Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 41 min.
Herkomst:

Hans met de gouden haren Een Deens sprookje over gedienstigheid en behulpzaamheid

Er was eens een visser die leefde van de visvangst. Op een dag was hij op zee aan het vissen en kwam in een storm terecht. Toen kwam er een meerman naar hem toe die vroeg of hij graag naar huis wilde. Ja dat wilde hij wel, maar het zag er niet gunstig uit, het weer was slecht en hij was alleen in zijn bootje. Maar de meerman zei, dat wanneer hij hem het jongste uit zijn huis wilde geven als hij thuiskwam, hij goed weer en veel geluk bij het vissen zou hebben; dat jongste wilde hij pas over twaalf jaar hebben. De man zei ja, hij wilde het graag aan hem overlaten, want hij dacht dat deze voorwaarde nog wel te veranderen was.

Toen werd het weer mooi en de man ving ongelofelijk veel vissen; hij voer naar een handelsstad om ze te verkopen en ging weer de zee op om te vissen. Hij kwam nog meerdere keren in de handelsstad, verkocht er zijn vis en kreeg er veel geld voor.

Toen hij de eerste keer uit vissen gegaan was, was zijn vrouw zwanger geweest; ze had in het kraambed veel verdriet: haar man kwam niet thuis zoals andere vissers en ze geloofde dat hij dood was. De andere vissers voeren weer uit toen het weer beter werd en kwamen hem tegen terwijl hij in zijn bootje stond en zoveel vissen binnenhaalde als hij maar kon. Ze zeiden tegen hem: "Daar ben je dus! Je vrouw ligt in het kraambed en maakt zich veel zorgen om jou; ze denkt dat je bent verdronken!"

"Ze hoeft zich geen zorgen te maken," zei de man, "ik kom binnenkort naar huis." Geld had hij en vissen ook en verder nog allerlei dingen die hij in de stad had gekocht. Zo kwam hij thuis. Maar hij zei er niets over, dat het kind ergens naar toe moest.

Hij had steeds geluk met vissen en verdiende veel geld. In de loop der tijd kocht hij een kleine boerderij en veroorloofde zich twee paarden.

De jongen die tijdens zijn afwezigheid ter wereld was gekomen groeide op en werd groot. Hij heette Hans en toen hij oud genoeg was om te ploegen, deed hij dat ook. Maar telkens als de vader alleen met zijn zoon op stap ging moest hij huilen. Toen de jongen bijna twaalf jaar was, wilde hij weten waarom zijn vader huilde. De vader zei dat het toch niet hielp als hij het nog langer verzweeg: hij was in een storm terecht gekomen en had een meerman moeten beloven, hem het jongste wat er in huis was als hij thuiskwam, te zullen schenken. Maar de meerman, wilde hem pas hebben als hij twaalf jaar was.

De dag dat ze de jongen af moesten staan kwam dichterbij en hij moest zijn vrouw inlichten. Ze was ontroostbaar; ze hadden toch maar een kind en dat moesten ze nu verliezen, en op deze manier nog wel! Maar Hans zei: "Ik heb er niets op tegen; als hij me wil hebben, dan zal hij me wel geen kwaad doen."

Toen hij op weg wilde gaan, meende zijn moeder dat hij zijn beste kleren aan moest trekken; maar Hans zei: "Nee, als hij me wil hebben, dan moet hij me ook maar eten en kleren geven."

De vader voer met hem de zee op naar de plaats waar de meerman hem in ontvangst zou nemen. De meerman kwam ook en nam de jongen mee. De vader voer naar huis en had voortaan steeds geluk bij het vissen.

Toen Hans daar beneden bij de meerman kwam, hoefde hij niets anders te doen dan voor een paard en een leeuw zorgen; hij moest vuur voor hen en haver achter hen leggen. De meerman dreef iedere dag zijn geiten het bos in, terwijl Hans alleen bleef en zoals gezegd voor de dieren moest zorgen. Toen zei het paard tegen hem: "Je moet het anders doen; je moet het vuur achter ons en de haver voor onze neus leggen."

"Kun jij praten?" riep Hans het paard toe.

"Ja," zei het paard, "dat kan ik al vele jaren; als je ons trouw wilt zijn, dan kun je ons en jezelf bevrijden."

"Dat wil ik best," zei Hans.

Toen zei het paard: "Ga naar de grote kamer. Daar staan drie flessen op tafel en aan de muur hangt een groot zwaard. Drink uit de eerste fles, daarna uit de tweede en dan uit de derde. Dan moet je proberen of je het zwaard kunt optillen. Er ligt ook een kam op tafel, daarmee moet je je haren kammen."

Hans deed wat het paard hem had gezegd; hij ging de kamer binnen en zag de flessen op tafel staan. Op de eerste stond: Wie uit deze fles drinkt, wordt sterk! Hij nam een flinke slok en kon het zwaard aan de muur een beetje bewegen. Toen nam hij de andere fles. Daarop stond: Wie hieruit drinkt wordt sterker! Toen hij eruit gedronken had, kon hij het zwaard van de muur afnemen. Daarop nam hij de derde fles waarop stond: Wie uit mij drinkt wordt onmetelijk sterk! Toen hij uit deze fles had gedronken, probeerde hij het zwaard op te tillen. Hij kon het met gemak rondzwaaien. Toen nam hij de kam en kamde er zijn haar mee. Zijn haar werd zo lang dat het tot op zijn enkels viel en glansde als goud.

Toen ging hij naar het paard terug en zei dat hij alles gedaan had en dat hij nu met het zwaard kon zwaaien. Toen zei het paard: "Nu moet je alle eetwaren en al het goud en zilver, dat we mee kunnen nemen, verzamelen, dan moet je de kiel aantrekken die aan de muur hangt en het zwaard omgorden." Hans gehoorzaamde, sprong op het paard, maakte de leeuw los en ze reden weg met de leeuw achter zich aan.

's Avonds kwam de meerman met zijn geiten thuis; Hans, het paard en de leeuw waren verdwenen. Daar werd de meerman zo woedend van als maar zijn kon en hij wilde hen achterna gaan. Toen zei het paard tegen Hans: "Draai je eens om en kijk daarachter!"

"Het lijkt wel alsof achter ons alles grijs en zwart wordt," zei Hans. "Ja, dat is de meerman die achter ons aan zit," zei het paard. "Trek een haar uit mijn staart en één uit mijn manen en zeg dat achter ons een groot woud uit de grond moet schieten, zodat de meerman er niet doorheen kan en naar huis moet om een bijl en een zaag te halen om er zich doorheen te kappen." De meerman kwam bij het woud; en als hij tevoren al niet woedend geweest was, dan werd hij het nu wel; hij moest omkeren om een bijl en zaag te halen en zich een weg door het woud kappen.

Nu hadden ze een grote voorsprong. Maar opeens zei het paard: "Kijk eens over je schouder!"

"Ja," zei Hans, "het lijkt weer alsof alles grijs en zwart wordt, maar veel erger dan de eerste keer."

"Trek een haar uit mijn staart en één uit mijn manen," zei het paard, "en zeg dat achter ons een grote zee moet ontstaan waar de meerman niet doorheen kan zonder dat hij met zijn geiten komt die hem leeg kunnen drinken."

Toen de meerman bij de zee kwam, werd hij nog veel woedender, rende naar huis en bracht zijn geiten mee, zodat ze hem leeg konden drinken. Nu hadden ze weer een grote voorsprong. Toen zei het paard: "Kijk eens achterom of je iets ziet?"

"Ja," zei Hans, "nu lijkt het of achter ons in de lucht een vuur brandt."

"Nu is de meerman pas echt woedend," zei het paard. "Nu is hij zo woedend dat de vonken uit zijn ogen spatten. Trek een haar uit mijn staart en één uit mijn manen en zeg dat achter ons zo'n groot vuur moet gaan branden, dat de meerman er niet overheen kan voor hij thuis een ijzeren staaf is gaan halen om er over te springen."

En weer moest de meerman omkeren om een ijzeren staaf te gaan halen, maar hij kon er geen vinden; hij zocht in alle hoeken en gaten. Tenslotte kwam hij bij zijn oude moeder terecht die in een hoek zat. "Wat is er aan de hand, zoontje?" vroeg ze. "Waarom ben je zo kwaad?" Want hij tierde en sloeg in het rond. Dat was geen wonder, zei hij: de jongen die hij had laten grootbrengen had have en goed van hem gestolen; en of hij er ook al achteraan ging, hij kon hem niet te pakken krijgen. De eerste keer had hij hem een bos voor de neus geplant, de tweede keer een zee en dit keer een vuur. En daar kon hij niet overheen springen als hij geen ijzeren staaf vond.

"Och God, mijn zoontje," zei de oude toen. "Zal ik dan niet met je meegaan? Ik geloof dat ik hoger spring dan jij." Hij nam haar op zijn rug en sleepte haar mee. Toen ze bij het vuur kwamen, zette hij de stang tussen hen in, zodat de oude zich eraan vast kon houden en erover springen; ze sprong, maar kwam midden in het vuur terecht; daar zat ze en schreeuwde: "Och God, zoontje, kom toch en haal me uit het vuur!" Hij sprong naar haar toe in het vuur en daar zaten ze met z'n tweeën en verbrandden.

Toen zei het paard: "De meerman zijn we kwijt, die zit in het vuur en verbrandt. Kun je ons iets te eten geven? Wij hebben namelijk honger en wat jij eet, kunnen wij ook eten." En na het eten zei het paard: "Hier, bij dit woud, is een koningspaleis. Jij kunt er heen gaan en in dienst treden, maar iedere avond moet je hier naar toe komen en ons iets te eten brengen."

Hans ging naar het kasteel en werd als staljongen aangenomen. Hij moest de paarden wassen, roskammen en opwrijven en de stalmeester was erg tevreden over hem.

Toen hij zijn avondeten kreeg, ging hij daarmee het bos in naar het paard dat hem vroeg: "Hoe is het je vergaan Hans?"

"Ik werk in de stal," zei Hans, "en ik heb het zeer naar mijn zin."

"Daar deugt niets van," zei het paard, "daar kun je niet blijven; morgen, als je de paarden hebt gewassen, moet je ze met mest inwrijven." En dat deed Hans; toen hij de volgende morgen de paarden gewassen en geroskamd had, nam hij een handvol mest en smeerde ze vol. Toen kwam de stalmeester en zag het; hij werd vreselijk boos, nam zijn zweep en gaf Hans een verschrikkelijk pak rammel.

Maar toen de kok van het slot dat zag, kreeg hij medelijden met de jongen en zei: "Het is toch schande zo'n kleine jongen zo ongenadig af te ranselen."

"Nee," zei de stalmeester, hij had zich ernaar gedragen: eerst de paarden geroskamd en daarna weer met mest ingesmeerd.

"Geef mij de jongen," sprak de kok, "ik kan zo'n kleintje best gebruiken."

Zo kwam Hans dus in de keuken terecht; daar had hij het nog beter; hij kreeg resten vlees en brood en ook nog een vieruurtje; dat kon hij allemaal naar het paard brengen. 's Avonds ging hij naar het bos en vertelde hoe het hem was vergaan; dat hij nu in de keuken was en het zeer goed had. Maar het paard zei: "Dat is ook niets gedaan, daar kun je ook niet blijven. Morgen, als je afgewassen en afgedroogd hebt, dan moet je de schalen weer vuil maken, zodat je wordt weggejaagd."

"Maar dan krijg ik zoveel slaag," zei Hans.

"Daar moet je niet te zwaar aan tillen," zei het paard. "Voor dat pak slaag word je ruimschoots schadeloos gesteld."

Hans deed wat het paard hem gezegd had. De volgende dag, toen hij had afgewassen, maakte hij het servies weer vuil. Toen de kok dat zag ontstak hij in woede, pakte de pook en gaf de jongen meedogenloos op zijn donder. Hans schreeuwde en jammerde. De tuinman kwam langs en hoorde dat. "Hoe kun je die arme kerel zo slaan?" riep hij.

"Hij is zo ondeugend," zei de kok. "Eerst wast hij alles af en daarna maakt hij het weer vuil."

"Geef mij die kleine jongen maar voor in de tuin," zei de tuinman. "Ik kan hem goed gebruiken."

Dus kwam Hans in de tuin bij de tuinman en 's avonds, toen hij zijn avondmaal had gekregen liep hij het bos in naar het paard. "En waar ben je nu, Hans?" vroeg het paard. "Nu ben ik in de tuin en daar heb ik het goed," zei Hans. "Ja, en je moet daar ook zien te blijven," zei het paard. En Hans was blij, want hij had geen zin om op deze manier nog een keer van dienst te verwisselen.

Hans bleef dus bij de tuinman en had het prima naar zijn zin. Iedere avond ging hij naar het paard toe.

De koning had drie dochters en het was de gewoonte dat de tuinman iedere zaterdag voor elk van hen een boeket moest maken. De eerste zaterdag dat Hans er was, vroeg hij, of hij niet ook een boeket mocht maken. Klaar, dat durfde de tuinman niet. Hij was bang dat Hans het verkeerd zou doen en hij had niet meer bloemen dan hij nodig had. Maar Hans smeekte zo lang tot hij eindelijk toch mocht en hij maakte een boeketje dat veel mooier was als de tuinman ooit had gemaakt.

Nu moesten ze de boeketten naar het paleis brengen, want Hans wilde het zijne persoonlijk afleveren, boven bij de deur waar de prinsessen op een bepaald uur naar buiten kwamen om de bloemen in ontvangst te nemen. Hier zag Hans de prinsessen voor de eerste keer en hij keek goed welke prinses hij het liefste zijn boeket wilde geven en het was de jongste. Hans had een oude, vieze muts over zijn prachtige haar getrokken en die deed hij nooit af. Toen hij bij de deur kwam waar de prinsessen en de edelen stonden zei men tegen hem, dat hij zijn muts moest afnemen. "Ik heb schurft," zei Hans en vanaf die tijd heette hij Schurftige Hans. Als de koninklijke familie in de tuin kwam wandelen dan maakten ze vaak een grapje door tegen Hans te zeggen: "Neem je muts af!" en hij zei dan altijd: "Ik ben schurftig."

Hij gaf dus de jongste prinses zijn boeket bloemen en zij gaf hem een paar goudstukken als fooi. Hij liet ze de tuinman zien en zei dat het vreemd was, dat zij hem penningen had gegeven. De tuinman nam hem de goudstukken af en gaf hem er koperstukken voor in de plaats, want die kende hij.

Toen het weer zaterdag werd, wilde de tuinman, dat Hans alle drie de boeketten zou maken. Maar Hans wilde er maar één maken en dat gaf hij aan de jongste prinses. Ze zei weer tegen hem dat hij zijn muts af moest nemen, maar hij zei weer nee, hij had schurft. Ook kreeg hij weer goudstukken als beloning en de tuinman gaf hem er koperen munten voor in de plaats. De tijd verging en de mensen begonnen de prinses met Schurftige Hans te plagen en ze moest om de haverklap zijn naam horen.

Nu gebeurde het, dat er een oorlog uitbrak en het hele land werd belegerd door een vijandige krijgsmacht. Iedereen die nog niet mee ten oorlog getrokken was, wilde uitrukken en kreeg een paard. Ook Schurftige Hans vroeg om een paard, maar er waren alleen nog maar een paar oude merries die nauwelijks meer konden lopen. Dus reed hij weg op Driebeen (zo noemden de mensen dat paard) en iedereen lachte en grinnikte achter zijn rug.

Apart van de anderen kwam hij 's avonds in het bos waar de leeuw en het paard zich bevonden en waar hij zijn kiel en zwaard had. Hij verstopte zijn vieze jasje en oude muts, bond Driebeen aan een boom en sprong op het paard van de meerman; zijn gouden haren golfden over zijn rug, het zwaard had hij aan zijn zijde en de leeuw liep achter hen aan. Zo reed hij naar het slagveld, hield dichtbij halt en keek hoe de zaken stonden.

De vijand was zo sterk, dat ze bijna de overhand hadden. Toen zei het paard tegen Hans: "Blaas op het handvest van je zwaard!" En er kwamen zoveel soldaten te voet en te paard, dat men de grond niet meer kon zien. Hans sloeg om zich heen met zijn zwaard, de leeuw beet en krabde en zo doodden ze een menigte vijanden.

Toen de vijand overwonnen was, zei het paard tegen Hans: "Blaas nu op de andere kant van je zwaard!" Toen waren alle soldaten verdwenen. Nu was er een wapenstilstand tot de volgende dag - dan zou het gevecht verder gaan.

De koning riep zijn mensen toe dat men hem de man, die de slag had gewonnen, moest brengen. Maar Hans reed naar het bos terug en men kreeg hem niet te pakken. Toen hij in het bos was, zadelde hij het paard af, verstopte zijn kleren en zijn zwaard, stopte zijn mooie haar onder de muts en reed op de oude Driebeen naar het kasteel terug. Hij was de eerste die thuiskwam en kon vertellen hoe het gegaan was: er was iemand gekomen met veel soldaten en die had de vijand verslagen.

De volgende dag ging het precies zo. Hans kwam een paard vragen om uit te rijden en toe te kijken. Ja, zei de koning, als hij zijn schoonzoon wilde worden, dan kon hij hem geen paard weigeren. Dat was namelijk het grapje dat ze over de jongste prinses maakten, ze zeiden dat ze met Schurftige Hans moest trouwen.

Dus kreeg hij weer de oude Driebeen, reed naar het bos en bond hem aan een boom, kleedde zich om en besteeg zijn eigen paard; het zwaard aan zijn zijde, het gouden haar over zijn schouders en de leeuw achter hen aan. Zo reed hij er naar toe, hield halt bij het leger van de koning en keek toe hoe de vijanden de soldaten van de koning versloegen.

Toen zei het paard tegen hem: "Blaas op het handvest van je zwaard!" Er kwamen zoveel soldaten te voet en te paard, dat men ze niet meer tellen kon. Hans sloeg er op los en de leeuw beet en krabde zoveel vijanden dat ze weer wonnen zoals gisteren. Toen zei het paard: "Blaas op de andere kant van je zwaard!" En weer verdwenen ze, tot op de laatste man. De koning en de mensen merkten wel dat ze weer door dezelfde vreemde geholpen waren en reden hem achterna; maar niemand kon hem inhalen voor hij weer in het bos was. De koning begreep niet waar die mensen vandaan gekomen konden zijn, want hij had geen ander volk om bijstand gevraagd.

Hans zadelde zijn paard af, verstopte zijn zwaard en kleren, stopte zijn haar onder de muts, trok zijn oude lompen weer aan en reed op Driebeen naar huis. Hij kwam als eerste thuis en iedereen dromde om hem heen om te horen hoe het was gegaan. Hans berichtte dat er weer vreemde troepen gekomen waren die hen hadden geholpen de vijand te overwinnen. Nu was er een wapenstilstand tot de derde dag, dan zou het gevecht verder gaan.

Toen de anderen wegreden, wilde Hans ook mee om te kijken. De koning zei hetzelfde als de vorige keer: Hans zou ook een paard krijgen aangezien hij toch zijn schoonzoon wilde worden. Alleen Driebeen was nog over en die kreeg hij.

Hij reed naar het woud, trok zijn oude jas uit en de oorlogsmantel aan, sprong op zijn eigen paard, zijn zwaard omgegord, zijn haar golvend over zijn rug en de leeuw er achteraan en zo reed hij tot bij het leger. Die dag was de koning zelf aanwezig, want er moest een einde aan de oorlog worden gemaakt. De koning werd bijna gevangen genomen. Toen zei het paard: "Blaas op het handvest van je zwaard!" En meteen kwamen er zoveel soldaten te voet en te paard, dat de grond niet meer te zien was. Hans reed op de vijand toe en sloeg erop los, de leeuw beet en verscheurde wie er bij hem in de buurt kwam. Dat duurde zo tot er geen enkele vijand meer over was; ze waren allemaal gesneuveld. Toen zei het paard: "Blaas op de andere kant van je zwaard!" Alle soldaten verdwenen tot op de laatste man.

De koning liet alarm blazen, ze moesten hem omsingelen, wie het ook was; want hij was nu al voor de derde keer verschenen. En ze sloten Hans zo nauw in dat hij geen uitweg meer zag. Toch dacht hij naast de koning een gaatje gezien te hebben; hij wilde uitbreken, maar de koning sloeg zo heftig naar hem dat hij hem aan het been verwondde. Hans reed haastig naar het bos terug, zadelde zijn paard af, verborg zijn zwaard, trok zijn oude kleren aan, verborg zijn haar onder de muts, besteeg de oude Driebeen en kwam als eerste op het kasteel terug.

Toen hij thuiskwam, stond de jongste prinses bij de deur en vroeg hoe het met haar vader was; ze wist wel, dat het er slecht voorstond als hij zelf mee naar het slagveld trok. Hans vertelde, dat dezelfde, die al twee keer eerder daar was geweest, nu ook weer aanwezig was en de vijand tot de laatste man vernietigd had maar dat niemand wist waar hij was. Hans' been bloedde en daarover klagend vroeg hij haar of ze niets had om er om heen te binden. De prinses had een zijden zakdoek in de hand waarop haar naam geborduurd stond; die gaf ze hem om zijn been mee te verbinden. Toen kwamen de anderen van het slagveld terug; de koning ook en de oorlog was ten einde.

De koning wist helemaal niet waar hij de man, die hem geholpen had, moest zoeken, maar hij wilde toch weten wie het was. Daarom liet hij in zijn land en in andere rijken bekend maken dat wie aan zijn been gewond was, zijn dochter en het halve rijk zou krijgen en na zijn dood het hele, als hij verschijnen kon in de kledij waarmee de onbekende zich had laten zien.

En daar kwamen ze, uit alle delen van zijn land en uit andere landen. Vele verwondden zich aan het ene been, anderen aan het andere; ze dachten, misschien klopt het en dan kregen ze de prinses en het hele koninkrijk en konden koning worden.

Iedereen had zich laten zien, maar geen van hen kon de wond die door de koning was toegebracht laten zien. Nu wist men niemand meer behalve Schurftige Hans, die had immers ook gekeken en was op Driebeen uitgereden. Ook hij moest zich laten zien. Hans zei weliswaar dat het geen zin had, omdat hij aan de kant had toegekeken op Driebeen. Maar toch moest hij naar het paleis komen. Toen hij daar aankwam zeiden de mensen tegen hem: "Hans, neem je muts af!"

"Ik heb schurft!" zei Hans. Hij liep door en kwam dichter bij de koning.

"Neem je muts af, Hans!" zeiden de mensen. "Je moet met de koning praten."

"Ik heb schurft," zei Hans.

De prinsessen waren ook in de zaal waar hij zich moest tonen; de beide oudsten stootten elkaar aan en lachten de jongste uit: daar kwam Schurftige Hans, die had beslist de vijand verslagen en zou nu zijn prinses krijgen.

De koning begroette Hans en zei dat daar zijn schoonzoon aankwam; hij was toch ook mee ten oorlog getrokken en moest zich dus ook laten zien. Er stonden een paar mensen bij hem die hem hielpen zijn been te laten zien. Hij had wel een wond aan zijn been, zei hij, maar de oude Driebeen was in het bos met hem tegen een boomstam gelopen. De koning wilde de wond zien, maar toen ze hem bloot wilden leggen, was de zakdoek van de prinses er om gewikkeld. Als ze voorheen nog niet genoeg was geplaagd met Schurftige Hans, dan gebeurde het nu wel en iedereen had wat te lachen.

Maar toen de koning het been zag, merkte hij dat dit de wond was die hij had toegebracht. Hij sloeg de muts van Hans zijn hoofd zodat hij wegvloog tot aan de deur en zijn gouden haren golfden over zijn schouders naar beneden. Toen zei de koning: "Jij bent ook niet voor wie we jou gehouden hebben!"

Nu werd zijn been goed verbonden zodat het kon genezen en de koning zei dat hij zich moest vertonen in dezelfde kledij als waarmee hij had gestreden. Hij zag dat Hans zijn bevrijder was geweest; hij mocht een van zijn dochters uitzoeken, welke hij maar wilde. Hans vroeg even geduld. Hij moest een ogenblik naar het bos, maar zou zo weer terug zijn.

Hij ging naar het bos en wierp zijn oude lompen weg, die had hij nu toch niet meer nodig. Toen ging hij naar zijn paard en vertelde hem hoe alles gegaan was. Maar die wist alles al. Toen vroeg hij het paard welke van de drie koningsdochters hij zou nemen. "De jongste moet je nemen," zei het paard, "men heeft haar uitgelachen om jou; haar moet je nemen."

Daarna trok hij zijn gewaad aan en steeg op zijn paard. Het zwaard aan zijn zijde, de leeuw achter hen aan en de gouden lokken over zijn schouders, zo kwam hij op het kasteel. En nu kon iedereen zien dat hij de heldendaden in de oorlog had verricht. Iedereen kwam hem tegemoet en de koning vroeg hem welke van de dochters hij nu wilde hebben. Hans zei, zoals het paard hem geraden had, dat hij de jongste wilde; ze was om hem zo lang uitgelachen, dat hij van haar nu het meeste hield. De bruiloft werd vastgesteld en Hans werd koning.

Het paard en de leeuw werden naar de stal gebracht en iedere dag kwam Hans met het paard een praatje maken en het kreeg hetzelfde eten als Hans. Op zijn trouwdag was Hans ook bij het paard in de stal en toen zei het paard: "Ik heb je van de meerman verlost en je geholpen koning te worden. Wil je mij nu ook verlossen?" Ja natuurlijk, zei Hans, als hij dat kon. "Dan moet je mijn hoofd afslaan en het er op de plaats van mijn staart aanzetten en mijn staart afslaan en die op de plaats van mijn hoofd aanzetten!"

"Dat kan ik niet," zei Hans, "je bent zo goed voor mij geweest, dat kan ik je niet aandoen."

"Als je het niet doet, dan word je weer ongelukkig, net als toen de meerman achter ons aanzat."

Toen moest Hans het doen. Maar nauwelijks had hij het gedaan of het paard veranderde in de mooiste prins die men zich maar kan voorstellen. Hij ging met Hans naar het paleis en de koning. De koning herkende hem meteen, hij was namelijk een erfprins van zijn rijk. De koning schrok, want nu had hij zijn rijk aan Hans gegeven. "Dat is niet erg," zei de prins, "want als Hans er niet was geweest, dan was ik ook nooit verlost. En als ik er niet was geweest, dan was Hans geen koning geworden; ik gun Hans het rijk."

En zo bleef de prins zijn vriend en trouwe raadgever. De leeuw was een leeuw en bleef een leeuw die met hen ten oorlog trok; en hij overwon iedereen waarmee hij vocht. Sinds die tijd durfde niemand meer oorlog met hen te voeren, want ze hadden door het zwaard een verschrikkelijke naam gekregen en ze leefden hun hele leven lang gelukkig en tevreden.


*   *   *

Hans met de gouden haren Samenvatting
Een Deens sprookje over gedienstigheid en behulpzaamheid. Een twaalfjarige jongen moet bij een meerman in dienst treden; daar ontmoet hij een sprekend paard. Samen met het paard en een leeuw, ontsnapt de jongen. Bij het kasteel van een koning gaat de jongen werken. Wanneer het oorlog is, helpt hij - met de hulp van het paard en de leeuw - de koning aan de overwinning. Lees het verhaal

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Deense volkssprookjes" bijeengebracht door Laurits Bødker. A.W. Bruna & Zoon, Utrecht/Antwerpen, 1974. ISBN: 90-229-3308-3

Herkomst: Denemarken
Verteltijd: ca. 41 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook