Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 12 min.
Herkomst:

Het overtreden gebod Een Fins volksverhaal over hoe je levend in het paradijs komt

Er was eens een koningszoon die twaalf jaar oud was. Het was een aantrekkelijke knaap met een zachtmoedige inborst, en zijn liefste wens was om levend in het paradijs te komen.

Op een dag schouderde hij zijn flintgeweer en trok het woud in. Verder en verder dwaalde hij van huis, door velden en moerassen, tot de zon ter kimme begon te neigen en de wereld in duisternis achterliet.

Er barstte een verschrikkelijk onweer los en de regen gutste bij bakken uit het zwarte zwerk, doch de dappere koningszoon stapte onverdroten voort en was weldra volledig de weg kwijt.

In het holst van de nacht bereikte hij een grote, met stenen bezaaide heuvel. Met zijn tanden op elkaar geklemd beklom hij de helling, tot hij daar, vanuit de hoogte, beneden zich in het woud een reusachtig kampvuur ontwaarde.

Hij daalde de helling af in de richting van het vuur, maar dorst niet al te dichtbij te komen, want bij het vuur stond een kolossale oude vrouw.

De vrouw, aan wie zijn komst niet onopgemerkt voorbij was gegaan, riep hem met vriendelijke basstem toe: "Kom maar hier, koningszoon. Hier bij het vuur kun je je warmen."

Met een lichte aarzeling trad de prins te voorschijn en zei: "Goedenavond, moedertje."

"Wat zoek jij hier, zo ver van huis?" vroeg de oude vrouw.

"Ik zou zo graag levend in het paradijs willen komen," antwoordde de koningszoon.

De vrouw fronste haar machtige voorhoofd en sprak toen: "Het is nu nog nacht, maar zodra het licht wordt, bij het krieken van de dag, regelen we dat wel even. Ik heb namelijk vier zoons, en dat zijn de winden. Mijn oudste heet noordenwind, de op één na oudste westenwind, de derde oostenwind en mijn jongste zoon, dat is de zuidenwind. Maar als ze straks thuiskomen, zeg jij dan maar niets, laat alles maar gerust aan mij over."

Het duurde niet lang of daar kwam de oudste zoon, de noordenwind dus, thuis. "Waarom ruikt het hier naar mens?" vroeg hij zijn moeder.

"Ik heb hier een koningszoon die naar het paradijs wil," antwoordde zij.

De oude vrouw bleek een grote zak bij de hand te hebben, en als een van haar zoons haar niet gehoorzaamde, dan stopte ze hem daarin.

Nu vroeg ze de noordenwind: "En, waar ben je geweest? Wat heb je zoal uitgespookt? Heb je goed of kwaad gedaan?"

"Ik heb geprobeerd een jager dood te laten vriezen," antwoordde de noordenwind. "Drie jaar lang heb ik alles in het werk gesteld om mijn doel te bereiken, maar het is me niet gelukt. Als ik zijn voeten belaagde schopte hij naar me, en kwam ik aan zijn handen dan sloeg hij die vlug in elkaar. Tenslotte heb ik hem maar laten lopen en een koopman doodgeblazen, die in een berenvel gehuld op een slee zat."

Toen hij zijn moeder aldus kond had gedaan van zijn wedervaren wendde hij zich tot de koningszoon en vroeg: "Wat ben jij voor een vent, en wat moet je hier?"

"Hou je mond," zei zijn moeder, "of ik stop je in de zak." Haar zoon deed er onmiddellijk het zwijgen toe en gaf geen kik meer.

Even later arriveerde de westenwind, haar op één na oudste zoon, en begon meteen van: "Wat moet die kerel hier? Jaag 'm weg!"

"Stil jongen, of ik stop je in de zak," waarschuwde zijn moeder. "Wat heb jij allemaal uitgevoerd?"

"Wat zal ik zeggen?" antwoordde de westenwind haar. "Ik heb eigenlijk goed noch kwaad gedaan, alleen de zeelui een beetje geplaagd."

Nu kwam ook de oostenwind, haar derde zoon, thuis en begon ogenblikkelijk tegen de koningszoon uit te varen: "Wat ben jij voor een knul? Maak dat je wegkomt! Wat moet je hier?"

Opnieuw kwam de moeder tussenbeide en waarschuwde hem; "Hou ogenblikkelijk je mond of ik stop je in de zak!" Op wat mildere toon vervolgde ze: "En hoe heb jij, mijn jongen, de tijd zoek gebracht?"

"Ik heb als dagloner voor broer haas gewerkt en de korenaren uitgeschud," antwoordde de oostenwind bedeesd.

Als laatste kwam haar vierde zoon, de zuidenwind, thuis. "Hallo! Wie ben jij, en wat zoek je hier?" vroeg hij de koningszoon.

Deze antwoordde eenvoudig: "Ik zoek het paradijs."

"Ga nu dan maar lekker slapen," zei de zuidenwind, "dan breng ik jou morgen levend en wel naar het paradijs."

"Wanneer ben jij ook al weer voor het laatst in het paradijs geweest, mijn zoon?" vroeg de oude moeder.

"Morgen precies een jaar geleden!" antwoordde de zuidenwind.

Diezelfde nacht nog maakte hij zich reisklaar en nam de koningszoon op zijn rug. Toen de jongen ontwaakte uit zijn dromen was hij al in de wolken.

"Als we zo meteen in de buurt van het paradijs komen," zei de zuidenwind tot de koningszoon, "komt Inti, die daar de scepter zwaait, ons tegemoet." En bij het paradijs gekomen begroette de zuidenwind haar met de woorden: "Goedemorgen, heilige hoogheid Inti!"

Met melodieuze stem vroeg Inti: "Wie voer jij mee hierheen, en hoe maak je het? Je hebt je precies aan je woord gehouden!"

Vervolgens richtte zij het woord tot de koningszoon: "Waarom ben je hierheen gekomen? Wil je soms hier blijven, of ga je weer terug met de wind?"

De koningszoon antwoordde: "Ik zou graag hier blijven, als je me de schimmen van Adam en Eva laat zien."

"Kijk," sprak Inti, "daar onder die boom, dat zijn de schimmen van Adam en Eva, en als jij hier blijft zal het jou evenzo vergaan als hen."

"Ik blijf hier," antwoordde de koningszoon, "maar ik zal niet ongehoorzaam doen, zoals Adam en Eva." Hierop sprak Inti tot hem: "Ik zal je een taak en een opdracht geven." Ze leidde hem rond en liet hem kennismaken met alle mogelijke lusten en genoegens. Ze toonde de koningszoon de heerlijkste ruimtes van het paradijs, waar levende schimmen, van hun ziel verstoken, een gelukzalig bestaan leidden.

"Dit alles," zei ze, "zo ver je oog maar reikt, stel ik onder jouw hoede, maar mij mag je niet aanroeren. Dat is de enige voorwaarde. Overdag zul je allerlei vreugden en genietingen smaken, de hoogste en heerlijkste die de wereld te bieden heeft, maar als ik mij 's avonds ter ruste leg en je roep - 'Kom bij me, koningszoon, kom!' - kom dan in godsnaam niet, want als je wel komt zul je sterven en vergaat het jou net als Adam en Eva."

"Ik zal niet bij je komen," zei de koningszoon. "Ik kan hier zóveel genoegens smaken! Je kunt erop rekenen dat ik niet bij je kom, dat beloof ik je."

Toen sprak Inti tot de wind: "Je kunt gaan, de koningszoon blijft hier en houdt zich aan de geboden."

"Tot ziens dan, Inti," zei de wind, "en vaarwel, koningszoon, over een jaartje kom ik weer eens langs om te kijken hoe het met je gaat." Met deze woorden stapte hij op en woei weg.

Zo brak de eerste dag aan, die hem een waar boeket van lusten en genoegens bracht. Toen de avond viel riep Inti: "Kom bij me, koningszoon, kom! Maar als je komt, weet dan dat je zult sterven." Daarna smeekte ze hem: "Kom alsjeblieft niet!"

De koningszoon verkeerde in heftige tweestrijd en trad een stap naderbij - en toen, als werd hij door een magneet aangetrokken, voerden zijn voeten hem nog nader tot Inti... of was het zijn hart?

De schimmen begonnen te lachen - een hol en zielloos gelach - en murmelden: "Je houdt je niet aan je belofte, je breekt je woord!" De koningszoon echter dacht: "Ik ga naar haar toe, maar ik kus haar niet. Ik wil alleen zien waar ze slaapt."

Inti sliep onder de vijgenboom waar de koningszoon niet komen mocht. Haar aantrekkingskracht was echter zo sterk dat hij er toch heen liep en keek hoe Inti daar rustte. Inti werd wakker, en in haar ogen blonken tranen. Zacht huilend zei ze tegen de koningszoon: "Je hebt je niet aan je belofte gehouden, je hebt je woord gebroken..." Doch de koningszoon antwoordde: "Ik houd me aan mijn woord, ik zal je niet kussen!"

Toen vergat hij alles om zich heen en ook z'n belofte, en hij kuste Inti. Zodra hij haar had gekust en hun lippen elkaar hadden losgelaten, ontvlood hem het paradijs, om als een steeds kleiner wordend lichtje in een verre verte te verdwijnen. De koningszoon stierf, en het verging hem als Adam en Eva.


*   *   *

Het overtreden gebod Samenvatting
Een Fins volksverhaal over hoe je levend in het paradijs komt.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes uit Finland en Estland" bijeengebracht door August von Löwis of Menar. A.W. Bruna & Zoon, Utrecht/Antwerpen, 1979. Oorspronkelijke titel: Finnische und Estnische Märchen © 1962 Eugen Diederichs Verlag Düsseldorf-Köln. ISBN: 90-229-3311-3

Herkomst: Finland
Verteltijd: ca. 12 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook