Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 16 min.
Herkomst:

Het huis van dokter Faust

Over dokter Faust doen vele verhalen de ronde en menig monument houdt de herinnering aan hem levend. Zo staat er in Praag op het Karelsplein een ouderwets huis, dat van oudsher het Fausthuis wordt genoemd, want volgens de legende mot hier de ongelukkige meester van de zwarte kunst hebben gewoond, en van hieruit moet de duivel in eigen persoon door een gat in het plafond met hem zijn verdwenen, toen zijn tijd was gekomen.

Niet alleen het zwarte, gapende gat in de zoldering zou daarvan het bewijs zijn, maar ook de verbrijzelde kolven, retorten, smeltkroezen, glazen en de op de vloer rondslingerende boeken, vergeeld perkament en papieren, kortom, de hele chaos die dokter Faust tijdens zijn doodsstrijd met de duivel heeft veroorzaakt.

Lange, lange tijd gingen de mensen met een grote boog om dit huis heen en niemand, ook niet de brutaalste, bleef ervoor staan om de kunstig gesmede klopper te grijpen die aan de zwarte eiken deur hing.

Al geruime tijd woonde er niemand meer en achter de zware deur heerste een dodelijke stilte. Langzamerhand vielen de schilderijen van de muren, en de vensters werden blind door stof en regen. En de heren in het nieuwe raadhuis hadden de hoop al opgegeven, dat ze dit huis aan iemand zouden kunnen verkopen, laat staan met winst van de hand konden doen.

Ook de armste sloeber wilde hier niet intrekken, zelfs niet, als hij niet wist waar hij die avond zijn hoofd moest neerleggen. En zo bleef het oude huis leeg en onbewoond.

Maar op een gure herfstdag beleefden de raadsheren een verrassing. In de deuropening van de grote zaal stond, als uit de hemel gevallen, een magere student in zwarte rok. Hij verzocht de stadsraad nederig, hem het huis gratis ter beschikking te stellen, zodat hij een onderdak zou hebben. Hij kwam van het platteland en wilde aan de universiteit gaan studeren. Geld bezat hij niet, en toen had hij zich het verlaten Fausthuis herinnerd.

De raadsheren hadden begrip voor de jonge man, want menigeen dacht aan zijn eigen studietijd, toen ze de broekriem moesten aantrekken en hun financiële positie er heel wat minder rooskleurig uitzag dan tegenwoordig het geval was. Ze overhandigden hem dus de verroeste sleutel van de eiken deur.

"Zeg, je hebt zeker wel gehoord wat er over dit huis wordt verteld. Zul je daar niet bang zijn?" vroeg de oudste raadsheer aan de jonge man.

"Oude wijvenpraat maakt me niet bang," klonk het overmoedige antwoord. "Komt u maar eens gauw kijken, waarde heren, hoe ik me geïnstalleerd heb. En zelfs al heeft de duivel in eigen persoon dokter Faust gehaald, naar mij zal hij zijn klauwen heus niet uitsteken."

Na deze woorden verliet de student het raadhuis en liep naar de overkant van het plein, om zo snel mogelijk in het huis te komen, want het werd al donker, er viel een lichte motregen en er begon een vochtige, klamme wind op te steken. De student rilde van de kou en verlangde ernaar, zijn doornatte rok en gescheurde schoenen te kunnen uittrekken.

In deze omstandigheden schonk hij weinig aandacht aan het knarsen van de sleutel in het roestige slot en de spinnenwebben, die aan zijn gezicht kleefden toen hij de trap opging.

Bijgelicht door een brandende fakkel opende hij resoluut de^ deur van de eerste kamer. Het was de eetkamer, waarvan de wanden met een eiken lambrisering waren betimmerd. Middenin stond een tafel met een paar gemakkelijke stoelen. Maar de student, die het nog steeds erg koud had, kon hier weinig interesse voor opbrengen. Maar plotseling stond hij verbaasd stil: op de schoorsteen lagen houtblokken. Een ogenblik bleef hij in de deuropening staan voor hij naar de schoorsteen liep om het vuur aan te maken. En pas, toen de vlammen behaaglijk oplaaiden, ging hij naar het volgende vertrek. Van de vloer tot aan het plafond stonden hier planken vol boeken en op een werktafel lag onbeschreven en beschreven perkament, en een inktpot met ganzenveren. Vooral het werktafeltje beviel de student, hier zou hij goed kunnen studeren.

En nog een aangename verrassing wachtte hem: in de derde kamer zag hij een gerieflijk bed met een heerlijk veren dekbed. Hij kon de verleiding niet weerstaan, de moeheid overmande hem en de stemmen van de wind en de regen wiegden hem in slaap, en vermengden zich met het geluid van zijn regelmatige ademhaling.

De student sliep een gat in de dag. De zon stond al hoog aan de hemel toen hij ontwaakte. Eerst vroeg hij zich af, waar hij was, maar al gauw begon hij flink aan te pakken en orde in de chaos te scheppen. Hij bond de strijd aan met het stof en de spinnenwebben, die hier al die jaren vrij spel hadden gehad.

Toen hij zo bezig was, zag hij tot z'n verbazing in een donkere hoek van de slaapkamer een nis, met een rechthoekige opening. Groot genoeg, om er door te kunnen kruipen.

Nieuwsgierig ging hij naar de opening, waar een trap achter was gemaakt. Toen hij zijn voet op de laatste tree had gezet, stond hij in een ruimte, die hij voorheen niet had opgemerkt.

Ook hier hingen spinnenwebben als spookachtige gordijnen van de zoldering omlaag. Maar daarachter verborgen lagen instrumenten, die bij de alchemie worden gebruikt, en opengeslagen boeken met geheime tekens. In het plafond was een zwart gat. Het zag eruit, alsof de duivel zojuist met de dokter daar doorheen was gevlogen.

De student twijfelde er niet langer aan, dat satan hier zijn slachtoffer had weggehaald en dat het dus geen kletspraatjes waren, zoals hij eerst had gedacht.

Er liep een rilling over zijn rug. Maar toen sprak hij zichzelf moed in en dacht: "een verbond met de duivel zal ik heus niet vrijwillig aangaan. Daar ben ik zelf nog altijd bij..."

En om zijn woorden kracht bij te zetten begon hij met verdubbelde ijver de rommel op te ruimen. Toen spijkerde hij het gat met een stuk hout dicht en bekeek de alchemistische instrumenten nog eens goed.

Plotseling echter viel zijn mond open van verbazing, want bij het optillen van een lijvig boekwerk zag hij daaronder een zwarte schaal, en in die schaal fonkelde een gloednieuwe zilveren daalder.

"Dat komt als geroepen," riep hij verheugd en beet op het geldstuk om de echtheid ervan te beproeven.

Ja hoor, het was een echte zilveren munt - en plotseling voelde hij, dat hij een reusachtige honger had. Hij dacht niet lang na en liep de eerste de beste herberg binnen om zijn honger en dorst te stillen.

Wat een heerlijk gevoel! En toen hij alles had betaald, bleef er nog meer dan genoeg over voor de volgende keer. Toen hij weer thuis kwam, had hij geen zin het huis verder schoon te maken. Hij ging gelijk naar bed, maar sliep niet zo rustig als de nachtervoor. Bij het ontwaken in de vroege morgen was het, of iets hem de trap opdreef. En kijk, in de zwarte schaal fonkelde opnieuw een daalder.

De student schrok! Dat kon geen toeval meer zijn. De duivel in eigen persoon lokte hem beslist in de val en hij nam zich voor, de daalder niet meer weg te nemen. Maar een klein stemmetje van binnen leek hem toe te fluisteren: "Waarom zou je die daalder niet nemen? Je kunt het goed gebruiken. De winter staat voor de deur en je grote teen steekt door je schoen heen. Toen je gisteren het eerste zilverstuk nam, is er toch ook niets gebeurd?"

Toen aarzelde de student niet langer en stak het geld in zijn zak. Dit keer ging hij naar de winkelstraat om schoenen met spitse neuzen te kopen, zoals de mode voorschreef.

En sinds die tijd ging de student iedere dag de zilveren daalder halen, die prompt iedere dag voor hem in de schaal gereed lag.

Hij vergat zijn vroegere armoe en verloor weldra zijn eenvoud en bescheidenheid. Hij doste zich even schitterend uit als een adellijke jonge fat en de rest verkwistte hij in de vele herbergen en logementen die Praag toen rijk was.

In werken had hij geen zin. Zijn studieboeken raakte hij niet meer aan en met collegelopen was het al niet beter gesteld. Van vroeg tot laat was hij in de herberg te vinden, omringd door vrienden van twijfelachtig allooi, die graag van zijn gulheid profiteerden, zolang hij, zonder een vinger uit te steken, elke dag zijn zilveren daalder kon incasseren.

Op een dag, toen hij in de kroeg het ene glas na het andere achteroversloeg gooide hij het geld op de grond, en spoorde hij zijn aangeschoten makkers aan, hun dorst te lessen en de kruik niet te sparen. De sterke drank had zijn tong los gemaakt en hij begon flink op te scheppen: "ik ben zo gezien, dat ik morgen een goudstuk zal ontvangen," zei hij met een geheimzinnig lachje. Maar deze woorden gingen bij zijn vrienden het ene oor in, het andere weer uit. Het enige wat ze onthielden was, dat ze op zijn kosten zo veel konden drinken als ze wilden. Ze klopten hem op de schouder, noemden hem een fidele kerel en waren in de veronderstelling, dat hij de lievelingszoon van een schatrijke vader was.

Maar het was niet allemaal opschepperij! De student had zich verdiept in de boeken, die bij de zwarte schaal lagen. En hij kon het kriebelschrift al zo goed ontcijferen dat hij in staat was, krachten te voorschijn te roepen, die hem het goudstuk konden bezorgen.

Tot nu toe had hij het niet aangedurfd, maar deze avond keerde hij naar het Fausthuis terug, vastbesloten het goudstuk in zijn bezit te krijgen.

Het was een heldere sterrennacht, maar nauwelijks had de student de deur achter zich dichtgetrokken, of er stak zo'n stormwind op, als men zelden had meegemaakt en het leek, alsof alle hellekrachten zich over de aarde stortten.

De ene bliksemstraal volgde de andere op en de inwoners van de goede stad Praag waren zo bang, dat ze de handen vouwden en de ochtend afwachtten met gebed en brandende kaarsen.

Het grootste lawaai woedde bij het huis van dokter Faust. Wie toevallig deze richting uitkeek kon rook en vlammen zien, maar toen de nieuwe dag was aangebroken en enkele buren er bij het eerste ochtendgloren heen renden, stond het huis er stil en donker en schade leek er op het eerste gezicht niet te zijn.

De buren kregen op hun geroep geen antwoord. Daarom besloten ze, na lang beraad, het huis binnen te dringen.

De eetkamer, de studeerkamer en ook de slaapkamer vonden ze leeg. Alles leek eenzaam en verlaten, en van de student geen spoor. Tot ze middenin het plafond het zwarte gat ontdekten en zwavelstank roken... De duivel in eigen persoon had ook de ongelukkige gehaald en was met hem door hetzelfde gat verdwenen, waardoor hij vroeger met dokter Faust ter helle was gevaren.

"Hij is op dezelfde manier aan zijn eind gekomen als de dokter," zei een der buren hardop, en de anderen hadden zo hun eigen gedachten erover.

Toen wilde niemand nog een minuut langer in dit huis blijven. Ze sloegen een kruis en vluchtten angstig van de plaats weg.

Maar niemand van hen had de zilveren daalder zien glanzen, die naast een opengeslagen boek in een zwarte schaal lag.


*   *   *

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Sagen van Europese steden" verteld door Vladimír Hulpach. Holland, Haarlem, 1980. ISBN: 90-251-0412-6

Herkomst: Tsjechië
Verteltijd: ca. 16 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook