Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 20 min.
Herkomst:

Grote Gjalt en Kleine Gjalt Een Fries sprookje over de queeste van een arme boerenzoon

Op de heide woonden eens een arme man en vrouw die drie zonen hadden. Op een dag gooide de oudste zoon zijn boerengereedschap op de grond en zei dat hij de wereld introk om rijk te worden. De tweede liet de schoffel vallen en wilde hetzelfde. En de jongste zoon, die Gjalt heette, besloot met hen mee te gaan. Maar hij zei tegen zijn beide broers dat ze eerst moesten zorgen dat hun ouders geen gebrek aan het een of ander zouden krijgen als zij ervandoor gingen. Ze haalden alles binnen wat op het veld stond, stapelden het turfhok vol, brachten hooi voor de geiten in de hooischuur en slachtten het varken.

Toen dat allemaal gedaan was namen ze afscheid van hun vader en moeder en ze beloofden dat ze over precies een jaar weer zouden thuiskomen om te vertellen hoe het hun was vergaan. Ze hadden drie daalders zakgeld en ze dachten dat ze daar flink ver mee zouden komen, want behalve dat hadden ze hun mond en hun handen bij zich, en daar konden ze zich aardig mee redden.

Ze liepen de hele dag en tegen de avond kwamen ze bij een oud kerkhof. Daaromheen stond een oude boomwal en ze dachten dat ze daar wel een schuilplaats konden vinden voor de nacht.

Gjalt liep het kerkhof op en zag midden op de begraafplaats een zwarte kist staan; daarnaast was een begin gemaakt met het graven van een graf. Hij kwam bij zijn broers terug en zei: "Er staat een doodskist op het kerkhof. Laten wij ervoor zorgen dat de zon niet over die kist opgaat. Wij moeten degene die daarin ligt begraven." Zijn broers waren doodsbang op het donkere kerkhof en durfden niet. Gjalt trok zijn jas uit, greep de spade die in de grond stond en begon te graven. Toen hij drie spaden diep was, hoorde hij zware voetstappen en vanachter een boom dook een reus op. Gjalt was niet bang, hij zette de spade met de scherpe kant op de voet van de reus en vroeg: "Heb je me wat te vertellen?" - "Ja," zei de reus, "de schavuit in die kist moet mij nog een daaider betalen, en ik laat hem net zo lang boven de grond staan tot ik mijn geld heb." Gjalt stak zijn hand in zijn broekzak en gaf de reus een daalder. "Hier heb je je geld. En maak nou maar dat je wegkomt, want jouw soort zie ik liever niet!"

De reus ging er vandoor en Gjalt spitte verder in de grond. Toen hij weer drie spaden dieper was, hoorde hij hoe er voor de tweede maal iets naderde. Vanachter een andere boom kwam ook een reus te voorschijn die nog groter was, eentje met een hoofd op iedere schouder. Ook hij zei dat hij nog een daalder van de dode te vorderen had. Gjalt gaf hem zijn tweede daalder en zei dat hij moest ophoepelen.

Juist was hij weer drie spaden dieper in de grond, toen er een derde reus vanachter een dikke eik opdook. Deze had één hoofd op zijn hals staan en aan weerskanten ook nog eentje op zijn schouders. Dit monsterwezen vroeg ook al om een daalder en Gjalt gaf hem de laatste die hij op zak had. Hij liet de kist in de aarde zakken, gooide de grafkuil dicht en ellende de grond.

De volgende morgen trokken ze weer verder, en toen ze op een zandpad bij een driesprong kwamen, besloten ze ieder een kant uit te gaan. Gjalt vertelde dat hij 's nachts al zijn geld aan de drie reuzen had moeten afstaan, maar zijn broers geloofden hem niet en geen haar op hun hoofd dacht eraan om hem ook maar een rode cent te geven. Bedrukt vervolgde Gjalt zijn weg en toen het tegen de middag liep ging hij zitten om een hapje te eten. Hij deed de linnen zak die hij van zijn ouders had meegekregen open en haalde daar een boterham uit. In de verte zag hij een oude man dichterbij komen en hij wachtte, tot die bij hem was. De oude man bleef staan en vroeg hem om wat geld. Gjalt zei: "Goud en zilver heb ik niet. Ik ben zo arm als een kerkrat, maar een hapje brood heb ik nog wel. Ga maar zitten en eet mee."

De oude man at maar enkele happen en vroeg Gjalt wat zijn reisdoel was. Gjalt vertelde hem wat er was gebeurd en dat hij nu heel alleen zijn geluk moest zoeken. De oude man zei: "Ik ga met je mee om jou te dienen. Twee weten altijd nog meer dan één." Gjalt moest erom lachen en antwoordde: "Beste man, ik heb geen bediende nodig. Ik weet niet eens waar ik vanavond mijn hoofd zal neerleggen en of ik morgen wel wat te eten heb." De oude man zei: "Je hebt uit de goedheid van je hart in de afgelopen nacht mijn enige broer ter aarde besteld. Hij is mij vannacht verschenen om het mij te vertellen en heeft mij gevraagd jou zo goed als ik kan te dienen, tot je je fortuin hebt gevonden!" Gjalt zei: "Aan de wens van een dode moet worden voldaan. Laat het dan zo zijn! Ik ben nu Grote Gjalt en jij zult Kleine Gjalt zijn!"

Ze gingen op weg en belandden in een groot, donker bos. Midden in een vijver lag een groot kasteel. De oude man wees naar de ophaalbrug die was neergelaten, en zei: "Hier woont de reus met het ene hoofd, die mijn broer boven de aarde wilde houden, omdat hij nog een daalder van hem te vorderen had."

Gjalt dacht even na en klopte toen aan bij de poort. De reus gluurde over de hoge muur en vroeg wat ze wilden. "Je moet gauw naar beneden komen," zei Gjalt. "Je broer met de twee hoofden stuurt ons. Hij heeft gehoord dat er een leger van wel vijfhonderd boeren met zeisen en mestvorken onderweg is om je koud te maken, aangezien jij de oogst van hun land hebt opgevreten!"

De reus begon te jammeren en Kleine Gjalt vroeg of hij geen schuilplaats had, waarin hij zich kon verbergen. "Ja," zei de reus, "ik heb een put die tweehonderd el diep is en ik kan er met een ladder in afdalen." - "Naar beneden dan!" zei Kleine Gjalt, "wij zullen de boeren vertellen dat je er vandoor bent gegaan en dat het kasteel nu van ons is. Schrijf een akte van overdracht, die wij hun kunnen laten zien!" De reus was doodsbang, dus hij deed dat en haastte zich toen om onder in de put te komen.

Toen hij beneden zat, joegen Grote Gjalt en Kleine Gjalt alle vee en de paarden van de reus over de ophaalbrug, en dat maakte een lawaai alsof de donder door het kasteel rolde. Kleine Gjalt boog zich over de rand van de put en riep naar beneden: "Ze geloven ons niet en willen jou gaan zoeken. Ze zijn hier al bijna. Ik heb gehoord dat je een vlijrnscherp zwaard bezit en ook een geldbuidel die nooit leeg raakt. Grote Gjalt kan ze tegenhouden met het zwaard en ik kan ze dan afkopen. Vertel ons waar het zwaard en de buidel te vinden zijn, anders wordt het je dood!" De reus riep: "Vlug dan maar. Het zwaard hangt in de schoorsteen en de geldbuidel ligt in de pispot op de beddeplank." - "Je kunt nooit weten," riep Kleine Gjalt, "laten we de ladder maar optrekken en een grote steen op de put leggen, dan kunnen ze in ieder geval niet bij je komen."

Grote Gjalt en Kleine Gjalt bezaten nu het vlijmscherpe zwaard en de buidel die nooit leegraakte, en de reus zat opgesloten in de diepe put.

De volgende morgen trokken ze verder en kwamen bij het kasteel waar de reus met de twee hoofden woonde. Ze maakten hem wijs dat de broer met het ene hoofd hen gestuurd had en dat er een leger van duizend soldaten onderweg was om hem te vermoorden. Deze reus belandde in een put die nog veel dieper was, en van hem kregen ze de mantel van de duisternis en de schoenen die sneller waren dan de wind.

Daarmee trokken ze naar het kasteel van de reus met de drie hoofden en hem maakten ze wijs dat er een oorlog was uitgebroken en dat er legers van wrede vijanden kwamen aanrukken om zijn kasteel in te nemen. Van hem kregen ze de spiegel van de waarheid en de vleugels die uit zichzelf konden vliegen.

Kleine Gjalt en Grote Gjalt trokken weer verder en kwamen bij een machtig kasteel. "Hier woont een koning, die een dochter heeft die zo trots is dat geen man goed genoeg voor haar is. Dertien prinsen en ridders zijn al voor haar gestorven. Zij is in de macht van een tovenaar, en ze is zo mooi dat elke man die haar ziet alles wil doen wat ze van hem vraagt. Maar tot nog toe heeft het hun allemaal het leven gekost, aangezien niemand haar opdracht kan uitvoeren. Als er iemand komt die het wel kan, is de betovering verbroken en dan wordt ze zijn vrouw."

Grote Gjalt en Kleine Gjalt gingen naar het kasteel en werden voor de koning gebracht, die hun vroeg wat ze wensten. "Ik wil met uw dochter trouwen," zei Grote Gjalt. De koning gaf zwijgend een teken en toen er een gordijn was weggeschoven, zagen ze een prinses die op een gouden stoel zat. Ze was zo mooi dat de zon erdoor verduisterd werd.

"Je hebt het gezegd," zei de koning. "Je krijgt drie opdrachten die je moet uitvoeren en als je daarin niet slaagt, dan zul je de dood moeten sterven zoals al die dertien voor jou. Je moet eerst kaartspelen tegen de tovenaar die mijn dochter tot vrouw wil hebben. Zodra het geld van een van jullie op is, heeft hij gewonnen. De tweede dag moet je tegen hem hardlopen, om een ei uit het nest te halen van een arend die op een hoge berg woont, die met zijn top in de wolken staat. Ten derde moet je vechten tegen de tovenaar en zijn hoofd hier brengen!"

Zo werd besloten en er werd ruimte gemaakt in de grote zaal van het paleis. Klokslag twaalf in de nacht vlogen de deuren open en kwam de tovenaar de zaal binnen om tegenover Grote Gjalt te gaan zitten. Gjalt had de geldbuidel die nooit leegraakte op schoot, maar de tovenaar won elk spel dat ze speelden. Drie dagen en drie nachten speelden ze door. Eten en drinken kregen ze al die tijd niet, en er was vooraf overeengekomen dat degene die het opgaf als verliezer zou worden beschouwd.

Al die tijd stond Kleine Gjalt achter de stoel van Grote Gjalt. Grote Gjalt kon ten slotte zijn ogen niet meer openhouden. Toen voelde hij opeens dat er iets op zijn schoot werd geschoven. Hij keek naar beneden en zag de spiegel van de waarheid liggen die Kleine Gjalt hem had aangereikt. De kaarten werden net opnieuw uitgedeeld en in de spiegel zag hij de speelkaarten van de tovenaar. Hij was opeens klaar wakker en zei tegen de tovenaar: "Je bent niet bang, hè? Ik ook niet." Hij greep de buidel met geld en zette die midden op tafel. "Dit is alles wat ik heb," zei hij. "Durf je ook zo ver te gaan?" De tovenaar kon er niet onderuit en gooide al zijn geld naast de buidel. Toen Grote Gjalt zijn laatste kaart op tafel legde had de tovenaar verloren.

De volgende nacht om twaalf uur stonden Grote Gjalt en de tovenaar buiten bij de ophaalbrug, klaar om om het hardst te lopen. Bij de laatste slag van twaalf schoten ze van de streep naar de hoogste top van de berg. Zelfs met de schoenen aan die sneller liepen dan de wind kon Gjalt de tovenaar niet bijhouden, en toen de twee Gjalten bij de berg kwamen was de tovenaar al halverwege de top. Grote Gjalt schopte zijn schoenen uit en gespte de vleugels aan die uit zichzelf vlogen. Vlugger dan een adelaar vloog hij omhoog en toen hij met het ei in zijn handen bij het paleis aanlandde, was de tovenaar nog niet eens van de berg afgedaald.

De derde nacht om twaalf uur werd er op de binnenplaats gevochten. Het zwaard van Grote Gjalt wervelde als een bliksemstraal om hem heen, maar de tovenaar was wel tegen hem opgewassen en de tweekamp duurde drie dagen en drive nachten. Grote Gjalt kon bijna niet meer op zijn benen staan, maar de tovenaar leek iedere keer wel sterker en sneller te worden.

Toen ze een kort ogenblikje tegenover elkaar stonden uit te hijgen, gooide Kleine Gjalt de mantel van de duisternis over de rug van Grote Gjalt en voor de ogen van de tovenaar werd hij één met de duisternis van de nacht. Zonder dat de tovenaar hem ook maar met één vinger kon raken, vlijmde het zwaard van Grote Gjalt door zijn hals en rolde zijn hoofd hem voor de voeten.

Er werd een groot feest in het paleis gehouden en na een jaar en een dag trok Grote Gjalt met zijn prinses naar zijn ouderlijk huis. De beide broers waren al lang weer thuis en stonden met de schop en de schoffel in de hand op de akker. Zijn ouders kregen een eigen huis bij het paleis. Kleine Gjalt werd rentmeester over alle bezittingen en de beide broers kregen een deel van het rijk onder hun beheer.


*   *   *

Grote Gjalt en Kleine Gjalt Samenvatting
Een Fries sprookje over de queeste van een arme boerenzoon. De jongste zoon van een arme boerenfamilie krijgt hulp van een man met wie hij de wijde wereld intrekt. Van drie monsterlijke reuzen ontfutseld hij drie magische voorwerpen, die later handig van pas komen om een jonge prinses te bevrijden. Lees het verhaal

Toelichting
Naar: Y. Poortinga: 'De ring van het licht', no. 3, p. 16-19. De Friese sportvisser Steven de Bruin vertelde dit verhaal. De geluidsband is in het bezit van de Fryske Akademy in Leeuwarden.

Dit is een Nederlandse versie van een sprookje met veel queeste-motieven. Gjalt krijgt hulp van een man, met wie hij de wijde wereld in trekt. De reuzen geven hen in ruil voor hulp drie geschenken: een zwaard, een buidel die nooit leegraakt en schoenen die sneller zijn dan de wind - bekende sprookjesmotieven. Gjalt moet daarna drie opdrachten uitvoeren, om een prinses uit handen van een tovernaar te bevrijden. Met de drie nieuwe tovergeschenken van de man (de spiegel van de waarheid, vleugels die vanzelf vliegen en de mantel der duisternis) weten ze de prinses te bevrijden. Zoals in veel verhalen is ook hier de jongste broer zijn twee oudere broers te slim af.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Reizen. Verhalen over avontuurlijke reizen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" verschenen bij Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.

Herkomst: Friesland
Verteltijd: ca. 20 min.
Leeftijd: vanaf 7 jaar

Lees ook