Volksverhalen Almanak

Het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd Een sprookje uit de Midi-Pyrénées over een intelligente jongeman

Het Grote Beest-met-het-MensenhoofdOp een verborgen plek midden in de Pyreneeën, tussen hoge bergen, ligt een diepe, diepe grot, en in die grot lag in heel oude tijden een schat, waarover het reusachtige Grote Beest-met-het-Mensenhoofd de wacht hield.

Nu had datzelfde Grote Beest-met-het-Mensenhoofd eens over het gehele land laten bekend maken dat degene, die een bevredigend antwoord zou weten te geven op de drie vragen die het zou stellen, de helft van de in de grot verborgen schat mee naar huis zou mogen nemen.

Vele, vele waaghalzen trokken nu naar de Pyreneeën, zwierven lange tijd rond door het woeste gebergte eer ze de grot vonden die ze zochten, en als dan het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd hun zijn drie vragen voorlegde, kon geen van hen die beantwoorden. En dan werd zo iemand door het monster met huid en haar verslonden, in plaats van als een rijk man naar huis terug te keren.

Nadat er wel meer dan honderd dappere jongelingen op deze manier om het leven waren gekomen, durfde eindelijk niemand meer het waagstuk ondernemen om te beproeven, de drie raadsels van het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd op te lossen.

Nu woonde er echter in het kleine dorpje Cracetes in het Kanton Auch een jongeling, die zo'n helder hoofd had, dat hij alle raadsels die hem werden opgegeven, dadelijk ried en ook altijd onmiddellijk een goede oplossing vond voor de moeilijkste vraagstukken, die de geleerdste mannen hem voorlegden.

Deze jongeling was heel arm, maar schoon van gelaat, welgebouwd en dapper, en telkens opnieuw spoorden zijn vrienden en kennissen hem aan, het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd eens te gaan opzoeken, ten einde, na zijn drie vragen te hebben opgelost, de helft van de in de grot verborgen schat machtig te worden.

De jongeling echter had daar in het begin geen oren naar. Hij lachte de raadslieden uit, die hem aanspoorden zich in zulk een groot gevaar te begeven en daagde hen uit, liever zelf eens de tocht naar 't hol in de Pyreneeën te ondernemen.

"Waarom zou ik mijn leven wagen?" zei hij. "Ik ben tevreden met wat ik heb en gevoel niet de minste begeerte naar de schatten van het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd."

Ja - zo sprak hij, voordat hij de dochter van de Graaf van Roquefort had gezien, de bevallige Yolande, die schoon en lieflijk was als de morgenstond. Maar pas had hij haar gezien, of hij kreeg haar zo lief, dat hij een gevoel had alsof hij zou sterven, wanneer hij haar niet tot vrouw kreeg. Hij liep de gehele dag als verbijsterd rond en eindelijk kon hij het niet langer uithouden! Hij beklom de berg, waarop het kasteel Roquefort lag, en klopte aan de poort.

"Wees gegroet, schone jonkvrouw."

"Wees gegroet, jongeling, wat is er van je dienst?"

"Schone jonkvrouw, ik wou je vader spreken."

"Mijn vader is sinds deze morgen op de jacht met mijn beide broers en ik weet niet, wanneer hij terug zal komen. Kan ik hem je boodschap niet overbrengen?"

"Ja, schone jonkvrouw, ik wou je alleen maar zeggen dat ik je liefheb met geheel mijn hart, en aan je vader kom vragen, me je hand te schenken."

"Schone jongeling, als ik ooit trouw, trouw ik met jou en met niemand anders. Maar weet, dat mijn vader niet rijk is. Dit kasteel en het land, dat er bij behoort, is het erfgoed van mijn broers, en mijn vader heeft juist gisteren besloten, mij naar het klooster te Auch te brengen omdat hij geen bruidsschat voor mij heeft."

"Schone jonkvrouw, ga gerust naar het klooster van Auch, maar neem de sluier niet aan, eer er zeven dagen verlopen zijn. Ik zal er dadelijk op uit trekken om een fortuin te veroveren, en als alles goed gaat, kom ik je spoedig halen. Maar ziet je mij vóór de zevende dag niet terugkeren, dan ben ik dood en je kunt in het klooster over mij treuren. Maar indien mijn onderneming gelukt, haal ik je af als mijn bruid en je zult de rijkste zijn van alle rijke edelvrouwen in het hele land."

"Jongeling, ik zal in het klooster gaan en afwachten, wat er zal gebeuren."

"Vaarwel dan, schone jonkvrouw! Ik vertrek met goeden moed."

"Vaarwel, mijn vriend!"

De jongeling groette eerbiedig de schone jonkvrouw en begaf zich regelrecht naar de aartsbisschop van Auch.

"Aartsbisschop van Auch, ik heb een grote liefde opgevat voor een jonkvrouw, schoon en lieflijk als de morgenstond en trouw en eerlijk als goud; maar nooit zal haar vader mij hare hand geven, wanneer ik niet binnen korte tijd een schatrijk man ben. Thans ga ik er op uit om mijn fortuin te zoeken; maar eer ik vertrek, wilde ik gaarne uw raad inwinnen."

"Spreek, mijn vriend."

"Aartsbisschop van Auch, u bent een wijs en geleerd man. Men heeft mij verteld dat er zich midden in de Pyreneeën een grot vol goud bevindt, bewaakt door een groot beest met een mensenhoofd. Dat beest nu, zegt men, heeft de helft van al dat goud uitgeloofd aan degene, die hem op drie vragen zal kunnen antwoorden. Meer dan honderd waaghalzen hebben dit al beproefd, naar men mij heeft verteld, maar geen van allen heeft de vragen van het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd kunnen beantwoorden en zijn door hem levend verslonden."

"Mijn vriend, men heeft u de zuivere waarheid gezegd."

"Aartsbisschop van Auch, ik ben vast besloten, het waagstuk te ondernemen. Nog deze nacht ga ik het gebergte in en zal niet rusten, eer ik de goudgrot en het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd heb gevonden. Kan ik zijn drie vragen niet beantwoorden, dan verslindt het mij in levenden lijve. Maar gelukt het mij de juiste antwoorden te vinden, dan zal het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd mij de helft geven van al het goud dat zich in de grot bevindt en ik zal de jonkvrouw, die ik bemin, tot mijn vrouw kunnen maken."

"Mijn vriend, je bent verliefd. Niets zal je daarom van jouw voornemen kunnen terughouden. Doe dus wat je van plan bent. Maar luister goed: alles, wat men je heeft verteld van het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd, is waar. Maar zij, die jou dit hebben verteld, wisten niet alles. Weet dan dat het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd, alvorens zijn drie vragen te stellen aan hen, die deze zouden willen beantwoorden, tevoren drie onmogelijke opdrachten geeft. Trek je daarvan niets aan en bewijs hem eenvoudig, dat ze onuitvoerbaar zijn. Wat zijn drie vragen betreft, dat is een andere zaak! Wanneer je daarop het antwoord schuldig blijft, wordt je levend verslonden. Mijn raad is deze: Hou je kalm, luister goed, begrijp goed en overleg rijpelijk alvorens te antwoorden. Wanneer het je lukt de juiste antwoorden te geven, dan heeft het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd geen macht meer over je en het zal je zeggen: 'Neem de helft van het goud, dat zich in deze grot bevindt.' Wees dan vlug en vaardig, neem het goud en haast je terug te keren, ingeval je namelijk de kracht niet in je mocht voelen, om nog meer te bereiken!

Denk je deze echter wel te bezitten, blijf dan, en spreek: 'Groot Beest-met-het-Mensenhoofd, ik heb nog slechts de helft van mijn taak volbracht. Je bent er niet in geslaagd, mij ook maar één vraag te stellen, die ik niet kon beantwoorden. Thans is het mijn beurt om jou drie vragen te stellen, aan jou de taak, daarop te antwoorden.' Daarna stel je hem dan drie vragen, zo moeilijk als je ze maar enigszins kunt bedenken.

Mocht het dan gebeuren dat het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd jou daarop het antwoord schuldig blijft, trek dan het gouden mes, dat ik je hierbij ter hand stel en dat je zorgvuldig in de plooien van jouw kleed moet verbergen, totdat het rechte ogenblik is aangebroken. Dood dan met dit mes het grote beest, snijd hem zijn mensenhoofd van de romp, en keer snel naar huis terug met al uw goud."

"Ik dank u zeer voor uw wijzen raad, aartsbisschop van Auch!"

De jongeling verborg nu het gouden mes zorgvuldig in de plooien van zijn kleed, nam afscheid van de aartsbisschop van Auch, en trok nog dezelfde nacht het gebergte in, om het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd te gaan zoeken.

Drie dagen lang zwierf hij rond, zonder de goudgrot te ontdekken. Daarna kwam hij in een woeste, eenzame, sombere streek, waar het water uit alle rotsspleten spoot, waar de bergen zo hoog waren, zo hoog, dat de vogels in hun vlucht hunne toppen, waarop de sneeuw nooit smelt, niet konden bereiken. Hier nu leefde het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd. De jongeling trad zonder angst of vrees de grot binnen.

"Hallo, Groot Beest-met-het-Mensenhoofd! Hallo, hallo, waar ben je?"

"Wat verlang je van mij, o mensenkind?"

"Groot Beest-met-het-Mensenhoofd, ik verlang je drie vragen te beantwoorden, ten einde de helft van je goud te verwerven. Gelukt het mij niet, dan mag je mij levend verslinden."

Terwijl nu het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd bezig was, drie moeilijke vragen uit te denken, waarmee hij dezen jongen waaghals eens recht in verlegenheid zou brengen, dacht deze aan de woorden van de aartsbisschop van Auch: "Voordat het Grote Beest-met-het-Mensen-hoofd je de drie vragen voorlegt, waar het om gaat, zal het je drie onmogelijke opdrachten geven. Trek je daarvan niets aan en bewijs hem eenvoudig, dat ze onuitvoerbaar zijn. Wat de drie vragen betreft, dat is een andere zaak! Als je die niet kunt beantwoorden, zal je levend worden verslonden. Mijn raad is deze: Blijf bedaard, luister aandachtig. Begrijp goed, en overweeg je antwoorden grondig, voordat je ze uitspreekt."

Eindelijk sprak het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd: "Allereerst beveel ik je, de zee leeg te drinken." - "Drink haar zelf leeg!" antwoordde de jongeling. "Noch jouw maag, noch de mijne is groot genoeg om al het water van de zee te bevatten."

"Verder verlang ik van je, dat je de maan zult opeten." - "Eet haar zelf op! De maan is veel te ver hier vandaan, dan dat jij of ik haar zouden kunnen bereiken."

"Ten derde draag ik je op, honderd mijl kabeltouw te maken uit het zand van de zee." - "Maak jij zelf zo'n kabeltouw! Het zand van de zee laat zich niet tot een touw draaien, zoals de stengels van de hennep. Nooit zouden jij of ik een dergelijk werk kunnen volbrengen."

Nu begon het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd te begrijpen, dat het veel van zijn kostbaren tijd had verkwist met het stellen van deze onuitvoerbare eisen. Het stak zijn klauwen uit en toonde de jongeling zijn twee rijen scherpe tanden, en deze begreep dadelijk dat thans het gewichtige ogenblik was aangebroken, waarop het de drie vragen zou gaan doen. Hij herhaalde bij zichzelf nog eens de woorden van de aartsbisschop van Auch: "Blijf bedaard, luister aandachtig, begrijp goed en overweeg je antwoord rijpelijk, voordat je het uitspreekt."

Eindelijk stelde het Grote Beest-met-het-Mensen-hoofd zijn eerste vraag.

Eerste vraag: "Het is vlugger dan een vogel, sneller dan de wind en sneller dan een bliksemstraal."

Antwoord: "De blik van het oog is vlugger dan een vogel, sneller dan de wind en sneller dan een bliksemstraal."

2de vraag: "De broer is wit, de zus is zwart. Elke morgen doodt de broer de zus en elke avond doodt de zus de broer. Toch ziet men hen nooit samen."

Antwoord: "De dag is wit. Hij is de broer van de donkere nacht. Elke morgen doodt de broer zijn zus. Elke avond, als de zon ondergaat, doodt de zwarte nacht de witte dag. Toch zijn de dag en de nacht onsterfelijk."

3de vraag: "Wie is hij, die bij het opgaan der zon kruipt als een worm of een slang, in de middag op twee benen loopt als een vogel, en zich bij zonsondergang voortbeweegt op drie benen?"

Antwoord: "Als hij nog een klein kind is, kruipt de mens over de grond als een worm of een slang. Is hij volwassen, dan loopt hij op twee benen als een vogel, en wanneer hij oud is, kan hij zich niet meer voortbewegen zonder te steunen op een stok. Dan loopt hij dus op drie benen."

Nadat de jongeling ook de derde vraag goed had beantwoord, sprak het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd: "Jongeling, neem de helft van al mijn goud. Het komt je toe."

Maar deze dacht aan de woorden van de aartsbisschop van Auch: "Neem het goud en keer snel naar huis terug, wanneer je je niet in staat voelt, nog meer te wagen. Maar blijf, wanneer je je daartoe wijs genoeg acht. In dit laatste geval zeg je tegen het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd: 'Ik heb nog slechts de helft van mijn taak volbracht. Je hebt mij drie vragen gesteld, thans is het mijn beurt om drie raadsels op te geven.' Dan moet je hem de moeilijkste vraagstukken voorleggen, die je maar kunt bedenken."

De jongeling voelde zich sterk genoeg om ook dit te volbrengen.

"Groot Beest-met-het-Mensenhoofd," sprak hij, "ik heb nog slechts de helft van mijn taak volbracht. Jij hebt mij drie vraagstukken opgegeven die ik heb beantwoord, nu is het mijn beurt om jou drie raadsels voor te leggen. Antwoord mij ten eerste op deze vraag: "Wat bevindt zich aan het eerste uiteinde van de wereld?"

Op deze vraag bleef het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd het antwoord schuldig.

"Aan het eerste uiteinde van de wereld bevindt zich een gekroonde koning, gekleed in een rode mantel, versierd met goudgalon, gereed om de strijd aan te vangen. Zijn breed zwaard zwaait hij met de rechterhand. Hij kijkt naar de hemel, de aarde en de zee. Maar de gekroonde koning ziet niemand naderen. Groot Beest-met-het-Mensenhoofd, wat bevindt zich aan het andere uiteinde van de wereld?"

Ook op deze vraag wist het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd geen antwoord te geven.

"Aan het andere uiteinde van de wereld bevindt zich een grote raaf, zevenduizend jaar oud. Hij troont op de top van een hoge berg en ziet alles, wat geweest is en wat nog zijn zal. Maar deze grote raaf, zevenduizend jaar oud, weigert te spreken. En zeg mij thans nog, o Groot Beest-met-het-Mensenhoofd, wat de wilde nachtegaal zingt op Goede Vrijdag. Zeg mij ook wat hij 's zaterdags vóór Pasen zingt en wat hij zingt, als op de eerste Paasdag de zon opgaat."

Het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd wist ook op deze vraag geen antwoord te geven.

"Op Goede Vrijdag zingt de wilde nachtegaal van het lijden van de Heer Jezus, nadat Judas hem had verraden. 's Zaterdags vóór Pasen zingt de wilde nachtegaal van de zeven smarten der Heilige Maagd, en wanneer op de eerste Paasdag de zon opgaat, zingt hij van de opstanding van de Heer Jezus."

Toen zonk het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd ineen voor de voeten van de jongeling en deze dacht aan de woorden van de aartsbisschop van Auch: "Dan trekt je dit gouden mes, dat je tot dat ogenblik in de plooien van je kleed verborgen hebt gehouden, doodt het grote beest, snijdt hem zijn mensenhoofd af, en keert snel naar huis terug met al het goud."

De jongeling volgde deze raad. Vlug haalde hij het gouden mes te voorschijn uit de plooien van zijn kleed, greep het grote beest bij de haren van zijn mensenhoofd, en scheidde dit van de geweldigen romp.

En, terwijl nu zijn bloed wegvloeide, sprak het Grote Beest: "Luister, jongeling. Ik ga sterven. Drink van mijn bloed en zuig mijn ogen en mijn hersenen uit. Daardoor word je zo sterk als Simson, en geen sterfelijk wezen zal je ooit kunnen overwinnen. Snijd mij dan het hart uit het lichaam, breng het aan jouw bruid, en laat zij het op haar huwelijksdag geheel rauw opeten. Dit zal maken dat ze zeven kinderen krijgt: drie zonen en vier dochters. De drie zonen zullen even sterk, wijs en dapper zijn als jij, en de vier dochters even schoon en deugdzaam als haar moeder. Ze zullen alle vier het gezang van de vogels kunnen verstaan en wanneer ze tot jonkvrouwen zijn opgegroeid, zullen ze door koningen ten huwelijk worden gevraagd."

Na dit gezegd te hebben, stierf het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd. De jongeling dronk van zijn bloed, zoog zijn ogen en zijn hersenen uit, en voelde zich al sterker en sterker worden. Daarna sneed hij het hart uit het lichaam en legde dit ter zijde, om het aan zijn bruid te brengen. Toen begroef hij het Grote Beest met het Mensenhoofd zonder daarbij echter gebeden uit te spreken - want dieren hebben immers geen ziel. Vervolgens besteeg hij zijn paard, reed in galop naar de naastbijzijnde stad, huurde daar honderd paarden en keerde daarmee naar het gebergte terug, waar hij ze belaadde met al de schatten uit de goudgrot.

Drie dagen later klopte hij opnieuw aan de poort van het kasteel van Roquefort.

"Wees gegroet, o graaf van Roquefort. Ik ben hier zo-even aangekomen met honderd paarden, allen zwaar met goud beladen. Geef mij thans de hand van uw dochter, die zich op dit ogenblik in het klooster van Auch bevindt."

"Vriend, u kunt haar krijgen. Ik zal haar dadelijk uit het klooster gaan afhalen."

Zeven dagen daarna werd het huwelijk gesloten, en toen die avond de jonge vrouw reeds in het bruidsbed lag, kwam haar man de kamer binnen en sprak tot haar: "Vrouw, sta op en eet dit, al zou het je ook nog zo tegenstaan."

De vrouw stond op en at gehoorzaam het hart van het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd op - geheel rauw. En zie, alles kwam uit, zoals het beest had voorspeld: Ze kregen zeven kinderen: drie zonen en vier dochters; de drie zonen waren even sterk, wijs en dapper als hun vader, en de vier dochters even schoon en deugdzaam als hun moeder. En ze verstonden alle vier wat de vogels zongen en trouwden, toen ze volwassen waren, ieder met een regerende koning.


*   *   *

Het Grote Beest-met-het-Mensenhoofd Samenvatting
Een sprookje uit de Midi-Pyrénées over een intelligente jongeman. Een monster bewaakt een schat, die hij alleen deelt met degene die in staat is drie moeilijke vragen te beantwoorden. Een jongeman gaat op weg, nadat hij eerst goede raad heeft gevraagd aan de aartsbisschop van Auch. Het lukt hem de vragen te beantwoorden, het monster te doden en rijk en gezond terug te keren en te trouwen met de dochter van de graaf van Roquefort. Lees het verhaal

Toelichting
Drie moeilijke vragen moeten beantwoorden vinden we ook in: De abt en de schaapherder.

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Oud-Fransche sagen, volksoverleveringen en sprookjes" bijeengebracht door S. Troelstra-Bokma de Boer. W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1930, p. 192-201.

Herkomst: Frankrijk
Verteltijd: ca. 26 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook