Volksverhalen Almanak

Het meisje met het doodshoofd Een sprookje van de Aurakanen (Andes-Indianen, Chili)

Het meisje met het doodshoofdEr was eens een machtig opperhoofd, dat in een groot en prachtig huis woonde, waarin veel bedienden voor alles moesten zorgen. Zijn vrouw was al enige tijd gestorven en hij had maar één dochter, waar hij erg veel van hield. Ze kreeg dan ook alles wat ze maar wenste. Op een keer ging het opperhoofd naar een groot feest, waar veel werd gegeten en gedronken. Ook het opperhoofd dronk meer dan goed voor hem was, zodat hij op het laatst niet meer precies wist wat hij deed. En zo gebeurde het, dat toen een vreemde vrouw naar hem toekwam, die wel met hem wilde trouwen omdat hij zoveel geld had, hij bij zichzelf dacht: "Ach ja, laat ik dat maar doen. Mijn vrouw is immers toch al zo lang dood en als ik opnieuw trouw, heeft mijn dochter tenminste wat meer gezelligheid." Hij zag niet, dat de vrouw een slechte en lage inborst had.

En zo vond kort daarna het tweede huwelijk van het opperhoofd plaats. Al gauw werd de tweede vrouw heel erg jaloers op het jonge meisje, dat er lief en knap uitzag. Daarom hield ze ook niet van haar stiefdochter. Maar het werd nog erger, toen bleek, dat het meisje verloofd was met een jongeman, die er ook al knap en flink uitzag. Het opperhoofd, met wie de vrouw om zijn rijkdom was getrouwd, was al oud en niet meer zo flink en krachtig. Zij zou dan ook maar wat graag zélf met de verloofde van haar stiefdochter willen trouwen en zij verzon een plan om het huwelijk te verhinderen.

Nu woonde dicht bij de woning van het opperhoofd een boze tovenares. De vrouw ging naar deze tovenares toe en gaf haar veel geld. Daarvoor in de plaats kreeg zij een toverzalf, die was gemaakt van het merg uit de beenderen van een dode. Tegen de vrouw van het opperhoofd zei de tovenares: "Als je deze zalf op het gezicht van je stiefdochter smeert, verandert haar eigen lieve gezichtje in een doodshoofd." De tovenares vergat er echter bij te vertellen, dat alles, wat met deze toverzalf werd aangeraakt, er als een geraamte zou gaan uitzien. Zo kwam het, dat de vrouw ook zichzelf een lelijke poets zou bakken, maar dat wist ze toen nog niet.

Op de avond vóór het huwelijk ging de stiefmoeder in het geheim en heel stilletjes de kamer binnen waar het jonge meisje in diepe slaap lag. De toverzalf had ze meegenomen en hiervan smeerde ze voorzichtig wat op het gezicht van het slapende meisje. Maar omdat de toverheks niet precies had gezegd, wat ze allemaal moest doen, nam de vrouw bij haar boze daad geen voorzorgsmaatregelen. Zodoende kwamen ook haar vingers, ja, zelfs haar hele hand met de zalf in aanraking. De volgende morgen stroomde het huis van het opperhoofd al vroeg vol met familieleden en genodigden die bij het huwelijk aanwezig zouden zijn. Na het huwelijk zou er een prachtig feest zijn. Toen iedereen aanwezig was, kwam ook de bruid binnen. Zij had een zilverwit kleed aan met een gordel van gekleurd slangenleer om haar middel. Even bleef zij op de drempel staan kijken naar het gewemel van de vele gasten. En wat er toen gebeurde, daar begreep het meisje niets van... Plotseling begonnen alle aanwezigen te schreeuwen van angst en velen waren zelfs zo bang, dat ze hard wegliepen. Want het meisje wist niet, dat haar gezichtje door de zalf van de tovenares veranderd was in een grijnzend doodshoofd.

De stiefmoeder, blij, dat haar list zo prachtig was gelukt, schreeuwde en gilde het hardst van allemaal, waarbij ze haar hand uitstak om naar het meisje te wijzen. Maar juist dat wijzen werd de jaloerse stiefmoeder noodlottig, want toen zagen het opperhoofd en alle mensen, die nog niet waren weggelopen, dat ook haar hand als van een geraamte was geworden. Toen begreep iedereen, dat er iets bijzonders was gebeurd en kregen de mensen medelijden met het jonge meisje, dat haar mooie gezichtje had verloren en er nu zo afschuwelijk uitzag. En dat nog wel juist op haar huwelijksdag.

De dochter van het opperhoofd zelf intussen was vol schaamte weggeslopen en zat weggedoken in een klein kamertje, waar geen bezoekers waren. Zij hoopte, dat de bruidegom haar zou komen troosten. Maar dat gebeurde niet, want die was een van de eersten geweest, die hard was weggerend.

Het opperhoofd wilde het verdriet, dat zijn dochter was aangedaan, niet ongestraft laten. Eerst liet hij door zijn knechten de boze vrouw met stokken zijn erf afjagen en daarna zocht hij het hele huis af naar datgene, wat de oorzaak van de ramp zou kunnen zijn geweest. Zo kwam hij ook bij een kastje, waar zijn tweede vrouw haar persoonlijke eigendommen in bewaarde. Hij besloot ook hier maar eens te zoeken en... ja hoor. Verborgen in een schelp vond hij daar een beetje van de zalf, die was overgebleven. Dit nam het opperhoofd mee om aan een andere tovenaar te laten zien. Diep in het bos woonde een oude tovenaar wiens wijsheid beroemd was in het hele land. Die zou hem misschien kunnen helpen. De wijze tovenaar onderzocht de zalf, hield hem eens tegen het licht, prevelde wat geheimzinnige formules en daarna moest hij wel met het droeve nieuws bij het opperhoofd komen: Er bestond maar één middel om het meisje haar eigen gezicht weer terug te geven en dat zou héél, héél moeilijk zijn. Want de beenderen van de dode, waarvan de zalf was gemaakt, had de boze tovenares in een rivier gegooid. Daardoor waren ze met de stroom meegevoerd en over het hele land verspreid. En het meisje moest nu al die beenderen en beentjes gaan zoeken en zorgen, dat het geraamte van de dode weer helemaal bij elkaar kwam. Pas wanneer ze het allerlaatste beentje zou hebben teruggevonden, zou ze haar eigen gezicht van vroeger weer terug kunnen krijgen.

De dochter van het opperhoofd geloofde niet, dat zij er ooit in zou slagen het hele geraamte bij elkaar te vinden, maar omdat de mensen haar met afgrijzen nakeken, begreep ze ook wel, dat ze niet verder bij haar vader zou kunnen blijven wonen. Ze besloot dan ook haar geluk maar eens te beproeven en door het land te gaan zwerven. Maar eerst nam ze afscheid van haar oude vader. Deze was erg bedroefd om zijn dochtertje en hij probeerde haar moed in te spreken: "Loop maar langs de rivier," zei hij, "je kunt nooit weten of je daar misschien niet wat vindt." Zo ging het meisje op stap. De rivier langs, die door donkere bossen en over kale onherbergzame rotsgebergten stroomde. Zij leefde al die tijd van bessen, wortelen, vruchten en van alles, wat ze verder nog aan eetbare dingen in het bos vond.

Zo zat ze op een keer aan de rand van de rivier uit te rusten en droevig in het water te staren. "Ach," dacht ze bij zichzelf, "was ik maar dood. Wat heb ik zo eigenlijk aan mijn leven?" Terwijl ze daar zo zat, werd haar aandacht plotseling getrokken door een mier, die in het water was gevallen en bijna verdronk. Ze stak hem snel een grassprietje toe en het miertje klauterde op het droge. Daarna legde ze het beestje voorzichtig in de zon, terwijl ze er zelf bij bleef zitten om op te passen, dat het niet door een ander dier werd opgepikt of dood getrapt. Toen zijn vleugeltjes gedroogd waren, vloog de mier weg en riep met een fijn stemmetje: "Als je gaat graven zul je wat vinden! Als je gaat graven zul je wat vinden!" Het meisje begreep eerst niets van deze raadselachtige woorden, maar ze besloot tenslotte de raad van de mier op te volgen. En na een tijdje graven vond ze een van de beenderen van het geraamte en na een poosje nóg een en nóg een. Ze groef en groef tot er niets meer uit de grond te voorschijn kwam en stopte toen alles wat ze gevonden had zorgvuldig in een mandje. Het meisje begreep, dat de beenderen door de stroom waren aangespoeld en daarna langzamerhand onder het zand waren geraakt.

Ze begon nu een beetje moed te scheppen. Enkele beentjes had ze nu tenminste, al besefte ze wel, dat ze nog lang niet zo ver was, dat ze 't hele geraamte bij elkaar had.

Een paar dagen lang vond ze dan ook niets meer. Geen enkel beentje, hoe klein ook en langzamerhand begon ze weer moedeloos te worden. Op een keer zat ze, moe van al dat zoeken, uit te rusten, toen ze plotseling een klein kikkertje zag, dat met zijn poten tussen de slingerplanten verward was geraakt. Het deed alle mogelijke moeite om los te komen, maar daardoor kwam de lus, die de groene slingers om zijn pootje hadden gemaakt, juist hoe langer hoe vaster te zitten. Een eindje verder zag ze een slang aan komen schuifelen. Zijn gespleten tong glipte telkens begerig te voorschijn en het zou niet lang meer duren, of het griezelige dier zou zijn prooi hebben opgeslokt. Het arme kikkertje merkte wel, dat de slang naderbij kwam, maar hoe het ook rukte en trok, het kon niet los komen. Zijn ogen puilden uit van angst! Het meisje zag dat allemaal aan. Zij kon de angst van het arme kikkertje zo goed begrijpen en zij kon toch ook niet lijdelijk toezien, dat het diertje zou worden verslonden. Bovendien vond ze slangen griezelige en akelige beesten. Snel besloten raapte ze daarom een zware steen op en sloeg daarmee kordaat precies op de kop van de slang. De kop werd verpletterd en het gevaarlijke dier was op slag dood. Daarna maakte ze voorzichtig het kikkertje uit de slingerplanten los, zodat het zich weer vrij kon bewegen. Het diertje keek het meisje dankbaar aan en sprong toen met zijn lange benen snel weg in de richting van het veilige water. Maar vóórdat het met een plons weer in de rivier dook, bleef het nog even stil zitten en kwaakte: "Als je gaat graven, zul je wat vinden! Als je gaat graven zul je wat vinden!"

Het meisje begon snel en in opgewonden stemming te graven, want ze moest onwillekeurig aan het voorval met de mier denken. En zoals het toen verliep, verliep het ook nu... Eerst groef ze een paar beenderen op, toen nóg een en nóg een... En ook deze stopte ze allemaal in haar mandje bij de andere, die ze al eerder had gevonden. Daarna ging ze weer verder en met wéér een beetje meer hoop in haar hart. Spoedig kwam ze toen bij een groot meer. Het was een lieflijk plekje waar ze eens heerlijk kon uitrusten. Ze ging dicht bij een paar zilverglanzende boompjes met ritselende blaadjes zitten, in zacht, welig groeiend gras. Plotseling hoorde ze een klagend geluid. Het meisje stond op om te kijken, wat dat wel zou kunnen zijn. Ze liep in de richting waar het geluid vandaan kwam en daar zag ze vlak aan de rand van het water een ree liggen, waarvan het lichaam doorboord was met pijlen. Waarschijnlijk was de ree door de pijlen van een jager getroffen en was hij weggevlucht naar het water om zijn dorst te lessen. Maar door het bloed dat het dier verloor, werd het zwakker en zwakker en nu kon het bijna niet meer en lag het langzaam te sterven.

Het meisje kreeg tranen in haar ogen toen ze dat zag. "Wacht," dacht ze, "misschien kan ik hier wel wat van die kruiden vinden, waarmee men wonden geneest." En snel liep ze weg om ernaar te zoeken. Gelukkig vond ze al gauw wat van die geneeskrachtige kruiden, waarmee ze terugrende naar de plaats, waar de ree lag. Eerst trok ze voorzichtig de scherpe pijlen uit zijn lijf, daarna waste ze de bloedende wonden schoon en tenslotte legde ze de met haar vingers fijn gewreven kruiden op de pijnlijke plekken. Het dier lag haar met zijn zacht glanzende reeënogen dankbaar aan te kijken. Zij bleef naast hem zitten tot de kruiden hun heilzame werking begonnen en om toe te zien of de medicijn voldoende was en of ze misschien niet nog meer moest gaan zoeken. Ook gaf ze het dier wat water te drinken. Van haar twee handen maakte ze een kommetje en zo bracht ze het water uit het meer bij de bek van het dier. Toen het gedronken had, likte de ree even aan haar hand, alsof hij zeggen wilde: "Je hebt me goed verzorgd, dank je wel, lief meisje."

Al gauw begon het dier nu zichtbaar op te knappen en sterker te worden. Het richtte zich langzaam op en het kon ook al weer op zijn slanke pootjes staan, al trilden ze nog wel een beetje van de doorstane ellende. Toen liep het weg in de richting van het bos. Een eindje verder bleef de ree echter weer even staan, keek naar het meisje om en riep: "Als je gaat graven, zul je wat vinden! Als je gaat graven, zul je wat vinden!" Daarna rende hij het bos in en het meisje zag hem niet meer terug. IJverig begon ze nu echter te graven en... ja hoor... ook deze keer vond ze weer wat beenderen van het geraamte, dat ze bij elkaar moest zoeken. Nu had ze langzamerhand het hele geraamte compleet, alleen het doodshoofd ontbrak er nog aan.

Dagen en dagen dwaalde ze door de bossen en velden, die om het meer lagen. Plotseling kwam er een poema op haar af. Het meisje beefde van angst en schrik, want ze dacht niet anders of het dier wilde haar verscheuren. De poema had echter op een afstand gezien, hoe het meisje de ree had verzorgd. En omdat een van zijn poten erge pijn deed en hij er niet meer op kon staan, hoopte hij dat het meisje ook hem zou kunnen helpen. Hij stak haar zijn poot toe en ze zag er een grote doorn in zitten. De doorn trok ze er voorzichtig uit, waarna ze met haar vingers, waaraan nog restjes van de geneeskrachtige kruiden zaten, over de pijnlijke plek wreef. De poema likte verheugd haar handen en deed toen een paar stapjes om weer weg te gaan. Toen bleef hij staan en keek naar het meisje om. Daarop deed hij weer een paar stapjes en keek weer om. Het meisje begreep, dat de poema wilde dat ze met hem meeging en omdat het al donker begon te worden, besloot ze hem te volgen. Misschien kon ze in zijn hol de nacht doorbrengen.

Toen ze in het poemahol aankwam, versmachtte ze van de dorst. Want omdat ze aldoor bezig was geweest met het verzorgen der gewonde dieren, had ze helemaal vergeten om zelf te drinken. De poema zag al gauw, dat zijn weldoenster zo'n erge dorst had en hij snelde weg om water voor het meisje te gaan halen. Toen hij terugkwam, droeg hij tussen zijn voorpoten een doodshoofd, gevuld met heerlijk koel water. Terwijl het meisje dronk, schoot het plotseling door haar gedachten, dat dit wel eens het ontbrekende doodshoofd van haar geraamte kon zijn. In koortsachtige haast begon ze nu alle beenderen en beentjes uit haar mandje zó naast elkaar te leggen, dat het geheel de vorm van een mens kreeg. Als laatste stuk legde ze daar ook het zo juist gevonden doodshoofd bij. En ja hoor, het paste. Haar handen beefden van opwinding en zo kwam het, dat ze aan een scherp beentje haar vinger prikte. Er kwam een druppel bloed uit het wondje en dat viel precies op het geraamte dat op de grond lag. En toen gebeurde er iets wonderlijks... Op hetzelfde ogenblik veranderde het geraamte in een jonge knappe Indianenhoofdman. Die jonge hoofdman was vroeger door de boze tovenares gedood, waarna ze zijn gebeente in de rivier had laten wegdrijven. Doordat het meisje nu echter al de beenderen weer bij elkaar had gezocht en daarbij ook nog haar eigen bloed er op had laten vallen, was de betovering verbroken en keerde de jonge hoofdman weer tot leven terug. Hij stapte op het meisje toe en omhelsde haar. En plotseling bemerkte zij, dat nu ook haar eigen afschuwelijke doodshoofd was verdwenen en dat ze weer haar gezicht van vroeger had terug gekregen.

De jonge hoofdman en het meisje hielden al gauw heel veel van elkaar. Zij trouwden en leefden nog lang en gelukkig samen. En ook de poema, die het meisje naar zijn hol had meegenomen, heeft hen nooit meer verlaten.


*   *   *

Het meisje met het doodshoofd Samenvatting
Een sprookje van de Aurakanen (Andes-Indianen, Chili). Een stiefmoeder is jaloers op haar stiefdochter. Bij een gemene tovenares haalt ze een toverzalf waarmee ze het gezicht van haar stiefdochter insmeert. Het mooie gezichtje verandert in een grijnzend doodshoofd. Om weer gezond te worden moet het meisje op zoek naar de beenderen van een geraamte dat her en der verspreid ligt. Door goed en behulpzaam te zijn voor de dieren in het wild krijgt ze de juiste aanwijzingen... Lees het verhaal

Toelichting
De Araukanen (oorspronkelijke Indianenbevolking) leven grotendeels in het Chileense Andesgebied. Men noemt ze ook wel Andes-Indianen of Auraukaniërs.

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes van Noord- en Zuid-Amerika" verzameld en bewerkt door W.A. Braasem, met illustraties van H. de Vos. Uit de serie "Sprookjeswereld" uitgegeven door C.P.J. van der Peet, Amsterdam.

Herkomst: Chili
Verteltijd: ca. 24 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook