Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 24 min.
Herkomst:




Het geborduurde tasje Een Japans sprookje over twee geliefden

Net als mensen hebben ook bomen hun belevenissen. Zo ook de kapokbomen met hun grote rode bloemen, die nooit gebloeid zouden hebben als er niet een arme weduwe met haar zoon geweest zou zijn. De weduwe woonde in het dorp in een armoedige hut en haar zoon heette Jung-lang.

Toen hij volwassen was, stuurde zijn moeder hem naar zijn oom, waar hij manden kon leren vlechten. De jongen was vlijtig en binnen korte tijd werd hij een goed vakman. Hij keerde terug naar de armoedige hut en begon te werken. Van de vroege morgen tot de late avond vlocht hij manden, en alles wat hij in zes dagen tijd gevlochten had, bracht hij de zevende dag naar de markt om te verkopen. Zo verdiende Jung-lang de kost voor zichzelf en zijn moeder. Op een dag, midden in de zomer, ging Jung-lang zoals altijd op weg naar de markt. Hij bracht zijn manden en matten naar de stad. Deze dag werd zijn handelswaar goed verkocht. 's Avonds had Jung-lang niets meer en zo kon hij behalve gerst ook nog een halve zak rijst voor zijn moeder kopen.

Toen hij de terugtocht aanvaardde begon het al te schemeren. Jung-lang zette er flink de pas in om nog voor donker thuis te zijn. Maar nauwelijks had hij de helft van de weg afgelegd, of hij vond bij de weg waar de rivier begon, een rood tasje. Het was een geborduurd tasje van gekleurde stof met mooie figuurtjes er op. Op zo'n tasje was ieder meisje erg zuinig, zo'n tasje gaat in een familie van moeder op dochter over. Wie kon toch zo'n tasje verloren hebben? Jung-lang bleef bij het tasje staan en wachtte of misschien iemand het af zou komen halen. Iedere keer als er iemand voorbijkwam riep de eerlijke jongen al van verre:
"Een harde wind waait om mijn oren,
hebt u niet een tasje verloren?"
Maar wie er ook voorbijging, het antwoord luidde steeds:
"Een harde wind waait om mijn oren,
maar ik heb geen tasje verloren!"
Jung-lang wachtte geduldig, tot het tenslotte donker was.

Toen dacht hij plotseling met schrik aan zijn moeder. Ze zou zeker vol ongeduld op hem zitten wachten. Achter de bomen kwam de maan al op en de weg was lang en stil. Jung-lang gooide de zak met rijst over zijn schouders, pakte het geborduurde tasje en haastte zich naar huis.

In de deuropening stond zijn moeder hem al op te wachten. Nauwelijks zag ze hem in het maanlicht, of ze riep:
"De maan schijnt al, ik werd zo bang.
Mijn zoon, waar bleef je toch zo lang?"
Jung-lang antwoordde:
"In het bos vond ik een tasje, prachtig geborduurd,
dat is de reden, waarom het zo lang heeft geduurd."
Zijn moeder bekeek het tasje, maakte het open en zei:
"Wie het verloren heeft, zal het verdrieten,
en zal bittere tranen vergieten."
Jung-lang maakte het brood klaar en zei:
"Spoedig zal ik haar gelukkig maken,
ik zal het tasje goed bewaken."
De moeder stak het vuur aan om eten te koken. De oplaaiende vlammen zetten de oude vrouw en Jung-lang in een rode gloed.

De volgende dag stond Jung-lang vroeg op, nam een bos bamboe en een mes in zijn ene hand en het geborduurde tasje in zijn andere hand en ging terug naar de plek waar hij het tasje gevonden had. Daar ging hij aan de kant van de weg zitten en begon hij manden te vlechten. En telkens als hij iemand aan zag komen, riep hij hem al van verre toe:
"Een harde wind waait om mijn oren,
hebt u niet een tasje verloren?"
Maar wie er ook voorbijging antwoordde:
"Een harde wind waait om mijn oren,
maar ik heb geen tasje verloren!"
Zo ging het de hele dag. De zon verdween alweer achter de bomen om plaats te maken voor de maan, maar het tasje werd door niemand afgehaald. Jung-lang bekeek het tasje nog eens goed, draaide het om en om en toen viel er een stukje witte zijde uit. Jung-lang hield de adem in. Op de witte zijde was een beeldschoon meisje met glanzend zwart haar geborduurd. Ze had fijne wenkbrauwen en een innemend gezicht met een lieve glimlach. Jung-lang keek er vol bewondering naar en fluisterde zacht:
"Dit meisje neem ik met me mee.
Ze is mooier dan de mooiste fee."
Zo gebeurde het dat hij pas om middernacht thuiskwam. Ook de tweede dag kwam hij pas om middernacht thuis.

De hele dag zat hij aan de kant van de weg, vlocht manden en vroeg aan de voorbijgangers of ze een geborduurd tasje hadden verloren. Toen de maan opkwam stopte hij met werken, pakte het stukje zijde uit het tasje en bekeek het gezicht dat daarop afgebeeld stond. Het scheen hem nog mooier dan de vorige dag.

Ook de derde dag kwam er niemand om het tasje. Toen het donker begon te worden zuchtte Jung-lang:
"Voor de derde dag wacht ik hier nu al,
is er niemand, die om het tasje komen zal?"
Daarna haalde hij het stukje zijde weer uit het tasje en zuchtte opnieuw:
"Drie dagen wacht ik hier met de wind om mijn oren,
heeft dan niemand het tasje verloren?"
Maar niemand gaf antwoord, alleen de beeltenis van het meisje glimlachte. Jung-lang keek er naar en lette daarbij niet op wat hij deed. Plotseling schoot zijn mes uit en sneed hij zich in zijn vinger. De bloeddruppels vielen op het witte gezicht van het meisje. Haar lippen en wangen kleurden zich rood, haar gezicht kreeg kleur. Het stukje zijde glipte uit zijn handen, alsof het door de wind werd weggeblazen, en de jongen zag het niet meer. Hij schrok en riep:
"De wind, die heeft haar meegenomen,
wat moet ik zeggen als ze er om komen."
Plotseling hoorde hij achter zich lachen. Hij draaide zich om en in het maanlicht stond een beeldschoon meisje. Ze had zwart glanzend haar, wangen zo rood als een appeltje, om haar middel droeg ze een zijden sjerp en haar japon hing als een wolkje om haar heen. Jung-lang sprong op en riep:
"Een harde wind waait om mijn oren,
heb jij dit tasje niet verloren?"
Het meisje glimlachte en zei:
"Ja zeker, dat tasje is van mij,
je hebt het gevonden, wat ben ik blij."
Jung-lang gaf het tasje met een hoffelijk gebaar aan het meisje. Zij nam het aan, maar bleef op dezelfde plek staan. Jung-lang zei:
"Het is al nacht, hier ruist de wind,
waar is je huis, m'n lieve kind?"
Het meisje kreeg tranen in haar ogen en antwoordde:
"De hele nacht al ruist de wind,
ik weet niet, waar ik een slaapplaats vind."
Jung-lang sprak met zachte stem:
"Thuis woont mijn moeder onder de linden,
daar zul je rust en vrede vinden."
Het mooie meisje bloosde en antwoordde:
"De één is voor de ander geboren,
maar met mij gaat jouw geluk verloren!"
Maar Jung-lang kon van puur geluk nauwelijks een woord uitbrengen, nam de knappe Hung-ku bij de hand en nam haar mee naar zijn lieve moeder.


Toen de moeder Jung-lang met zo'n mooi meisje aan zag komen, huilde ze van vreugde en ontving Hung-ku met zoveel liefde alsof het haar eigen kind was. Vanaf die tijd bleven ze bij elkaar en waren gelukkig. Ze maakten zich alleen zorgen omdat ze zo arm waren.

Het werk van Jung-lang bracht niet genoeg geld op voor drie mensen, hoewel hij vreselijk hard werkte. Van de vroege morgen tot diep in de nacht zat hij manden te vlechten, maar het was nauwelijks genoeg om daar één keer per dag van te kunnen eten. Ze moesten vaak honger lijden. De mooie Hung-ku kon het niet langer aanzien dat haar man zo hard moest werken en daarbij niet genoeg te eten kreeg. Op een dag opende ze haar mooie geborduurde tasje en haalde er een zilveren kam uit. Nauwelijks had ze haar dikke zwarte haar gekamd of er kwam een bosje echte zijde vanaf. Ze vroeg haar man om van bamboe een spinnewiel en een weefgetouw te maken en toen ging ze aan het werk. Ze spon de zijde tot dunne draden, weefde er op het weefgetouw een lap zijde van en borduurde daar met kleurige draden prachtige vogels en draken op. Het was net echt. Jung-lang bracht haar borduurwerk naar de markt. Nauwelijks had hij het op de grond uitgestald, of de kopers dromden samen en Jung-lang kreeg er tienmaal zoveel geld voor als voor zijn eigen werk in een heel jaar.

Vanaf die tijd ging het de familie voor de wind. Jung-lang ging iedere week naar de markt en keerde steeds zingend en met een gevulde zak rijst over zijn schouders terug. Ze kochten ook nog een stuk land en een prachtige buffel. Maar de rust en het geluk van het jonge paar duurden niet lang. Op een dag bleef de vorst zelf bij Jung-lang op de markt stilstaan. Ook de machtige vorst keek vol bewondering naar het prachtige borduurwerk. Maar hij kocht niets. Zwijgend wenkte hij zijn volgelingen en die wierpen zich op Jung-lang, en namen al het borduurwerk mee. Die dag kwam hij met een lege beurs van de markt thuis.

Toen de hovelingen het borduurwerk naar het paleis van de vorst brachten, vroeg de heerser wie het had gemaakt. De hovelingen antwoordden:
"Hung-ku, de vrouw van Jung-lang heeft dit gemaakt,
de mooiste vrouw van het land, die alle harten raakt."
De machtige vorst fronste zijn wenkbrauwen en zei:
"Als het niet waar is,
zal het jullie berouwen,
als ze echt zo mooi is,
zal ik met haar trouwen."
De hovelingen antwoordden:
"Grote vorst, wij brengen haar wel,
De drakenhond zal haar halen, heel snel."
En ze lieten de drakenhond uit zijn kooi. Het was een toverhond. Hij was zo groot en sterk als een draak en op zijn kop had hij twee grote horens. Wat hij op zijn horens nam, dat liet hij niet meer los. Hij voerde alle bevelen van de vorst uit. Deze avond liet de vorst hem de beeldschone Hung-ku halen. Toen Jung-lang 's nachts thuisgekomen was, vond hij in huis alleen zijn huilende moeder. De mooie Hung-ku was 's avonds naar de deur gegaan en plotseling spoorloos verdwenen. Jung-lang doorzocht de velden, riep, schreeuwde en huilde, maar alles tevergeefs. Hung-ku kwam niet. De volgende morgen ging Jung-lang aan de kant van de weg zitten en riep:
"Ze hebben mijn vrouw van me weggenomen,
bent u haar niet ergens tegengekomen?"
Maar de mensen schudden hun hoofd en antwoordden:
"De vrouw, die ze van je hebben weggenomen,
ben ik helaas niet tegengekomen."
De hele dag stond Jung-lang aan de kant van de weg en vroeg het aan alle voorbijgangers. Ze antwoordden dat ze niets van Hung-ku gezien of gehoord hadden. Tegen de avond kwamen er twee volgelingen van de vorst voorbij. Toen Jung-lang het hun vroeg antwoordden ze:
"De drakenhond ontvoerde je lieve vrouw,
vandaag belooft ze de vorst eeuwige trouw."
Jung-lang begon te huilen en ging naar zijn moeder:
"Moeder, moeder, het is waar,
De vorst zelf ontvoerde haar."
Zijn moeder huilde met hem mee, maar toen droogde ze haar tranen en zei:
"Mijn zoon, verlies toch niet de moed,
je zult zien, alles komt weer goed!"
Toen nam ze uit de kast een pakje vergif, dat vroeger door haar man gebruikt werd als hij op jacht ging. Van het vergif en wat rijst bakte ze een koek en ze deed er een scherp mes bij. Dat alles gaf ze aan haar zoon.
"Dit vergift m'n jongen, zal je helpen in de nood,
als de hond er van eet, dan gaat hij dood."
Jung-lang nam het mes en de vergiftigde koek en ging naar het paleis van de vorst. Het was stikdonkere nacht toen hij over de muur klom. De vorst en zijn soldaten zaten in de grote zaal en praatten allemaal door elkaar. Bij de deur van één van de kamers lag de drakenhond op wacht. Achter de deur hoorde hij de arme Hung-ku huilen. Jung-lang sloop zachtjes naar de drakenhond en gooide de vergiftigde koek naar hem toe. De hond wierp zich hongerig op de koek en in één hap had hij hem op. Nauwelijks had hij de koek doorgeslikt of hij begon te trillen en viel dood neer. Jung-lang trok zijn mes en brak het slot van de deur open, nam Hung-ku bij de hand en rende naar de muur. Maar in zijn haast struikelde hij over een soldaat die op de grond lag en de soldaat begon luid te schreeuwen. Het hele paleis was ogenblikkelijk in rep en roer. De vorst riep de wachten bij elkaar en liet kaarsen en fakkels aanrukken om de vluchtende Jung-lang achterna te gaan.

Jung-lang had Hung-ku op zijn schouder genomen, rende over de binnenplaats de tuin in, klom over de muur en holde naar de rivier. De soldaten liepen met hun fakkels luid schreeuwend achter hem aan.

Jung-lang bereikte de oever van de rivier. Hij legde Hung-ku in het gras en ging naast haar liggen. Zijn voeten deden pijn en zijn hart bonsde in zijn keel. Toen ze de soldaten met hun zwaarden uit het donker zagen opduiken, zei Hung-ku: "Liever sterf ik, dan me te laten martelen, kom liefste, in het water zullen we vrede vinden!"

Jung-lang en Hung-ku hielden elkaar stevig vast en sprongen in de rivier. Het water sloot zich zachtjes boven hen. De vorst rende naar de rivier, maar alles wat hij zag waren de kringen op het water. Woedend fronste hij zijn voorhoofd en met gebogen hoofd ging hij terug naar het paleis.

De volgende dag hoorde de moeder van Jung-lang wat er gebeurd was en huilend haastte ze zich naar de rivier. Maar haar zoon en schoondochter zag ze niet meer. Ze ging aan de oever van de rivier zitten en begon hartverscheurend te huilen. Zeven dagen en acht nachten huilde de oude vrouw, tot haar ogen rood zagen en haar stem hees geworden was. Op de achtste dag begon het te onweren en uit de diepte van de rivier kwamen de lichamen van Jung-lang en Hung-ku naar boven. De golven wierpen hen op de oever. De moeder rende naar hen toe. Jung-lang en Hung-ku hielden elkaar nog stevig vast en op hun gezichten lag een gelukkige glimlach. De oude moeder begon meteen een graf te graven en huilend begroef ze haar kinderen. Daarna ging ze bij het graf zitten en huilde weer zeven dagen en acht nachten. Over haar wangen biggelden twee straaltjes tranen van bloed. Op de achtste dag viel de oude vrouw in slaap en toen ze wakker werd, zag ze dat er op het graf twee bomen stonden. De wortels van de bomen waren ineengevlochten en hun toppen raakten elkaar. De oude moeder zuchtte en sprak:
"Gisteren heb ik hier toch geen bomen gezien,
zijn het mijn zoon en dochter, misschien?"
En toen klemde ze zich aan de beide bomen vast, alsof het haar eigen kinderen waren en weer huilde ze zeven dagen en acht nachten, tot haar tranen van bloed de rivier helemaal rood gekleurd hadden. Op de achtste dag kwam er uit de diepte van de rivier een grote zwaan naar de oppervlakte met een rode kroon op zijn kop. Hij sprak:
"Uit het diepst van de rivier ben ik gekomen.
Gooi dit bloedrode water om de stam van de bomen.
Honderd emmers moet u ze geven.
Dan zullen uw zoon en dochter weer leven."
Na deze woorden dook de zwaan weer onder. De oude moeder ging naar huis om twee emmers te halen en keerde toen terug naar de rivier. Ze vulde de emmers steeds weer met water. Het was een vermoeiende bezigheid voor de oude vrouw. Maar ze hield niet eerder op, voordat ze honderd emmers met bloed doorlopen water om de stam van de bomen had gegooid. En kijk, aan allebei de bomen groeiden plotseling prachtige rode bloemen. Zulke mooie bloemen had ze van haar leven nog niet gezien.

Twee van de bloemen vielen voor de voeten van de oude vrouw en ze hadden de grond nog niet geraakt, of daar stonden Jung-lang en Hung-ku voor hun moeder. De moeder sprak met tranen in haar ogen:
"Ik kan mijn ogen nauwelijks geloven.
Jullie blijven nu bij me, dat moet je beloven."
Maar toen klonk er geschreeuw en hoefgetrappel. Soldaten kwamen aanstormen en de vorst liep voorop. De moeder begon te huilen en riep:
"Een orkaan raast door de bomen,
waar vinden wij een goed onderkomen?"
Jung-lang en Hung-ku keken elkaar sprakeloos aan, maar toen viel er plotseling nog een bloem van de boom. Hij kwam in het water terecht en werd ogenblikkelijk een prachtige, grote versierde boot.

Jung-lang en Hung-ku namen hun moeder bij de hand en klommen in de boot. De boot dreef snel weg en tenslotte was hij helemaal verdwenen. En met de boot verdwenen ook Jung-lang, zijn moeder en de beeldschone Hung-ku.


*   *   *

Het geborduurde tasje Samenvatting
Een Japans sprookje over twee geliefden. Jung-Iang vindt op een dag een geborduurd tasje in het bos en hij gaat op zoek naar de eigenaar. Het tasje blijkt van een mooi meisje te zijn, die met Jung-Iang mee naar huis gaat. Om geld te verdienen borduurt het meisje een lap zijde en als de vorst de lap ziet, wil hij met het meisje trouwen... Lees het verhaal

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"De betoverde tuin" door Marie Mrstikova. Nederlandse vertaling van Els Nuijen. Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1978. ISBN: 90-251-0297-2

Herkomst: Japan
Verteltijd: ca. 24 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook