Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 17 min.
Herkomst:




Goudhoren Een Noors sprookje over gierigheid, armoede en een geit

Er was eens een boerin. Zij was de vrouw van de eigengeërfden boer van Zonneheim in Hallingdal, en zo gierig, dat het meer dan erg was. Ze liet volk en vee hongeren. Haar eigen kinderen waren ook grijs van de honger, en wanneer ze uit het voorraadhuisje of bij vreemden wat voedsel konden stelen, verslonden ze het alsof ze wolven waren, of alsof ze in geen acht dagen eten hadden gehad.

De kinderen moesten er zich wel in schikken. Zij durfden niets te zeggen. Zij durfden er ook niet om te schreien als hun moeder het kon zien, anders kregen ze met de roe, die aan een balk van de zoldering hing. Maar wanneer ze naar buiten mochten, renden ze regelrecht naar de husmannsvrouw* van het Schitterplaatsje - zij heette Ragnhild. Bij haar schreiden ze en haar klaagden ze hun nood, en zij deelde het weinige dat ze bezat tussen hen en haar eigen kinderen. Maar dikwijls had ze niets en dan leden zij en haar kleintjes honger. Ze bezat maar één enkele koe, maar die verzorgde en koesterde ze dan ook alsof het ook een kind was. En midden in de winter ging zij of haar man soms het gebergte in om met de slee een lading mos voor het dier te halen, en de koe had het goed en gaf zoveel melk, dat het bijna genoeg was voor allen. Maar moeder Zonneheims beesten hadden het niet al te best: in de wintertijd kregen ze haast niets anders dan dennentwijgjes en paardenvuil, en het was als het ware een heel feest voor ze wanneer ze een dot koe- of rendiermos kregen. Maar zij kon het dan ook best aan de melk merken. Die was zo slecht en dun, dat er haast geen room op dreef, en ze was alleen maar goed om het water van de gortpap mee te vermengen of om ølost** van te koken. De beesten konden niets tegen haar zeggen, maar ze keken haar aan; ja, ze keken haar aan met hun grote, diepzinnige ogen, zodat haar het hart had moeten breken als ze er een had gehad, en ze likten met hun brede tongen haar handen, als ze bij hen in de stal kwam. Dat was zeker omdat ze hen niet helemaal liet verhongeren. Maar in het voorjaar als ze de stal uitkwamen, had je ze eens moeten zien! Dan was het niets meer dan vel over been, en zo zwak en vermagerd waren ze, dat hun poten hen niet meer konden dragen: ze zakten dan maar aan één stuk door door hun knieën. Ze konden dan ook niet meer tegen de buitenlucht, en zwaaiden als dronken lui.

Ragnhild zei haar wel hoe onverantwoordelijk het was om volk en vee zo te behandelen, maar daar trok zij zich niets van aan, want Ragnhild was maar een husmannsvrouwtje, en wat zo een zei, hoefde zij niet ter harte te nemen.

Maar op een keer zouden ze een nieuwe hooischuur bouwen, want de oude was helemaal vergaan en stortte haast ineen. Hij was zo open, dat de regen en de zon er dwars door heen vielen. Ze hadden een timmerman aangenomen, die de nieuwe schuur zou bouwen, en hij heette Per. Het was een man, die hard en goed kon werken, en een harde werker moet krachtig voedsel hebben. Maar hij kreeg maar weinig, en wat hij nog kreeg was niet veel zaaks. Ze gaf hem niets anders dan haring en brij, maar hij spaarde de vrouw dan ook niet. Ze kon haast niet met hem praten, of hij wierp haar voor de voeten hoe krap met het eten ze was, en hij zei dat altijd zo bits en scherp, dat de vrouw tenslotte haast geen woord meer tot hem durfde zeggen. Toen hij al heel wat balkenlagen op elkaar had getimmerd en al hoog zat, ging de vrouw van Zonneheim op een dag voorbij.

"Je schiet al een flink eind omhoog, Per," zei ze.

"Ja," zei hij, nors als altijd, "ik probeer wel om omhoog te komen, maar je haring en brij trekken me weer omlaag." Daarmee bedoelde hij, dat als hij betere kost kreeg, het werk spoediger gedaan zou zijn.

Op een zondag zat Per in de almanak te bladeren en te lezen. "Wat zegt de almanak, Per?" vroeg de vrouw. Ze bedoelde waarschijnlijk wat voor weer hij voorspelde. Maar Per antwoordde: "Hij zegt alleen maar haring en brij, haring en brij, haring en brij."

De vrouw gaf hier geen antwoord op, maar van die tijd af beknibbelde ze niet meer zo op de kost. Dat was helemaal niet omdat ze begreep, dat het verkeerd was, maar ze merkte dat Per niet op zijn mondje was gevallen, en ze was bang, dat hij, die zo ver in het rond uit timmeren ging, haar bij de mensen in kwade reuk zou brengen als zij hem naar zijn zin te kort gaf.

Toen de zomer kwam met groen en bloemen, en de vogels in alle struiken zaten te zingen, vertrok de boerin van Zonneheim naar haar seter. Maar zij rook niet hoe heerlijk de bloemen geurden, zij hoorde de vogels niet zingen, want zij, de herdershond en de melkmeiden hadden genoeg aan het bijeenhouden van de uitgehongerde beesten. Thuis hadden ze lopen grazen tot het gras van de thuiswei haast niets meer dan zwarte aarde was, en telkens als ze nu een groen plekje of een paar grasjes of een paar frisse takken op de helling zagen, wilden ze er op af om er van te proeven. De kalveren en de vaarzen renden rond en gooiden de benen in de lucht, dat het een lust was om te zien hoe vrolijk ze waren. Ze verheugden zich natuurlijk op de grazige, welige bergweiden.

Ze kwamen laat op de seter aan, en toen zij zich ingericht hadden, kwam een van de meiden binnen zeggen, dat er een grote, vreemde geit op de wei van de seter liep. Ze had vergulde horens, en glom alsof haar haren van zij waren, zei de meid.

"Heb je ooit zulke praat gehoord!" zei de vrouw en ze stond op om naar de geit te gaan kijken. Maar zij zag niet, dat de geit vergulde horens had, en haar haar vond ze precies zo als dat van haar eigen geiten, Lokk en Strant. Maar terwijl ze daar zo stond, hoorde ze een welluidende stem zingen:
"Wil je ruilen, vrouw,
Goudhoren voor een koe van jou?
Wil je ruilen, vrouw,
Goudhoren voor een koe van jou?"
Maar de boerin werd natuurlijk boos! Zij dacht, dat het een van haar buren was, die haar wilde plagen en haar voor de mal houden, omdat ze zo gierig was. Ze schreeuwde en bezwoer, dat zij zulke slechte koeien niet had, dat ze ze wilde verruilen, ook al boden ze haar een heel dozijn van die ruige geiten voor één koe, en toen joeg ze de geit van de seterwei, ver weg het kreupelhout in. Toen begon een stem in de bergen te lokken:
"Kom thuis, kom thuis,
Kleine Goudhoren mijn!
Kom thuis, kom thuis,
Kleine Goudhoren mijn!
Goud-ho-ren!"
En toen werd er heel in de verte op de luur geblazen, en alle bergen en hoogten weerkaatsten het, tot de laatste toon heel, heel ver in de hoge bergen waar de sneeuw ligt, wegstierf.

Na een poosje vertrok de boerin van Zonneheim weer naar huis, en toen mocht Ragnhild Schitter met haar bonte koe naar de seter. Ze zou de meiden daar bij het werk helpen. En daar konden die tevreden mee zijn, want niemand was daar bekwamer in dan Ragnhild. Als zij op de seter was, was het net alsof alles vanzelf ging, en nooit kregen zij gelere boter en blondere kaas dan wanneer Ragnhild karnde en kaasde.

Maar op een avond toen zij en de melkmeid zaten te melken, was het net alsof de beesten dol werden. Ze trapten en schopten alsof ze door een horzel werden achterna gezeten, en ze wilden helemaal niet stil blijven staan, zoals anders. De grote, rode stier begon te brullen. Meteen rende hij regelrecht naar het hek en stiet een vervaarlijk geloei uit. Ragnhild keek op en meende duidelijk te zien, dat er iemand over de omheining vloog, maar zij kon niet onderscheiden, wat het was, dat er zo snel van door ging. Het leek haar echter net een stuk pels. Maar op hetzelfde ogenblik zat er een lint om de hals van Ragnhilds bonte koe. Ze haalden het er meteen af, maar allen dachten ze, dat het een hulder was geweest, die het er om had gebonden, en dat het dat wezen was geweest, wat Ragnhild over de omheining had zien springen. Ze waren er wel haast van overtuigd. Terwijl de melkmeiden met de melk naar binnen waren, hoorde Ragnhild haar naam zeggen. "Ragnhild," werd er geroepen. "Ja, hier ben ik," antwoordde Ragnhild.
"Wil je ruilen, vrouw,
Goudhoren voor een koe van jou?
Wil je ruilen, vrouw,
Goudhoren voor een koe van jou?"
werd er uit de bergwand gezongen. "Ik verlies mijn koe toch, aangezien ze er een lint om heeft gebonden," dacht Ragnhild, "daarom kan ik maar het best ja zeggen en ruilen." - "O, ja," zei ze, "ik wil wel ruilen!"

's Ochtends heel, heel in de vroegte, nog voor de zon opging, kwam Ragnhild op de hellende seterwei. Daar lag Goudhoren met haar gouden horens tegen de achtergrond van de heldere ochtendhemel op een groot rotsblok, en zij was zo mooi en fijngebouwd, dat nergens in het Hallingdal haars gelijke te vinden was. Zo groot was ze, dat ze bijna even groot was als een kleine vaars. En zonder dat ze er veel moeite voor hadden te doen gaf ze al gauw zoveel melk als een kleine koe.

Toen Ragnhild van de seter naar huis vertrok, nam ze de geit voor haar kinderen mee, en die waren natuurlijk blij, want nu zouden ze geitenmelkpap krijgen! Ze dansten en sprongen er van. Maar nog meer plezier hadden ze, omdat ze nu een geit hadden gekregen, en nog wel een geit met gouden horens en haar zo zacht als zij. Ze bouwden een huisje en plukten voer voor haar; loof en schors en dennentakjes en mos, opdat ze in de komende winter geen honger zou hoeven te lijden. Overdag zocht Goudhoren zelf loof en schors in het bos, en 's avonds kwam ze met haar uier vol van de fijnste en vetste melk naar huis.

Maar toen het tegen Kerstmis liep, kreeg Goudhoren twee jongen, en toen waren de kinderen van Ragnhild Schitter blijer dan ooit. Ze haalden ze in huis en versierden ze zo goed ze konden, en wanneer de geitenbeestjes op tafel, of op de haardrand klommen of met alle vier pootjes op de bedrand stonden, dan lachten ze en klapten in hun handen van plezier. Ten slotte kreeg de geit zoveel jongen, dat Ragnhild ze kon verkopen en van het geld zelfs een koe en een paard kon bekostigen, want het was de beste geitensoort, die er ooit in het Hallingdal had bestaan. De kinderen hoefden nooit meer honger te lijden en hadden het hun hele leven zo prettig als het maar kon.

* Een husmann is iemand, die een stukje land van een eigengeërfde boer in gebruik heeft en daarom o.a. zekere arbeidsplichten tegenover die boer heeft.
** Ølost is een drank van bier en melk, die tezamen gekookt is.


*   *   *

Goudhoren Samenvatting
Een Noors sprookje over gierigheid, armoede en een geit. Een gierige vrouw zorgt slecht voor haar vee en haar kinderen. Een eindje verderop woont een arme, maar vrijgevige vrouw. Wanneer op een zomerdag aan de gierige vrouw wordt voorgesteld een geit met gouden horens te ruilen voor een van haar koeien, denkt ze dat ze voor de gek wordt gehouden. Maar wanneer de arme vrouw op hetzelfde voorstel ingaat, maakt een goudhoornige geit een einde aan al haar zorgen. Lees het verhaal

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Noorse volkssprookjes uit de verzameling van Asbjørnsen en Moe" gekozen en vertaald door Greta Baars-Jelgersma. Uitgeversmaatschappij W. de Haan, Utrecht, 1944, p. 16-22.

Herkomst: Noorwegen
Verteltijd: ca. 17 min.
Leeftijd: vanaf 12 jaar

Lees ook