Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 14 min.
Herkomst:

Gudbrand van de Helling Een Noors kettingsprookje over een voordelige ruilhandel

Er was eens een man, die Gudbrand heette. Hij had een hoeve, die hoog tegen een heuvelhelling lag en daarom werd hij Gudbrand van de Helling genoemd. Hij en zijn vrouw hadden samen zo'n gelukkig leven en konden het altijd zo goed met elkaar vinden, dat de vrouw vond, dat al wat haar man deed, zo wel gedaan was, dat het nooit beter gedaan zou kunnen zijn. Hoe hij zich ook gedroeg, altijd hield zij even veel van hem. Ze bezaten een stuk land, op de bodem van hun kist hadden ze honderd daalders liggen; en op stal stonden twee volwassen koeien.

Maar op een dag zei de vrouw: "Ik vind, dat we de ene koe eigenlijk maar naar de stad moesten brengen en verkopen, dan kregen we wat geld, waar we ons eens mee konden roeren. Wij zijn welgesteld genoeg om net als de anderen ook eens wat geld in de hand te hebben. Aan die honderd daalders, die in de kist liggen, kunnen we natuurlijk niet komen, maar ik zou niet weten waarom we er meer dan één koe op na zouden houden. En we winnen er ook mee, dat ik er één niet meer hoef te verzorgen, en nog maar de stal van één beest hoef uit te mesten."

Ja, Gudbrand vond dat ze de spijker op de kop had geslagen. Hij nam de koe en ging er mee naar de stad om haar te verkopen. Maar toen hij in de stad kwam, was er niemand die koeien wou kopen.

"Ja, ja," dacht Gudbrand, "dan ga ik maar weer naar huis met mijn koe. D'r is een standplaats en een halster voor 'r, en heen en terug is even ver." En toen drentelde hij maar weer naar huis toe. Maar toen hij een eindweegs was gekomen, kwam hij iemand tegen, die een paard wou verkopen en toen vond Gudbrand, dat hij toch nog beter een paard dan een koe kon hebben, en hij ruilde met hem. Toen hij nog een stuk had gelopen, kwam hij iemand tegen, die een vet varken voor zich uitdreef. En toen vond hij, dat hij nog beter een vet varken dan een paard kon hebben en ruilde met de man. Hij liep nog een eind, tot hij een man met een geit tegenkwam en bedacht, dat het per slot nog beter was een geit te hebben dan een varken, en daarom ruilde hij met de man, die de geit bezat. Daarna liep hij een heel eind tot hij een man tegenkwam, die een schaap bij zich had. Met hem ruilde hij ook, want hij dacht: "Je kunt altijd nog beter een schaap hebben dan een geit." Toen hij nu weer een poosje had gelopen, kwam hij een man met een gans tegen en hij verruilde zijn schaap tegen de gans. En toen hij weer een héél eind had gelopen, kwam hij een man met een haan tegen. Met die man ruilde hij, want hij dacht maar: "Je kunt altijd beter een haan hebben dan een gans." Zo liep hij tot de dag al aardig begon op te schieten. Maar toen kreeg hij honger, en verkocht hij zijn haan voor twaalf schelling, waar hij zich etenswaar voor kocht. "Want je kunt er beter het leven bij houden dan een haan bezitten," dacht Gudbrand van de Helling.

Nu liep hij verder regelrecht naar huis tot hij aan de naaste buurhoeve kwam; daar liep hij even aan. "Hoe is het je in de stad gegaan?" vroegen ze daar. "O, z'n gangetje," zei Gudbrand van de Helling. "Ik kan nu niet zeggen, dat ik zo'n geluk heb gehad, maar ook niet dat het zo'n tegenspoed is geweest," zei hij, en toen vertelde hij van het begin tot het eind hoe alles zich had toegedragen.

"Nou, jij zal wel vriendelijk door je vrouw ontvangen worden," zei de boer. "De hemel zij jou arme zondaar genadig! Ik zou niet graag in jouw schoenen staan."

"Ik vind, dat het veel slechter had kunnen aflopen," zei Gudbrand van de Helling. "Maar of het nu goed of verkeerd is, ik heb zo'n best wijf, dat ze nooit moppert, wat ik ook doe." - "Ja, dat kan best wezen, maar toch geloof ik het niet," zei zijn buurman. "Zullen we wedden?" zei Gudbrand van de Helling. "Ik heb thuis honderd daalders in de kist. Durf je er hetzelfde tegen te zetten?"

Ja, ze gingen de weddenschap aan, en toen bleef hij er tot de avond. In de schemering drentelden ze samen naar Gudbrands hoeve toe. Daar bleef de buurman voor de deur staan luisteren, terwijl de man zelf bij zijn vrouw binnentrad. "Goeienavond," zei Gudbrand toen hij binnenstapte. "Goeienavond," zei zijn vrouw. "Goddank dat je er bent!" Ja, hij was er.

Toen vroeg zijn vrouw hoe het in de stad was gegaan. "O, zozo," antwoordde Gudbrand. "Niet om hoera over te roepen. Toen ik in de stad kwam, was er niemand, die een koe wilde kopen, en toen heb ik de koe tegen een peerd geruild."

"Ja, daar moet ik je nu eens goed voor bedanken," zei zijn vrouw. "Wij zijn zulke welgestelde mensen, dat we ook eigenlijk net zo goed als zoveel anderen wel naar de kerk kunnen rijden, en als we het ons kunnen veroorloven een paard te houden, dan mogen we er ons toch ook wel een aanschaffen, zou ik zo zeggen. Zet hem meteen maar op stal, jongen!"

"Ja," zei Gudbrand. "Dat paard heb ik niet. Toen ik een eindweegs was, ruilde ik het voor een varken."

"Nee maar, nee maar!" riep de vrouw. "Net of ik het zelf gedaan had. Daar wil ik je nu toch eens voor bedanken! Nu krijgen we spek in huis, en kunnen we de mensen wat aanbieden als ze eens komen aanlopen. Wat zouden we met een paard moeten? Dan zouden de mensen maar zeggen, dat we zo groots zijn geworden, dat we niet meer naar de kerk kunnen lopen. Zet hem maar meteen in zijn hok, jongen!"

"Maar dat varken heb ik ook niet," zei Gudbrand. "Toen ik een stuk verder was, heb ik het tegen een melkgeit geruild."

"Nee maar, nee maar, zo goed als jij de dingen doet!" riep de vrouw. "Wat moest ik ook eigenlijk met dat varken, als ik goed nadenk. De mensen hadden maar gezegd: 'Daar bij Gudbrand van de Helling eten ze hun hele hebben en houden op.' Nee, nu heb ik een geit, en nu krijg ik melk en kaas en de geit behoud ik nog op de koop toe. Laat de geit maar binnen, jongen!"

"Nee, die geit heb ik ook niet," zei Gudbrand. "Toen ik een flink eind onderweg was, heb ik de geit tegen een best schaap verruild."

"Nee maar!" riep de vrouw uit. "Je hebt alles net gedaan als ik het me zou hebben gewenst, precies of ik er zelf bij ben geweest. Wat hadden we met die geit gemoeten? Ik had 's avonds bergen en dalen moeten op- en afklimmen om hem binnen te krijgen. Nee, als ik een schaap heb, krijg ik wol en kleren in huis, en nog eten ook. Laat dat schaap maar gauw binnen, jongen!"

"Maar dat schaap heb ik ook niet meer," zei Gudbrand. "Want toen ik nog een eindje verder kwam, heb ik het tegen een gans geruild!"

"Bedankt, en wel bedankt ook," zei de vrouw. "Wat had ik met dat schaap moeten doen? Ik heb rokken noch wiel en ik hou toch ook niet van naaien. We kunnen ons kleren kopen, net als vroeger. Nu krijg ik ganzenlever, daar heb ik al zo lang zo'n zin in, en nu krijg ik ook dons voor mijn kussentje. Laat de gans binnen, jongen!"

,Ja, die gans heb ik ook al niet," zei Gudbrand. "Toen ik een eind verder was, heb ik hem tegen een haan geruild."

"Hoe ben je op het idee kunnen komen," riep de vrouw uit, "dat is nu precies of ik het zelf had gedaan. Een haan! Dat is immers hetzelfde als wanneer je een wekker zou hebben gekocht. Elke ochtend kraait de haan ons om vier uur wakker, dan kunnen we bijtijds aan het werk gaan. Wat zouden we met zo'n gans moeten? En ik weet toch niet hoe we ganzenlever moeten bereiden, en mijn kussen kan ik wel met struisnet vullen. Laat die haan 's gauw binnen, jongen!"

"Maar die haan heb ik ook niet," zei Gudbrand. "Toen ik nog een eind had gelopen, kreeg ik een honger als een wolf, en toen moest ik de haan wel voor twaalf schelling verkopen - om mijzelf het leven te redden."

"De hemel zij gezegend en geprezen, dat je dat hebt gedaan!" riep de vrouw uit, "wat je ook doet, je doet het allemaal net zoals ik het me gewenst zou hebben. Wat zouden we ook met die haan? We zijn toch ook onze eigen baas, we kunnen 's morgens net zo lang blijven liggen als we willen. Nu ik jou, die alles altijd zo goed weet te regelen, weer terug heb, heb ik ook goddank geen haan of gans, en geen varken of koe nodig."

Toen deed Gudbrand de deur open. "Wel, heb ik nou die honderd daalders gewonnen, of niet?" zei hij, en dat moest zijn buurman toegeven.


*   *   *

Gudbrand van de Helling Samenvatting
Een Noors kettingsprookje over een voordelige ruilhandel. Een man is zeer gelukkig getrouwd met zijn vrouw, die alles wat hij doet altijd goed vindt. Wanneer hij op een dag een koe probeert te verkopen en dat niet lukt, ruilt hij de koe voor een paard, het paard voor een varken, het varken voor een geit, de geit voor een schaap, het schaap voor een gans en de gans voor een haan. Op weg naar huis komt hij zijn buurman tegen, die voor honder gulden wel wil wedden dat zijn vrouw erg boos op hem zal zijn. Maar bij thuiskomst is zij helemaal niet boos en wint de man de weddenschap van zijn buurman. Zo loopt de ruilhandel toch goed af. Lees het verhaal

Toelichting
Vergelijk dit verhaal met Wat vader doet is altijd goed van Hans Christian Andersen.

We vinden hetzelfde motief (ruilen van goederen) ook in een sprookje van Grimm: Gelukkige Hans.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Noorse volkssprookjes uit de verzameling van Asbjørnsen en Moe" gekozen en vertaald door Greta Baars-Jelgersma. Uitgeversmaatschappij W. de Haan, Utrecht, 1944, p. 37-41.

Herkomst: Noorwegen
Verteltijd: ca. 14 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook