Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 30 min.
Herkomst:




Het bot Een trieste liefdesgeschiedenis waarin een voorspelling uitkomt

Er was eens een koning van Fossostretto, die een knappe dochter had en graag wilde weten, welk lot voor haar in het boek van de sterren geschreven stond. Daarom riep hij alle geestenbezweerders, sterrenwichelaars en waarzeggers van dat land bijeen. Deze kwamen aan het koninklijk hof en de een onderzocht de lijnen van haar hand, de ander haar gelaatstrekken, een derde de moedervlekjes op het lichaam van Renza (want zo heette de koningsdochter), en ieder zei zijn mening. De meerderheid van hen concludeerde, dat zij gevaar liep, door een bot om het leven te komen. Toen de koning deze horoscoop kreeg, wilde hij zich haasten om dit te voorkomen, en hij liet een mooie toren bouwen, waarin hij zijn dochter opsloot met twaalf hofdames en een dame voor het huishouden, die haar moesten dienen, en hij beval haar, op straffe des doods, de prinses steeds vlees zonder botten voor te zetten, om de vijandig gezinde planeet te ontlopen.

Nu gebeurde het op zekere dag, toen Renza al gegroeid was als de maan, dat zij uit het torenvenstertje keek door een ijzeren traliewerk, en toevallig Cecio langs kwam, de zoon van de koningin van Vignalarga, die dadelijk van zijn stuk raakte bij het zien van zo'n schone jonkvrouw. En daar zij hem teruggroette en met een lachend mondje toelonkte, vatte hij moed en kwam dichter onder het raam staan en zei tegen haar: "Gegroet, protocol van alle privilegies van de natuur! Gegroet, archief van alle concessies des hemels, gegroet, register van alle titels van de schoonheid!"

Toen Renza zich deze lof hoorde toezwaaien, werd zij door het schaamrood nog schoner en, door vers hout op het liefdesvuur van Cecio te werpen, goot zij hem - zoals hij beweerde - kokend water op zijn brandwonden. En daar zij niet in beleefdheid voor Cecio wilde onderdoen, antwoordde zij: "Wees welkom, provisiekamer van het beleg op de boterham van de Gratiën, magazijn van de levensmiddelen van de deugd, douanekantoor van de koopwaar van liefde!"

Cecio antwoordde: "Hoe is het toch mogelijk, dat het kasteel van de troepen van Cupido in een toren opgesloten zit? Hoe is zij zo gekerkerd, die zelf de kerker van de zielen is? Hoe kan een schone appel van goud achter een ijzeren hek liggen?"

Renza vertelde hem toen, hoe het met de zaak stond, en Cecio zei haar, de zoon van een koningin, doch een vazal van haar schoonheid te zijn, en dat, als zij genegen was zich naar zijn rijk uit de voeten te maken, hij haar de kroon op het hoofd zou zetten. En daar zij voelde, een benauwd luchtje aangenomen te hebben als iets, dat lang tussen vier muren opgesloten is geweest, en er hevig naar verlangde, frisse lucht in te ademen in de vrije natuur, sprak zij met hem af, er de volgende morgen - op het ogenblik dat de dageraad de vogels tot getuigen oproept van het bevuilen van haar huis, wat de schuld van het morgenrood is - samen vandoor te gaan. Zij wierp hem van boven uit het raampje een kus toe en ging weer naar binnen, en de prins trok zich terug in zijn verblijf.

Renza was aan het overdenken, hoe zij zich heimelijk uit de voeten kon maken en de hofdames om de tuin leiden, toen een buldog, die de koning als wachter over de toren gesteld had, haar kamer binnenkwam met een groot bot in zijn bek, en terwijl hij hierop onder het bed aan het kluiven ging, zag Renza het bot. Dadelijk bedacht zij, dat dit een instrument was, welk de Fortuin haar in haar belang zond; en zij joeg de hond uit haar kamer en pakte het hem af. Vervolgens gaf zij aan de hofdames te verstaan, dat zij hoofdpijn had, en dat ze haar daarom moesten laten rusten zonder haar te storen; en zij sloot de deur af.

Zo in haar eentje begon zij het bot te hanteren als een metselaar van beroep. Zij bikte een steen van de muur af en bewerkte zo, dat ze deze losmaakte en afbrak, waardoor zij zonder moeite door de opening kon. Daarna scheurde zij een paar lakens en draaide die in elkaar als een touw; en toen het scherm van de duisternis van de hemel verwijderd was, daar de dageraad optrad om de proloog te zeggen van de tragedie van de nacht, hoorde zij Cecio fluiten, maakte het uiteinde van de lakens aan een raampost vast en liet zich naar beneden op de weg. Cecio omhelsde haar teder en zette haar op een ezel, waarop hij een kleed gelegd had, en zo begaven zij zich op pad naar Vignalarga.

's Avonds bereikten zij een plaats, genaamd Viso en namen hun intrek in een prachtig paleis, waar Cecio bezit nam van de mooie boerderij van liefde, welke hij verworven had. De Fortuin echter heeft de ondeugd, het kluwen in de war te brengen, het spel te bederven en een lange neus te trekken tegen alle goede voornemens van de verliefden. En deze keer liet zij op het hoogtepunt van hun verrukkingen een koerier met een brief van Cecio's moeder verschijnen, waarin hem gemeld werd onmiddellijk te vertrekken om haar weer te zien, anders zou hij haar niet weer levend terug vinden; want zij sleepte zich nog voort zo goed zij kon, doch bevond zich reeds op het punt, het einde van het alfabet des levens te bereiken.

Bij dit slechte nieuws zei Cecio tegen Renza: "Mijn lief, de zaak is belangrijk en het is nodig, dat ik snel van post tot post rijd, om op tijd te komen. Blijf jij een stuk of vijf, zes dagen hier, want ik kom dadelijk terug of stuur iemand om je te halen!"

Renza barstte in snikken uit bij deze droeve aankondiging en antwoordde: "Hoe rampspoedig is mijn lot, hoe gauw is het vat mijner vreugden tot het bezinksel gekomen! Hoe daalde tot de droesem de ketel van mijn vermaak! Tot welk een armzalig restje is de korf van mijn tevredenheid gereduceerd! Ach, ik ongelukkige, daar mijn hoop vervloeit met het water, mijn plannen in rook opgaan en al mijn voldoening zich in niets oplost! Nauwelijks ben ik begonnen, dit koninklijk sausje te proeven, of de hap blijft me al in de keel steken. Nauwelijks heb ik de lippen aan deze bron van zoetheid gebracht, of mijn genot wordt vertroebeld. Nauwelijks heb ik de zon zien opkomen, of ik kan zeggen: slaap lekker, oom strozak!"

Deze en dergelijke woorden kwamen uit de Turkse bogen van haar lippen om de ziel van Cecio te doorboren, tot deze haar zei: "Wees stil, o schone stut van mijn leven, o heldere lantaarn van mijn ogen, o troostende hyacintsteen van mijn hart, want spoedig zal ik terug zijn. De mijlen afstand zullen niet kunnen bewerken, dat ik mij een handpalm verwijder van uw schone persoonlijkheid; de kracht van de tijd zal niet uw beeld uit mijn hoofd kunnen verdrijven! Wees kalm, pieker niet, droog uw ogen en houd mij in uw hart!" Met deze woorden steeg hij te paard en begon de rit naar zijn rijk.

Renza, die er ellendig aan toe was, ging hem na en volgde zijn spoor en na een paard losgemaakt te hebben, dat zij op een wei vond grazen, ging zij galopperen op de weg die hij genomen had. Onderweg ontmoette zij de knecht van een kluizenaar en dadelijk steeg zij van het paard en verwisselde haar kleren, die geheel met goud afgezet waren met de bedelpij en het koord, dat hij droeg. Zij deed de pij aan, gordde het koord om - zij, die zelf zielen met de strik van liefde omgordde - en ging weer rijden. Het paard gaf zij flink de sporen, zodat zij in korten tijd Cecio bereikte, en tegen hem sprak zij: "Welkom, edele heer!"

"Welkom, beste broeder!" antwoordde de ander, "waar komt u vandaan en waarheen voert uw weg?"

En Renza weer:
"Ik kom van waar te klagen staat
een vrouw; zij zegt: o bleek gelaat,
wie heeft u weggenomen, ach!
die ik zo graag naast mij zag?"
Cecio, die haar niet herkende en meende, dat zij een knaap was, riep uit: "Schone jongeling, hoe dierbaar is mij je gezelschap! Doe mij dus een plezier en neem alles wat me lief is: wijk nooit van mijn zijde en herhaal vaak deze verzen, want heus, je beurt er mijn hart mee op!"

Zo, elkaar met de waaier van aangename kout koelte toewuivende voor de hitte van de weg, kwamen zij samen in Vignalarga aan. Daar kregen zij te horen, dat de koningin Cecio uitgehuwelijkt had; om die reden had zij hem met een list laten roepen en de toekomstige echtgenote was al aanwezig en wachtte op hem. Cecio bad zijn moeder, de jongeling, die hem vergezeld had, in huis te houden en als zijn broer te behandelen; en na de toestemming van zijn moeder deed hij hem naast zich verblijven en aan eenzelfde tafel met de bruid eten.

Denkt u eens even in, hoe de ongelukkige Renza zich voelde; alsof zij braaknoot geslikt had! Toch herhaalde zij nu en dan de verzen, die zo in de smaak van Cecio vielen. Doch toen de maaltijd voorbij was en de bruid zich terugtrok in een vertrek, om onder vier ogen met Cecio te spreken, liep Renza, om gelegenheid te hebben het leed van haar hart te luchten, een tuin binnen, die naast het paleis lag en ging onder een moerbeiboom zitten en begon te klagen: "Ach, wrede Cecio, is dat je duizendmaal bedankt voor de liefde, die ik je toedraag? Dit je 'beste dank' voor het geluk, dat ik je toewens? Dit je fooi voor de genegenheid, die ik je betoon? Daarom heb ik dus mijn vader in de steek gelaten, ben ik mijn huis ontvlucht, heb ik mijn eer met voeten getreden en me begeven in de macht van een woeste hond, om nu de pas te zien afgesneden, de deur voor het gezicht dicht gegooid en de brug opgehaald, waar ik geloofde, bezit te nemen van die schone burcht; om me te zien aangeslagen voor de belasting van je ondankbaarheid, terwijl ik meende, je gunst veroverd te hebben! Ik stelde er al mijn verwachtingen op en nu heb ik er maar weinig profijt van; ik heb er mijn vuurpijlen van verlangen op afgeschoten en nu haal ik bij mijn visvangst slechts modder van ondankbaarheid op; ik heb luchtkastelen gebouwd, en - plof! - ben ik met mijn lichaam op de aarde geslagen! Dit is dus het loon, dat ik ontvang; dit de gelijke munt, die mij betaald wordt; dit is dus de betaling, die ik erlang! Ik heb de emmer in de put van het liefdesgenot laten zakken en nu houd ik het hengsel in mijn hand over; ik heb de was van mijn plannen uitgehangen en nu is het er bij heldere hemel op gaan regenen; ik heb de pan van de gedachten op het vuur van het verlangen gezet en daar is het roet van de ongelukken in gevallen. Maar wie had ooit kunnen denken, dat je woord zo waardeloos zou blijken, dat het vat van de beloften zakken zou tot het bezinksel, dat het brood van de goedheid schimmelen zou? Dat is een mooi soort rechtschapenheid, een fraai bewijs van een eerlijk persoon. Een mooi smoesje van een koningszoon: me voor de mal houden, me iets wijs maken, me om de tuin leiden, me bedotten, me zeeën en bergen beloven, om me daarna in een kuil te gooien; mijn gezicht wassen, om me vervolgens het hart zwart te maken! O, ijdele beloften, o, bedrieglijke woorden, o, valse eed! Daar heb je het nu, dat je al mijlen van me vandaan was, toen ik meende eindelijk een goed tehuis gevonden te hebben. Ach, ik dacht, met deze wreedaard één te zijn, en nu zullen wij als hond en kat leven; waar ik mij verbeeldde met deze razende hond uit één bak te eten, zal ik nu als een adder tegenover hem staan; want ik zal nooit dulden, dat een ander met een troef van goed geluk mij de kaart van mijn hoop uit de handen neemt; ik zal niet verdragen, dat ik schaakmat gezet word. Ach, Renza, wat ben je op de verkeerde weg! Wou jij je verlaten op woorden van mannen en ging je daar prat op? Mannen, voor wie geen wet of trouw bestaat! Een stakker is, wie zich daarmee inlaat, ellendig wie er aan vasthoudt, ongelukkig wie zich ter ruste legt in het brede bed, dat zij gewoon zijn voor je te maken! Toe, geef er maar niet om: je weet, wat het waard is; je weet, dat er aan de bank van de hemel geen knoeierige klerken zitten die de papieren vervalsen; en wanneer je dit het minste verwacht, zal jouw dag komen. Maar ik bemerk, dat ik mijn redeneringen tegen de wind houd en in het vage zucht; ik zucht tevergeefs en ik klaag in mijn eentje. Vanavond vereffent hij zijn rekening met zijn bruid en betaalt de premie; en ik maak de rekening met de dood op en betaal mijn schuld aan de natuur. Hij zal in een blank bed, geurend van schone was, liggen; ik in een donkere kist, die een lijkenlucht heeft. Hij zal zich vermeien met die gelukkige, ik zal een einde aan mijn ellendig leven maken!"

Na deze en vele andere woorden van smart en toorn werd Renza, toen de tijd daar was, om met de tanden te werken, aan tafel geroepen, waar de heerlijke spijzen voor haar arsenicum en kroontjeskruid waren, want zij had wel iets anders aan het hoofd dan eten en een ander gevoel in haar maag dan de begeerte deze te vullen. En toen Cecio zag, dat zij het zo te kwaad had en zo down was, zei hij dan ook tegen haar: "Wat heb je, dat je deze spijzen geen eer aandoet? Wat is er? Wat denk je? Wat voel je?"

"Ik voel me niet lekker," antwoordde Renza, "ik weet niet, of het van een bedorven maag of van duizeligheid komt!"

"Je doet goed, niet te eten," ried de ander, "want dieet is het beste middeltje tegen iedere kwaal; maar als je een dokter nodig hebt, dan zullen wij een dergelijke arts halen, die op het gezicht alleen al, zonder de pols te voelen, de ziekten van de mensen kent!"

"Het is geen kwaal voor recepten," zei Renza, "en niemand weet, wat een pan te lijden heeft zonder pollepel."

"Ga een luchtje scheppen," zo vervolgde Cecio.

En Renza weer: "Hoe meer ik om mij heen zie, hoe erger mij het hart breekt!"

Met deze woorden eindigde de maaltijd en kwam het uur van slapen. En Cecio wilde, om altijd die verzen te kunnen horen, dat zijn makker op een rustbed ging liggen in dezelfde kamer, waar hij met zijn vrouw moest slapen. En telkens riep hij, die verzen te herhalen, die als dolksteken waren in het hart van Renza en ergernis voor de vrouw. Deze luisterde almaar en barstte eindelijk los: "Jullie maken me gek met dat 'bleke gelaat!' Wat voor nare muziek is dat! Het is een benauwenis voor me, die maar nooit ophoudt! In hemelsnaam, hoe kunnen jullie dat? En wat betekent het? Is het een gril, dat jullie aldoor hetzelfde zeggen? Ik meende bij het slapen gaan engelenmuziek te zullen horen en niet aldoor die vervelende stem! Alsjeblieft, nu er mee ophouden, manlief! En jij, houd je mond, want jij riekt naar knoflook, en laat ons nu met rust!"

"Stil, vrouwtje van me!" antwoordde Cecio, "laat ons nu niets meer zeggen!" En bij deze woorden gaf hij haar zo'n klinkende kus, dat men op een mijl afstand de klap kon horen. Dit geluid van lippen was als een donderslag in het hart van Renza, die er zoveel smart van ondervond, dat het, nadat alle geesten toegesneld waren om aan haar hart hulp te verlenen, teveel voor haar werd en zij de benen strekte en bezweek.

Na enige tijd fluisterde Cecio naar Renza, om die verzen nog eens te willen herhalen, die hij zo graag horen mocht. Maar toen hij geen antwoord kreeg, zoals hij verwachtte, bad en smeekte hij haar, hem dat pleziertje toch te doen; en hij merkte, dat zij stil bleef en daarom stond hij zachtjes op en trok haar aan een arm. Doch, omdat zij toen zelfs nog geen antwoord gaf, legde hij zijn hand op haar gezicht en bij het aanraken van de steenkoude neus bemerkte hij, dat het vuur van de natuurlijke warmte van dat lichaam gedoofd was.

Ontsteld, vol schrik, riep hij dadelijk om kaarsen, en toen hij dat lichaam zag, herkende hij Renza aan een aardig moedervlekje, dat zij op haar borst had. En hij begon te gillen: "Wat zie je nu, ongelukkige Cecio? Wat is je overkomen, rampzalige? Welk schouwspel vertoont zich aan je ogen? Welk debacle valt op je lijf? O, mijn lieve bloem, wie heeft jou geplukt? Mijn lamp, wie heeft je gedoofd? O ketel van de vreugden van liefde, hoe ben je zo leeggeschonken? Wie heeft je omgegooid, schone woning van mijn geluk? Wie heeft je verscheurd, o brief van mijn genot? Wie heeft je in de grond geboord, fraai schip van de vermaken van mijn hart? O, geluk van mij, nu bij het sluiten van je mooie ogen de winkel van de schoonheid gefailleerd is, wordt de bedrijvigheid van de Gratiën onderbroken en gaat de liefde de doodsbeenderen bij de Ricciardo-brug wegwerpen! Bij het heengaan van de schone ziel is het zaad van de schone verloren gegaan en het keur van de lieftalligen bedorven en kan men niet meer het kompas voor de zee van de schoonheden van liefde vinden. O leed, waarvoor geen hoop bestaat, o onvergelijkelijke schade, o mateloze ruïne! Moeder, beroem je er maar op, dat je een mooi staaltje geleverd hebt, door mij met geweld te laten trouwen, waardoor ik deze schoonheid zou verliezen! Wat zal ik doen, ongelukkige, ontdaan van iedere vreugde, gespeend van troost, beroofd van genot, zonder geluk! Geloof niet, mijn lief en mijn leven, dat ik zonder jou in deze wereld wens te blijven, want ik wil je volgen en belegeren overal waar je gaat en ondanks de smaad van de dood zullen wij samen zijn. En zoals ik jou als makker gelastte bij mijn bed te zijn, zo zal ik nu je compagnon wezen bij je graf, en het grafschrift zal vertellen, welk ongeluk ons beiden trof!"

Na deze woorden greep hij een spijker en gaf zich, geheel ontmoedigd, een prik onder zijn linker borst, waardoor hij met het bloed zijn leven liet wegvloeien. Zijn vrouw bleef ijskoud van schrik; en toen het haar mogelijk was, de tong los te maken, riep zij de koningin, die op het rumoer kwam toelopen met de gehele hofhouding. Toen zij zag, dat haar zoon en Renza dood waren en de oorzaak van hun dood vernam, rukte zij zich de haren uit, en tegenspartelend als een vis buiten het water, schold zij de sterren uit voor wreed, dat zij zoveel ongeluk op haar huis hadden laten regenen, en vervloekte de ellendige ouderdom, die haar gespaard had, om zoveel misère mee te maken. Nadat zij zo hard geschreeuwd, zich geslagen, de haren uitgerukt en geraasd had, liet zij de twee tezamen in een graf leggen en er het relaas van hun lotgevallen op beitelen.

In dezelfde tijd kwam de koning, Renza's vader, aan, die op zijn rondzwervingen door de wereld op zoek naar zijn gevluchte dochter, de knecht van de kluizenaar ontmoet had, welke haar kleren te koop aanbood en hem over het geval inlichtte. En toen hij zo dan de erfprins van Vignalarga achtervolgde, kwam hij juist op het ogenblik, dat de aren van hun leven afgemaaid waren en men hen in het graf ging leggen.

En hij zag en herkende zijn Renza en beweende en bejammerde haar, waarbij hij het bot vervloekte, dat het soepje van zijn misère vet gemaakt had. Dit bot had hij gevonden op de vloer in de kamer van zijn dochter en hij zag er nu het instrument van het wrede lot in. En daarbij ging op deze wijze, zowel in het algemeen als in het bijzonder, de rampspoedige voorspelling van de waarzeggers in vervulling, die voorzegd hadden, dat Renza zou sterven ten gevolge van een bot; waardoor duidelijk bewezen werd, dat een ongeluk, wanneer het door het lot beschoren is, zelfs door de spleten van de deuren binnen komt.


*   *   *

Het bot Samenvatting
Een trieste liefdesgeschiedenis waarin een voorspelling uitkomt.

Toelichting
Uit de Pentamerone (Lo cunto de li cunti overo lo trattenemiento de peccerille - Het sprookje der sprookjes, of Vermaak voor de kleinen) van Giambattista Basile (Derde dag, derde sprookje).

Trefwoorden

Thema
  • Pentamerone (Klassieke Italiaanse sprookjes van Giambattista Basile)

Verhaalsoort

Oorspronkelijke titel
  • Lo viso

Bron
"Italiaansche volkssprookjes" bewerkt naar de Pentamerone van G. Basile door Rien Valkhoff, illustraties van Frans Lammers. Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V., Utrecht, 1948.

Herkomst: Italië
Verteltijd: ca. 30 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook