Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 24 min.
Herkomst:

Het offer van Kusomo Een Javaanse sage over een man die zijn zoon offert aan Brahma

De Bromo is een vulkaan uit het Tenggergebergte op het eiland Java. Hij ligt in een grote zandvlakte. Zijn hellingen zijn bedekt met uitgeworpen as en stenen. In het midden is een diep gat, de krater. Daar komt dikwijls rook en soms zelfs vuur uit. Elk jaar op de veertiende dag van de maand Kasanga, dat is bij de bergbewoners de negende maand van het jaar, trekken alle mensen die in de omgeving van de Bromo wonen, met vruchten, bloemen en dieren naar boven. 's Morgens vroeg gaan ze al op weg uit de dessa's (dorpen) en als ze in de grote Zandzee komen, staat de zon al brandend heet aan de hemel. Nu wordt de vulkaan bestegen en als ze de top bereikt hebben, worden de bloemen en vruchten in de afgrond geworpen. De priesters slachten de dieren en ook die worden geofferd aan de god van de diepe vuurpoel. De mensen vertellen, dat in de krater god Brahma woont. Brahma wordt door de bewoners van het Tenggergebergte hoog vereerd. Ze hopen, dat hij hun gezondheid zal geven, voor gezin en voor vee, en ook dat hij de gewassen op de velden goed zal doen groeien. Wanneer de dorpelingen 's avonds moe in hun dessa's teruggekeerd zijn, vertellen ze elkaar verhalen van de Bromo. En één verhaal horen ze het liefste.

Het offer van Kusomo
Vele, vele eeuwen geleden leefde niet ver van de Zandzee een echtpaar: Kjai (eerbiedwaardige man) Kusomo en Njai Kusomo. Toen Kjai Kusomo nog een jongen was, woonde hij met zijn vader en moeder in een klein dorpje. Hij heette toen Madin. Op Java nemen de mensen vaak een andere naam aan als zij gaan trouwen. Madin hoedde de geiten van zijn vader op de berghellingen. Dikwijls lag hij in het gras naar de Bromo te kijken. Daar kwamen van tijd tot tijd dikke rookwolken uit. Soms, als er een vuurgloed zichtbaar werd, zei hij tegen een van de geiten: "Kijk eens Djona, Brahma is boos."

Toen hij ouder werd, wilde hij graag trouwen. Er woonde in het dorp ook een lief en flink meisje: Sarinah. De ouders van de beide jonge mensen spraken met elkaar over een huwelijk tussen hun kinderen en niet lang daarna konden Madin en Sarinah in een klein huisje gaan wonen, dat hij zelf gebouwd had. Toen hij trouwde, nam Madin de naam Kusomo aan. Zij woonden aan de rand van de dessa, vlak bij de hellingen, waar Kusomo als kleine jongen de geiten van zijn vader had gehoed. Als zij 's avonds moe waren van het werk, gingen zij onder het afdak voor hun huisje zitten. In de verte zagen zij dan de rookwolken van de Bromo, en Kusomo vertelde zijn vrouw van het paleis van Brahma in het binnenste van de vulkaan.

Jaren lang leefden zij zo. Kusomo werkte hard; hij verbouwde maïs en op de sawah padi (rijst). Zijn vrouw, Bok Kusomo zoals ze nu genoemd werd, stampte die in het rijstblok. Ze waren gelukkig met elkaar. Maar er ontbrak één ding aan dat geluk: ze hadden geen kinderen. Ze baden en smeekten en offerden, maar er werd geen zoontje of dochtertje geboren. Als ze 's avonds naast elkaar in de verte zaten te kijken, werd er vaak geen woord gesproken. Dan dachten beiden eraan, hoe heerlijk het zou zijn, als er kleine kindertjes rond hen zouden spelen. Op zekere avond, toen ze weer lange tijd zo gezeten hadden, zei Kusomo tegen zijn vrouw: "Wat zou je ervan zeggen, als we eens gingen verhuizen?"

"Verhuizen? Waarom? We hebben het hier toch goed!"

"Ik hoorde vandaag van Intan, die nu op de hellingen daarginds woont, dat hij en zijn vrouw net als wij, al jaren lang getrouwd waren en geen kinderen hadden. Toen zijn zij verhuisd naar de bergen. En na een jaar werd er een zoon geboren."

"Dan moeten wij ook maar verhuizen."

"We zouden het in ieder geval kunnen proberen. Ik zal morgen een plekje zoeken, waar we kunnen gaan wonen."

De volgende morgen heel vroeg trok Kusomo de bergen in. Hij bleef lang weg. Het was al donker, toen hij weer thuis kwam. Bok Kusomo zei niets. Zij diende het eten op. Toen zij klaar waren, gingen ze naast elkaar op de voorgalerij zitten. Kusomo rookte een strootje (sigaret). Na een heel lange tijd begon hij met tussenpozen te spreken: "Ik heb een plaats gevonden, waar we een huis kunnen bouwen... Het is ver weg... Het is er eenzaam... We moeten onze familie en al onze vrienden verlaten... We zullen weer helemaal van voren af aan moeten beginnen... Ik zal velden en sawahs moeten aanleggen... We zullen het niet rijk hebben in het begin."

"Ik wil graag met je meegaan," antwoordde Bok Kusomo alleen.

En zo trokken zij een paar dagen later weg uit hun geboortedorp. De plaats, die Kusomo had uitgekozen, lag op een berghelling. De wind werd tegengehouden door een bos, dat een eind verderop begon. In de verte zagen zij de Bromo. Kusomo had al een paar struiken gekapt op de plek, waar hun huisje zou komen. Er liep een pad langs. Als ze stil waren, hoorden ze het klateren van de bergbeek, die langs de helling omlaag stroomde.

"Het is hier mooi," zei Bok Kusomo.

"Hier bouwen we ons huis en daar komt de stal voor de karbouw."

"Maar we hebben toch geen karbouw?"

"Die zullen we hebben," antwoordde Kusomo.

Ze gingen meteen aan het werk. Het huis hoefde niet groot te zijn, want ze hadden niet veel meegenomen. Na een paar dagen konden ze erin trekken. De eerste nacht, die ze in het nieuwe huis doorbrachten, sliepen ze vast. Ze waren moe van het harde werken.

"Nu ga ik onze sawahs klaar maken," zei Kusomo de volgende morgen. "Als ik hard doorwerk, kunnen we nog net op tijd de jonge rijstplantjes uitzetten. Ik zal water uit de beek over onze akkers leiden."

Toen de eerste padi geoogst werd, waren ze al helemaal gewend aan hun nieuwe omgeving. De mensen uit de bergdessa's begonnen hen al te kennen. Voorbijgangers, die van het ene dorp naar het andere trokken, groetten vriendelijk. Als een reiziger vermoeid was, bleef hij soms wat uitrusten. Dan gaf Bok Kusomo hem iets te eten en te drinken, want Javanen zijn erg gastvrij.

Zo gingen de jaren voorbij. Kusomo en zijn vrouw werden ouder en ouder. Maar nog altijd hadden ze geen kinderen. Ten laatste waren ze zo oud geworden, dat de mensen hen Kjai en Njai Kusomo noemden.

Toen werd er in een stormachtige nacht aan de deur geklopt. De oude mensen sliepen op de baleh-baleh (slaapbank). Ze werden wakker en ze hoorden buiten zacht roepen: "Kjai Kusomo, Kjai Kusomo, heb medelijden met een vermoeide reiziger." Zij kwamen overeind. De oude man stak een klein lampje, de pelita, aan. Het vlammetje beschermde hij met de hand tegen de tocht. Hij schoof de grendel voor de deur weg en liet de reiziger binnen. Het was een arme oude man.

"Wie bent u en waar komt u vandaan en waar wilt u heen?"

"Ik ben een lange weg gegaan," antwoordde de grijsaard, "en de weg die ik nog gaan moet, is nog langer. Ik ben moe en ik heb honger. Geef me alsjeblieft iets te eten. Ik zie dat u zelf niet rijk bent. Maar ik ben nog armer dan u. Laat mij deze nacht onder uw dak blijven."

Njai Kumoso was al bezig maïskoeken te bakken en koffie te maken. De beide mannen gingen op de baleh-baleh zitten en de late bezoeker at en dronk. Het deed hem goed, dat was hem aan te zien. Intussen spreidde Njai Kusomo een mat voor hem op een rustbank. Een poosje later was het weer stil geworden in het huisje.

Toen de volgende morgen de haan kraaide en de slapers wakker maakte, dachten de beide oudjes onmiddellijk weer aan hun gast. Maar wat was dat? Er stond geen vermoeide grijsaard op van de rustbank, maar een jonge slanke prins. De oude mensen schrokken hevig en hurkten eerbiedig neer.

"Ik ben door mijn vader, Brahma, tot u gezonden," sprak de prins. "Brahma heeft uw bidden en smeken gehoord. Uw verlangen naar een kind zal vervuld worden. Over een jaar zal u een zoon geboren worden. Als uw kind tien jaar oud is, zal ik weer naar u toe komen, om u te vertellen wat Brahma van u verlangt." Toen hij dit had gezegd, verliet de prins de woning.

Kjai Kusomo en Njai Kusomo durfden zich eerst niet te bewegen. Toen zij even later naar buiten liepen om te zien waar de zoon van Brahma gebleven was, konden zij hem nergens meer ontdekken. Ver vóór hen lag de Bromo en een dikke zwarte rookwolk steeg op uit de krater. Vol eerbied bogen beiden in de richting van de berg.

Wat de bezoeker gezegd had, gebeurde. Precies een jaar later, op hetzelfde uur van dezelfde dag en dezelfde maand, werd er een jongen geboren in het huisje van Kjai Kusomo en Njai Kusomo. Het is te begrijpen, dat de ouders overgelukkig waren. Zij noemden hun kind Madin, dezelfde naam, die de vader in zijn jeugd had gedragen.

Madin groeide op en toen hij oud genoeg was, hielp hij zijn ouders. Hij was een flinke, sterke knaap. Zijn ouders waren trots op hem. Hij hoedde de geiten en lag dan in het gras en speelde op een fluit, die hij zelf had gesneden. Of hij reed op de brede rug van de sterke karbouw, die de ploeg door de sawah moest trekken. Het grote beest gehoorzaamde Madin en zijn ouders durfden hem gerust te laten gaan, als hij met de karbouw wegreed. Zij wisten, dat het dier hun kleine jongen zou beschermen als dat nodig mocht zijn.

Madin ving krekels, die hij in een kokertje van bamboe bewaarde. Als hij op de weideplaatsen andere jongens tegenkwam, die ook hun kokertjes bij zich hadden, lieten zij de krekels tegen elkaar vechten. Madin had ook een vlieger. Zijn vader had hem geholpen bij het maken hiervan. Het was een hele grote en hij was prachtig gekleurd. Vader had van de pasar (markt) een lange lijn meegebracht. Madin stampte glas fijn en haalde er het vliegertouw doorheen. Zo kreeg hij glastouw. Als de jongens wedstrijden hielden, steeg zijn vlieger het hoogst van allemaal. Kreeg hij de kans, dan liet hij hem zover zakken, dat het touw schuurde over de lijn van een andere vlieger. En dan was het de kunst zo te trekken, dat het touw van de tegenstander werd doorgesneden. De jongens hielden van die gevechten. Of het nu kwam doordat Madin de grootste vlieger had, of dat zijn glastouw sterker was dan dat van de andere jongens, hij won altijd.

Zo groeide Madin op en de tiende verjaardag kwam steeds dichterbij. De jongen wist er niets van, dat de afgezant van Brahma dan zou terugkomen. Maar zijn ouders hadden met grote spanning op deze dag gewacht. Toen het eindelijk zo ver was, stond de prins plotseling weer voor hen op een ogenblik, dat Madin niet thuis was.

"Brahma," zo sprak de prins, "heeft mij weer tot u gezonden. Toen u naar een zoon verlangde, heeft hij mij gestuurd om u te zeggen, dat uw verlangen vervuld zou worden. Iedere dag hebt u hem daarvoor bedankt. Telkens weer hebt u gezegd, dat u bereid bent uw dankbaarheid te tonen, door Brahma alles te geven wat u bezit. Hij verlangt slechts één ding van u en daarmee kunt u bewijzen, dat het u ernst is met wat u hebt gezegd. Breng morgen uw zoon naar de Bromo en werp hem omlaag in het vuur, zodat mijn vader hem in zijn paleis kan opnemen."

Toen de zoon van Brahma deze woorden gesproken had, verdween hij weer. De oude mensen wierpen zich bevend op de grond en ze konden van ontzetting niets zeggen.

De volgende morgen, in alle vroegte, verlieten Kjai Kusomo en Njai Kusomo met hun zoontje het huis. Ze liepen achter elkaar. Voorop Kjai Kusomo, die zwaar op een stok leunde. Dan de vrolijk huppelende Madin en daarachter de oude Njai, gebukt onder het grote verdriet. Het was de veertiende dag van de maand Kasanga. Ze daalden af van de berghelling en gingen door de Zandzee. Madin was vrolijk en blij. Hij was nog nooit zo ver geweest.

"Vader, waar gaan we heen, en wat gaan we doen?" vroeg hij.

"We gaan naar de Bromo om een offer te brengen aan Brahma, mijn jongen."

"Maar we hebben geen vruchten bij ons en geen bloemen. Waar is de offergave dan?"

"Wacht maar tot we er zijn, dan zul je het wel zien, mijn kind." De oude vader had moeite zich goed te houden en de moeder snikte zachtjes.

Zij trokken door de Zandzee en beklommen de top van de Bromo. Toen zij eindelijk boven waren, gingen zij in een eerbiedige houding zitten, Madin in het midden. Verbaasd keek de jongen om zich heen. Nog nooit was hij zo dicht bij de woonplaats van Brahma geweest. Een dunne rooksliert steeg op uit het binnenste van de vulkaan. Zo zaten zij lange tijd. Het was doodstil. De anders zo levendige Madin kwam zo onder de indruk, dat hij zich niet durfde verroeren.

Toen begon Kjai Kusomo te spreken: "Machtige en grote Brahma, toen wij geen kinderen hadden, hebt u ons een boodschapper gezonden, die ons het blijde nieuws vertelde, dat ons een zoon geboren zou worden. Wij zijn u daar altijd dankbaar voor geweest. We hebben iedere dag gezegd, dat we alles zouden willen geven, om deze dankbaarheid te bewijzen. Maar het offer, dat u nu van ons vraagt, is toch wel heel zwaar... Wij hebben maar één zoon. Mijn vrouw en ik zullen niet lang meer kunnen werken. Wie moet dan ons vee voeden? Wie zal onze sawahs ploegen? Wie zal onze oogst binnen halen? Wie moet het water halen uit de beek? Wie zal u offers brengen, o Brahma, als wij zelf dat niet meer kunnen doen? En wie zal ons begraven, als wij eens zullen sterven en wie zal dan bidden op ons graf? Wie moet dat alles doen, als u, machtige Brahma, onze enige zoon neemt?"

Kjai Kusomo zweeg. Zijn vrouw had grote tranen in de ogen en Madin keek verschrikt naar zijn vader. Toen kwam er een dikke zwarte rookwolk uit de krater en een machtige stem, als het geluid van de donder, weerklonk: "Kjai Kusomo, uw smeekbede is verhoord. U bent gehoorzaam geweest. U hebt bewezen, dat uw dankbaarheid werkelijk zo groot was, als u hebt gezegd. U bent bereid geweest mij uw enige zoon te schenken. Ik zal u daarvoor belonen. Uw zoon mag met u terugkeren en u zult hem voortaan Tengger (Hoogland) noemen. Hij zal opgroeien tot een sterk en machtig man en u zult nog beleven, dat hij een groot stamhoofd wordt. Gaat nu terug naar uw woning."

De Kjai en de Njai en Madin luisterden vol ontzag naar de stem en toen die was uitgesproken, bogen zij diep het hoofd. Zij stonden op en keerden naar hun huis terug. Zij haalden hun beste geit uit de stal en brachten die naar de rand van de krater. Daar slachtten zij het dier en wierpen het in het vuur van de diepe afgrond.

Zoals Brahma het had gezegd, kwam het werkelijk uit. Tengger groeide op tot een sterke en flinke man. Toen hij trouwde, hield hij de naam die Brahma hem had gegeven. Hij kreeg veel kinderen, die allen in de buurt bleven wonen. En toen Kjai en Njai Kusomo stierven, was er al een groot dorp ontstaan rond de plaats, die zij hadden uitgezocht om hun huisje te bouwen. Hun nakomelingen noemden zich Wong Tengger, Hooglandmensen.

Dit alles is honderden en honderden jaren geleden gebeurd. Maar nog altijd wonen de Wong-Tengger, de Tenggerezen zoals wij zeggen, op de berghellingen rond de Zandzee. En ieder jaar op de veertiende dag van de maand Kasanga trekken zij met hun offergaven naar de krater van de Bromo. En net als Kjai Kusomo het deed, werpen zij hun offers in de rokende afgrond ter ere van de machtige en goede Brahma.


*   *   *

Het offer van Kusomo Samenvatting
Een Javaanse sage over een man die zijn zoon offert aan Brahma. In de vulkaan Bromo op Java woont de god Brahma. Een kinderloos echtpaar bidt dagelijks de god om een zoon en uiteindelijk wordt die wens verhoord. Maar na tien jaar krijgen ze de opdracht van Brahma om hun zoon te offeren door hem in de krater van de vulkaan te werpen. Lees het verhaal

Toelichting
Uit Java. Vergelijk dit verhaal met De beproeving van Abraham wat we uit de bijbel en de koran kennen.

De Bromo is de meest bekende vulkaan op het eiland Java, Indonesië. De berg is met 2392 meter zeker niet de hoogste berg van de regio, maar de ligging is wel zeer bijzonder. De vulkaan ligt samen met twee andere vulkanen in een zandzee van 8 bij 10 kilometer. De Bromo maakt deel uit van het Tenggermassief en is gelegen in het Bromo Tengger Semeru Nationaal Park dat in Oost-Java ligt.

Een populaire activiteit is de zonsopgang bekijken vanaf de rand van de krater van de Bromo, midden in het betoverende maanachtig landschap. De wandeling start midden in de nacht, vanaf een hotel in de buurt van de krater. Na ongeveer één uur lopen bereikt men via een trap de krater.

Dat een vulkaan onvoorspelbaar blijft bleek in de zomer van 2004, toen de Bromo plotseling uitbarstte. Er zijn 2 doden gevallen (toeristen) en 2 mensen zijn gewond geraakt.

Jaarlijks wordt op Bromo op de veertiende dag van de laatste maandjaarkalender (meestal in maart) het Karo- of Kesada-feest gevierd. Tijdens dit feest beklimmen de Tenggerezen de Gunung Bromo om offergaven, zoals kippen, geiten, koppen van karbouwen en bloemen, in de krater van de vulkaan te werpen. Zo denkt men de goden en demonen van de nog altijd actieve Bromo gunstig te stemmen. In 1993 heeft men aan de voet van de Bromo een hindutempel neergezet.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes van Azië" verzameld en bewerkt door R.M. Dalang. C.P.J. van der Peet, Amsterdam, 1957.

Herkomst: Indonesië
Verteltijd: ca. 24 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook