waren heel gelukkig toen ze zagen dat hun kinderen daar achteraan kwamen.

De koning vroeg Vessantara officieel of hij zijn koninklijke plichten weer op wilde nemen. Vessantara trok zijn kluizenaarskleed uit. Maddi volgde hem en samen werden ze opgenomen in de koninklijke tent.

Een paar dagen vierden ze feest in het bos. De koning vroeg de generaal: "Is de weg terug vrij voor mijn zoon?"

"Ja heer," antwoordde hij. "Het is tijd om te gaan."

De stad was versierd om de edele prins te verwelkomen. De mensen waren blij met hun beroemde prins. Hij bestuurde het rijk lange tijd en na zijn dood werd hij opgenomen in de hemel.


*   *   *

Toelichting
Deze verhalen werden in Nepal verteld om de leer van Boeddha op een gemakkelijke manier duidelijk te maken. Ze werden opgetekend door Bala Sivaram en Eva Kipp en door Remco Ekkers uit het Engels vertaald en bewerkt.

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron

Herkomst: Nepal
Verteltijd: ca. 30 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook