Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 22 min.
Herkomst:




Het betoverde hert Een Italiaans sprookje over een mensenetend monster

Er was eens een zekere koning van Lungapergola, genaamd Jannone, die vurig verlangde kinderen te krijgen en steeds opdroeg, tot de goden te bidden, dat zij zich zouden verwaardigen, zijn vrouw in blijde verwachting te brengen. En om hen te bewegen, hem deze troost te gunnen, was hij zo weldadig jegens pelgrims, dat hij hun gaf wat hem het liefste was. Doch tenslotte, toen hij zag, dat de zaak op de lange baan geschoven werd en er geen sprake van een naderende geboorte was, sloeg zijn humeur om en werd hij somber en hard en hield de huisdeur op slot, en als iemand het waagde te naderen, schoot hij met zijn boog naar hem.

Er trok door die streek een grote wijze met lange witte baard, en daar hij niet wist, dat de koning van stemming veranderd was - of misschien wist hij het wel en wilde er een middeltje tegen brengen - ging hij Jannone opzoeken en vroeg hem om gastvrijheid in zijn huis. De koning zette een bars gezicht en fronste zijn voorhoofd verschrikkelijk en sprak tegen hem: "Als jij niets beters te vragen hebt dan dit, dan kun je wel meteen ophoepelen. De goede oude tijd is voorbij, man! Mijn ogen zijn open gegaan; nu zijn hier geen zoete broodjes meer te bakken!" En toen de oude man de reden van deze verandering gevraagd had, antwoordde hij: "Uit verlangen, kinderen te krijgen, heb ik met rijke hand gegeven en uitgestrooid aan wie kwam en wie ging, en mijn goed weggegooid. Doch tenslotte zag ik, dat het verloren moeite was, me uit te kleden en toen heb ik mijn hand teruggetrokken en het anker opgehaald."

De oude gaf bescheid: "Als het niet anders is dan dit, wees dan maar gerust, want ik zal dadelijk zorgen, dat uw vrouw kinderen krijgt!"

"Als jij dat doen wilt," sprak de koning, "dan beloof ik je de helft van mijn rijk te zullen geven!"

En de oude vervolgde: "Welaan, luister dan goed naar me. Laat het hart van een zeedraak halen en laat een maagd het braden, die al door de geur, welke uit de pan opstijgt, zelf ook in blijde verwachting zal geraken. En wanneer dat hart goed gaar is, geef het dan te eten aan de koningin, en u zult zien, dat zij dan onmiddellijk in positie raakt als van negen maanden."

"Hoe kan dat!" merkte de koning op, "om je de waarheid te zeggen lijkt me dat een tamelijk sterk staaltje!"

"Verbaas u daarover niet," zei de oude, "want als u de fabels leest, zult u vinden, dat Juno op een bloem door de Olenische velden ging, zwanger werd en een kind baarde."

"Als dat zo is," sprak de koning weer, "moet onverwijld zo'n drakenhart gezocht worden. Per slot verlies ik er niets mee."

Er werden dus honderd vissers op zee gestuurd, die allerhande netten en ander vistuig gereed maakten; en zolang koersten en manoeuvreerden zij, tot zij een draak vingen, deze het hart uitsneden en het naar de koning brachten. De koning gaf het te braden aan een schone hofdame. Deze sloot zich op in haar kamer. En zo gauw de schone kokkin dat hart op het vuur gezet had en de geur van het braden er uit opsteeg, werd niet alleen zij zwanger, doch alle meubels in de kamer zwollen zichtbaar. En weinig dagen later jongden zij, en het ledikant maakte een klein bedje, de geldkist een klein kistje, de zetels maakten kleine stoeltjes, de tafel maakte een mimietje en de kamerpot zulk een mooi geglazuurd potje, dat het een lust was om te zien.

Toen het hart gebraden was, proefde de koningin er even van en onmiddellijk voelde zij, dat ze in positie was, en aan het einde van vier dagen brachten zij en de hofdame tegelijkertijd ieder een flinke jongen ter wereld, de een zo volmaakt gelijkend op de ander, dat men hen niet uit elkaar wist te houden.

De twee groeiden samen op en hielden zoveel van elkaar, dat zij nooit buiten elkaar konden; en zo innig waren zij elkaar verknocht, dat de koningin wat jaloers begon te worden, omdat haar zoon een grotere genegenheid aan de dag legde voor de zoon van een hofdame dan voor haar. Zij wist geen middel te vinden om deze gedachte kwijt te raken.

Op zekere dag, toen de jonge prins met zijn makker op jacht wilde gaan, liet hij vuur maken in de haard in zijn kamer en begon het lood te gieten om kogeltjes te maken.

Doch hij bemerkte, dat hem iets ontbrak en ging het zelf zoeken. Op dat moment kwam onverwacht de koningin binnen, om te zien, wat haar zoon uitvoerde, en toen zij alleen Canneloro, de zoon van de hofdame, aantrof, schoot haar in de gedachte, hem uit deze wereld te helpen en zij slingerde hem een gloeiend instrument voor het gieten van de kogeltjes in het gezicht. De jongeman bukte zich, doch het voorwerp trof hem boven een wenkbrauw en veroorzaakte een ernstige wond.

De koningin zou hetzelfde nog eens gedaan hebben, als toen niet haar zoon Fonzo binnengekomen was. Zij deed nu, alsof ze was komen kijken, hoe hij het maakte, streelde hem wat onhandig en verliet de kamer weer.

Canneloro had intussen een hoed opgezet, om niet aan de prins te laten zien, wat hem overkomen was, en stond stil en hield zich kranig, hoewel de wond brandde. En toen hij klaar was met kogeltjes draaien alsof hij een mestkever was, vroeg hij de prins toestemming, het land te mogen verlaten. Dit verbaasde Fonzo ten zeerste, want Canneloro had hier nooit eerder op gezinspeeld, en hij vroeg hem dan ook de reden van dit besluit. Canneloro antwoordde: "Beste Fonzo, vraag niet verder; laat je dit genoeg zijn, te weten, dat ik gedwongen ben te vertrekken. De hemel weet, dat, nu ik van jou, mijn beste vriend, wegga, mijn ziel van het lichaam scheidt, mijn geest buiten mij treedt en het bloed uit mijn aderen vloeit. Maar ik kan niet anders. Wees gezond en denk aan mij!"

Zij omarmden elkaar en stortten tranen en vervolgens begaf Canneloro zich naar zijn kamer, deed een wapenrusting aan, nam een zwaard - en dit was uit een ander wapen ontstaan ten tijde dat het drakenhart gebraden werd - en haalde een paard uit de stal. En hij stond op het punt, de voet in de stijgbeugel te zetten, toen Fonzo hem onder tranen bereikte en tegen hem zei, dat, nu hij vastbesloten was weg te gaan, hij hem tenminste enig teken van zijn genegenheid moest achterlaten, om het leed om zijn afwezigheid iets te temperen. Canneloro greep zijn dolk, stak deze in de aarde en dadelijk ontsprong er een mooie bron; en hij sprak: "Zie, dit is de mooiste gedachtenis, welke ik je geven kan, want uit de loop van deze bron zul jij mijn levensloop kennen. Als je haar helder ziet vloeien, dan wil dit zeggen, dat mijn leven ook helder en rustig voortgaat. Indien zij troebel wordt, bedenk dan, dat ik zorgen lijd. Doch als zij opdroogt (en moge de hemel ons dit besparen!) geef er je dan goed rekenschap van, dat dan de olie in mijn levenslamp op is en ik aan het punt gekomen ben, de belasting te betalen, welke ieder aan de natuur verschuldigd is!"

Vervolgens greep hij zijn zwaard, gaf een slag op de grond en deed een mirtenstruik ontspruiten en sprak: "Altijd wanneer je zien zult dat deze fris staat, zal mijn leven fris als knoflook zijn. Als je haar slap ziet hangen, bedenk dan dat het met mijn voorspoed niet al te best gaat. Indien ze geheel verdort, dan kun jij voor Canneloro een 'hij rust in vrede' bidden!" En opnieuw omhelsde hij hem en hij vertrok.

En rijden, rijden maar, waarbij hem zoveel lotgevallen overkwamen, dat het te lang zou duren, alle te vertellen: ruzies met voerlui, moeilijkheden met logementhouders, knevelarijen van gemene douaniers, gevaren van misstappen, bandieten die hem teisterden enzovoort, enzovoort. En tenslotte kwam hij ergens ten tijde dat er een schitterend toernooi gehouden werd met als prijs voor de overwinnaar de dochter van de koning.

En Canneloro, die naar voren trad om er aan deel te nemen, gedroeg er zich zo kranig, dat hij alle ridders, die van verschillende delen gekomen waren om zich naam te verwerven, in het zand deed bijten. En zo kreeg hij de koningsdochter Fenizia tot vrouw en werd er een groot feest gehouden.

Gedurende enkele maanden leefden de jonggehuwden in heilige vrede, tot Canneloro de trieste gedachte kreeg, op jacht te gaan. De koning sprak tot hem: "Pas op, dat je niet te pakken genomen wordt, beste schoonzoon van me! Zorg er voor, dat de duivel je niet verleidt! Houd je positieven flink bij elkaar! Houd je ogen goed open, vriend! Door deze bossen waart een duivels monster rond, dat elke dag van uiterlijk verandert, de ene keer is het leeuw, een volgende keer hert, en daarna weer ezel, nu eens het een, dan weer het ander. Met duizend kunstgrepen weet het de ongelukkige die hem ontmoeten naar een grot mee te slepen, waar het hen opeet. Breng dus, mijn zoon, je leven niet in gevaar, want je zult er niet zonder kleerscheuren af komen!"

Canneloro, die nooit bang was, sloeg geen acht op de raadgevingen van zijn schoonvader, en zo gauw de zon met de muizendoornbezem van haar stralen het roet van de nacht opgeveegd had, ging hij op jacht. En toen hij bij een bos gekomen was, waar onder het bladerloof de schaduwen bijeenkwamen om tegen de zon samen te spannen, veranderde het monster, dat hem uit de verte zag, in een schoon hert. Canneloro begon het te achtervolgen, doch het hert hield hem aan het lijntje en lokte hem zo van plek naar plek mee, dat hij hem tenslotte in het hartje van het bos had. Hier liet het monster het hevig regenen en sneeuwen, zodat de hemel leek in te vallen; en Canneloro, die zich nu voor het hol van het monster bevond, ging er binnen om te schuilen. Verstijfd van kou als hij was verzamelde hij wat hout, dat in het hol lag, bijeen, diepte uit zijn zak een vuurslag op en ontstak een flink vuur.

Terwijl hij zich zo verwarmde en zijn kleren droogde, kwam aan de opening van het hol het hert en smeekte hem: "O, Heer ridder, sta mij toe, dat ik wat warmte kom halen, want ik ben verkleumd van de kou!"

Canneloro, die een beleefde kerel was, zei tegen hem: "Kom nader en wees welkom!"

"Ik kom graag," antwoordde het hert, "maar ik ben bang, dat ge me daarna doodmaken zult!"

"Heb maar geen zorg," vervolgde Canneloro, "kom maar gerust, mijn woord er op!"

"Als u wilt, dat ik kom," zo sprak weer het hert, "bind dan die honden, dat ze me geen kwaad kunnen doen en maak het paard vast, opdat het me geen trappen geeft!" En Canneloro bond de honden vast en legde het paard de ketenen aan.

"Zeker, nu ben ik al voor de helft verzekerd; maar als u niet dat zwaard onschadelijk maakt, dan kom ik, bij de ziel van mijn grootvader, niet binnen!"

En Canneloro, die graag goede maatjes met het hert wilde worden, willigde dit verzoek in, zoals de boer doet, wanneer hij de stad binnen komt en uit angst voor de overheid zijn wapens afgeeft. Toen het monster zag, dat Canneloro zonder verdedigingsmiddel was, nam het zijn eigen gedaante weer aan; en het greep hem en liet hem in een kuil zakken, die achter in het hol was en legde er een steen op, om hem te zijner tijd op te peuzelen.

Fonzo, die nooit naliet, 's morgens en 's avonds een bezoek aan de bron en de mirtenstruik te brengen, om nieuws over Canneloro's toestand te krijgen, trof de ene troebel en de andere slap aan en dacht dadelijk, dat zijn boezemvriend in moeilijkheden verkeerde. Vastbesloten, hem hulp te bieden, vroeg hij geen toestemming aan zijn vader en moeder, doch steeg te paard, goed gewapend, nam twee toverhonden mee en ging de wijde wereld in. Hij zwierf rond, trok her- en derwaarts, tot hij kwam aan een stad, die hij geheel in rouw gedompeld vond om de vermeende dood van Canneloro. Doch toen hij verscheen was zijn gelijkenis met Canneloro zo groot, dat allen aan het hof hem voor de schoonzoon van de koning versleten en velen kwamen aanlopen, om aan Fenizia een fooi te vragen voor het goede nieuws, dat zij haar brachten. Fenizia holde de trappen af, viel Fonzo in de armen en sprak: "Manlief, mijn hartje, waar ben jij zoveel dagen geweest?" Waarop hij dadelijk ging vermoeden, dat Canneloro naar die stad gekomen en er weer uit vertrokken was. En hij maakte het plan, de prinses slim te ondervragen, om haar op een of ander woord te betrappen en dan op die wijze te weten te komen, waar zijn vriend wel kon wezen. En toen hij haar hoorde zeggen dat 'hij zich door die vervloekte jacht in te groot gevaar begeven had, vooral als hij het monster ontmoette, dat zo wreed tegenover mensen is', trok hij hier de conclusie uit, dat zijn vriend daar in moeilijkheden was geraakt. Doch hij zei niets en toen de nacht kwam ging hij naar bed. Hij veinsde toen, aan Diana een gelofte gedaan te hebben en plaatste tussen Fenizia en zichzelf een ontbloot zwaard en wachtte ongeduldig tot de zon zou uitrijden, om de vergulde pillen aan de Hemel toe te dienen en deze te ontlasten van de duisternis.

's Morgens, uit bed opgestaan, hielpen geen smeekbeden van Fenizia of bevelen van de koning, om hem af te houden van de jacht. Te paard, vergezeld van de twee betoverde honden, reed hij het bos in, waar hem precies hetzelfde overkwam als wat Canneloro gepasseerd was. In het hol vielen hem onmiddellijk Canneloro's wapenen en de vastgebonden honden en het paard op en hij hield het nu voor zeker, dat zijn vriend in de val gelopen was. Doch toen het hert hem smeekte, alsjeblieft de wapenen af te leggen en de honden en het paard te binden, joeg hij juist de honden er tegen op, die het in stukken scheurden. En toen hij zijn vriend zoeken ging, hoorde hij een klagelijk geluid uit de kuil komen. Hij tilde de steen op en trok Canneloro tevoorschijn met alle anderen, die het monster levend begraven hield, om vet te mesten. Daarna omarmden zij elkaar met grote vreugde en gingen naar huis. Fenizia zag deze twee evenbeelden aankomen en wist niet, wie van beiden zij als haar man moest kiezen. Doch toen Canneloro zijn hoed afnam en zij het litteken zag, herkende zij hem en viel hem om de hals.

Het betoverde hert
Fonzo bleef een maand aan dat hof en schepte er groot vermaak in. Doch daarna wilde hij weer naar zijn land en terugkeren naar zijn nest. Canneloro gaf hem een brief aan zijn moeder mee, opdat zij zou kunnen delen in zijn geluk. En dit deed zij. En van toen af wilde hij niet meer van honden of van de jacht weten, want hij was door de bittere ondervinding wijs geworden.


*   *   *

Het betoverde hert Samenvatting
Een Italiaans sprookje over een mensenetend monster. Door het bereiden en eten van een drakenhart baren een dienstmaagd en een koningin allebei gelijktijdig een zoontje. Ze groeien samen op en worden beste vrienden. De koningin is echter jaloers en verwondt de vriend van haar zoon, waarop deze het land verlaat. Als hij in een bos door een mensenetend monster gevangen wordt genomen, komt zijn jeugdvriend hem te hulp. Lees het verhaal

Toelichting
Uit de Pentamerone (Lo cunto de li cunti overo lo trattenemiento de peccerille - Het sprookje der sprookjes, of Vermaak voor de kleinen) van Giambattista Basile (Eerste dag, negende sprookje).

Vergelijk met De wonderbaarlijke zwangerschap, De zoons van de koopman, De twee broers, De goudkinderen.

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Oorspronkelijke titel

Bron
"Italiaansche volkssprookjes" bewerkt naar de Pentamerone van G. Basile door Rien Valkhoff, illustraties van Frans Lammers. Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V., Utrecht, 1948.

Herkomst: Italië
Verteltijd: ca. 22 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook