Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 32 min.
Herkomst:




Het paard met de zeven kleuren Een sprookje van de Mexicaanse indianen

Er waren eens een man en een vrouw en die hadden drie zoons. Ze bezaten een mooi tarweveld. Elke nacht kwam er echter een paard en dat richtte veel schade aan op het veld. De man werd kwaad tot een van zijn drie zoons zei: "Koop een touw voor me, vader. Ik zal me om de tarwe bekommeren. Ik zal ervoor zorgen dat het paard niets van de tarwe eet."

"Hoe wil jij dat nou voor elkaar krijgen, lui als je altijd bent?"

"Het lukt me. Breng me dat touw nou maar."

Nu, de man liet zich overtuigen en bracht voor zijn zoon een touw mee.

De volgende morgen ging de man naar buiten. De jongen sliep nog vast. Opnieuw richtte het paard in het veld grote schade aan. Het at van de tarwe. Het vertrapte aren. De man was verbolgen en dacht bij zichzelf: "Het zal mij benieuwen hoe het morgenvroeg zal zijn."

De volgende ochtend sliep de jongen weer. De vader werd boos. Hij wekte hem en joeg hem het huis uit. Hij riep hem na dat hij zich thuis niet meer hoefde te laten zien.

De volgende dag zei de tweede zoon: "Nu zal ik het veld bewaken, vader. Van mij kun je beter op aan."

"Wees toch stil. Wat je grote broer niet is gelukt, hoe moet jou dat nou lukken?"

"Wacht maar af. Ik vang dat paard."

Dus ging de jongen naar het veld, verstopte zich en wachtte op het paard. Maar hij viel in slaap en het paard verwoestte het veld opnieuw. Toen joeg de boer ook deze zoon het huis uit.

Die ging op zoek naar zijn broer en na een paar dagen vond hij hem.

"Wat is er gebeurd? Heeft vader je weggejaagd?"

"Ja," zei hij, "ik ben in mijn schuilplaats in slaap gevallen. Ik heb helemaal niet gemerkt dat het paard kwam en het veld weer verwoestte. Het is vreemd, het lijkt wel tovenarij."

Nu was er nog een derde zoon - Juan del Dedo, Klein Duimpje - zo heette hij. Hij zei tegen zijn vader: "Koop alsjeblieft een schommelstoel, een boekje met naalden en een gitaar."

Juan gold als de slimste van de drie zoons. Hij was altijd vriendelijk tegen zijn vader en moeder. Daarom werd de vader niet boos over deze vragen en bezorgde hem de dingen waarom hij had gevraagd.

Hij stak de schommelstoel vol naalden, met de punten naar buiten. Zijn vader had ook een gitaar voor hem gekocht en een touw. Oh nee, dat touw was er al!

De jongen begon op de gitaar te spelen. Alleen om de tijd te doden.

Hij zat in de schommelstoel. Als hij zich bewoog, werd hij gestoken. En als hij zich in een andere richting bewoog, werd hij opnieuw gestoken. Met dit systeem bleef hij wakker. Na een poos kwam het paard. Nee, het stampte niet door het veld. Het kwam naderbij en sprak: "Zo, hoe gaat het er vandaag mee, Juan?"

"Ach, ben jij het, nietsnut van een paard. Door jou heeft mijn vader mijn twee broers uit het huis gejaagd. Nu ga ik je vangen."

"Afgesproken, Juan. Ik zal me laten vangen, maar alsjeblieft, doe me geen pijn. Dan zal ik je voor de tarwe die ik opgegeten heb, veel geld geven. Morgenvroeg, als je naar huis gaat, kun je een semita (een soort brood) voor je vader en moeder meenemen. Afgesproken?"

"Ja," antwoordde hij, "afgesproken."

Het paard gaf hem een kleine buidel met geld en de tarwe begon uit te lopen. De aren veranderden in brood. Dat nam Juan voor zijn ouders mee.

Dus werd hij door zijn vader en moeder geprezen. Hij zei echter dat hij zou vertrekken.

Het paard vroeg hem; "Wat ben je van plan?"

"Ik ga op zoek naar mijn broers."

"Van je broers heb je niet veel goeds te verwachten. Als je ooit iets nodig hebt, kun je me roepen. Ik zal je uit alle moeilijkheden redden, waarin je door je broers terechtkomt."

Tijd verging. Het duurde bijna een maand voor hij zijn beide broers vond. Maar eerst, moet men weten, had het paard hem nog wat geld, een toverdoek en een toverstaf geschonken.

De oudste broer zei tegen de tweede: "Kijk daar eens, daar komt Klein Duimpje. Ik wed dat de ouwe hem er ook uitgesmeten heeft. Als hij hier is, zal ik hem naar de bron sturen om water te halen. Ik ben dorstig."

De tweede broer zei: "Hombre, hoe kun je hem in de bron laten afdalen. Hij zal er zijn nek breken."

"Maakt niet uit."

In die dagen droeg men lappen stof om de heupen.

"We kunnen van onze kleren een lus maken."

"En waarin moet hij water scheppen?"

"Hij kan zijn hoed gebruiken," zei de oudste.

Toen Klein Duimpje naderbij kwam, zeiden ze: "Nou, wat heb jij beleefd? Hebben ze jou ook weggejaagd?"

"Ja," zei Juan. Hij vertelde hen niet alles. "Ze hebben me weggejaagd."

"Wij hebben dorst. Daal in de bron af en haal ons wat water."

"Dat kan ik niet. Hoe moet ik daar beneden komen?"

"We zullen een touw draaien uit de doeken die we om onze heupen dragen."

Dus maakten ze een dergelijk touw en lieten hem zakken.

Hij schepte water voor hen. Nadat zij gedronken hadden, was hij nog altijd beneden. Ze hakten het touw door.

Maar het paard was in de buurt. "Ik weet het niet," zei Klein Duimpje tegen zichzelf, "zal ik nu het paard roepen of toch niet." Hij dacht een poosje.

Ten slotte mompelde hij voor zich uit: "Klein paard met de zeven kleuren, als ik je zou kunnen zien, zou ik je roepen."

Het paard kwam meteen.

"Wat is er nou met jou gebeurd?" vroeg het.

"Nou, je ziet het. Het touw knapte toen ik hier onderin water aan het scheppen was."

"Dis me geen leugens op," zei het paard. "Het waren je broers die het touw doorgesneden hebben. Heb ik het je niet gezegd: van hen heb je niets goeds te verwachten. Maar ik zal je helpen," vervolgde het paard en hij liet zijn staart over de rand bungelen. "Houd je daaraan vast en sluit je ogen."

Dus hield hij zich vast en en hij kwam eruit.

Toen zei het paard: "Waar wil je nu naartoe?"

"Mijn broers achterna."

"Wat ben je toch koppig. Ik zeg je, ze zullen je naar verafgelegen huizen sturen waar je iets te eten voor ze moet halen. Ten slotte zullen ze een vuur aansteken en jou erin werpen. Ik moet je dan weer komen redden."

De beide ouderen keken gedurende vele dagen steeds achterom. En op een keer zei de ene tegen de andere; "Nou, kijk eens wie daar aankomt. Ik geloof dat die kleine zo dom nog niet is."

"God weet het," zei de andere, "het moet hem gelukt zijn uit de bron omhoog te klimmen. De arme domoor. Hij wil met ons meereizen en jij hebt niets dan kwaad met hem voor."

"Ja, inderdaad," zei de oudste, "ik heb een paar huizen gezien. Heel ver van hier, in een donker bos. Zo gauw hij hier is, zal ik hem vragen naar die huizen te lopen en ons wat te eten te halen!"

"Zo ver weg!"

"Wil jij misschien gaan?" zei de oudste.

Toen zei de tweede niets meer. Juan kwam nader en nader en toen hij aangekomen was, zei zijn broer: "Zie je die huizen daarginds, kleine? Daar ga je nu heen en je brengt ons wat te eten."

Juan liep een stuk. Hij kwam in een bos. Hij bleef daar een poos. Hij bleef er zo lang dat er genoeg tijd verstreken was om de anderen te doen geloven dat hij heen- en teruggelopen was. Toen haalde hij zijn toverstaf te voorschijn en sprak: "Toverstaf: bij de macht die jij hebt en bij de kracht, die God je gegeven heeft, bezorg me een overvloedige maaltijd."

Meteen was daar rijst, bonen, koffie en torilla's. Alles wat men zich had kunnen wensen. Maar hij bleef nog wat langer in het bos en werkte, tot hij begon te zweten, zodat zij zouden denken dat hij de hele weg had gerend. Hij vertelde hun niets van de doek en de toverstaf. Het was de doek die de magische krachten bezat. De staf was voor iets anders bedoeld.

Hij kwam terug, helemaal bezweet en hijgend. "Kijk," zei hij, "wat ik jullie breng."

"Arme Juan," zei de tweede broer, "zoals jij zweet."

"Wat maakt dat nou uit," zei de oudste, "dat hoort toch zo als je de jongste bent."

Ze zetten zich alle drie neer en aten. Toen ze klaar waren, ruimden ze alles op.

Vervolgens sprak de oudste tegen Juan: "Zo, sta op en ga hout verzamelen."

"Waar heb je hout voor nodig?"

"Doe wat ik je opgedragen heb."

Toen het hout op de grond lag, werd er een vuur aangestoken. Toen het goed brandde, namen de beide ouderen de kleine en wierpen hem in de vlammen.

"Daarvoor hadden we het hout nodig!" riep de oudste honend en hij en zijn broer liepen weg. Meteen was het paard ter plekke. Juan had niet eens hoeven roepen. Het kwam en haalde hem uit de vlammen.

"Heb ik je niet gezegd dat je broers je niet goed gezind zijn. Wat ga je nu doen?"

"Ik ga ze achterna."

"Waarom ben je zo eigenwijs? Bedenk toch wat je allemaal al met hen hebt doorgemaakt."

"Men moet de hoop nooit opgeven dat mensen zich kunnen beteren."

Het paard schudde alleen nog maar het hoofd.

Na veel dagen haalde Juan zijn beide broers nogmaals in. De oudste zei: "Je houdt het niet voor mogelijk. Die kleine is nog steeds in leven. Ik zeg je, daar zit een luchtje aan."

"Ach wat," zei de tweede broer.

De kleine stelde hun voor, naar het paleis van de koning te gaan en zich daar in de buurt in te kwartieren. De beide anderen waren het daarmee eens en gedrieën trokken ze verder.

Ze kwamen bij het huis van een oude vrouw.

"Hoe gaat het, grootmoeder?"

"Ach kinderen, waar komen jullie vandaan?"

"Van ver. Kunnen wij hier een poosje blijven?"

"Ja, natuurlijk," zei zij.

"En we geven je deze kleine cadeau."

Naar leeftijd was hij een jonge man, maar qua uiterlijk was hij maar net zo groot als een vinger.

"Hé," zei de oudste, "we geven je dit knaapje. Wil je hem hebben?"

"Ja natuurlijk. Hij kan bij mij water halen en hout dragen."

"Wat is er voor nieuws hier, grootmoeder? Kan men hier werk vinden?" - "De enige bij wie men werk kan vinden, is de koning. En over nieuws gesproken: er is daar een platform, waarop een prinses zit. Wie haar borst met een gouden appel kan raken, mag met haar trouwen."

"Maakt het niet uit, wie het is, grootmoeder?"

"Nee," zei ze, "het maakt niet uit wie hij is en waar hij vandaan komt."

Het werd donker en de beide oudsten gingen de deur uit.

"Jij blijft hier," zei de oudste broer tegen Juan del Dedo.

's Avonds tussen tien en elf kwamen de broers terug.

"Nou, wat hebben jullie meegemaakt?" vroeg de oude vrouw.

"We hebben het ons eens aangezien," zei de oudste. "Er zijn daar een heleboel mannen die glanzende appels naar de prinses werpen. Maar geraakt heeft haar nog geeneen. We hebben ook een mooi paard gezien."

De volgende dag moest de jongste water halen en hout dragen.

's Avonds gingen de beide oudere broers weer de stad in.

"Laat mij ook gaan," vroeg de kleine aan de oude vrouw, toen de broers weg waren.

"Je weet, wat ze gezegd hebben, kind. Ik mag je niet laten gaan. Wat gebeurt er als ze je zien?"

"Niemand zal me zien, grootmoeder. Ik meng me niet onder de mensen."

"Nou goed dan, ga maar. Maar kom op tijd terug, zodat je broers er niets van merken."

Juan ging. Hij zag zijn broers maar zij zagen hem niet.

Plotseling stond het paard voor Juan. "Nou wat denk je? Wil je de prinses tot vrouw?"

"Ja natuurlijk, maar hoe moet ik dat aanpakken?" zei hij. Er stonden namelijk vier politiemensen rondom de prinses die degene die haar werkelijk zou raken, meteen konden aanhouden.

Het paard zei: "Geen angst. Jou zal niemand aanhouden en oppakken. Klim op mijn rug. Buig je over mijn hals en draai aan het kleine haakje naast mijn oor. Dan vliegen we over de menigte en de politiemannen heen."

"Goed," zei Juan.

Toen, voor hij terug naar huis ging, vroeg hij de doek om geschenken voor de oude vrouw... vruchten en zoetigheden. Alles wat men een vrouw zoal meebrengt. De oude vrouw was verbijsterd.

"Waar heb je dat vandaan?" vroeg ze, "wie heeft je dat gegeven?"

"Ach grootmoeder. Je had moeten zien met hoeveel mensen ik vriendschap gesloten heb. Ze hebben me allemaal iets gegeven. Meer dan ik kon eten. Toen zei ik: 'Goed, ik neem het mee naar huis en geef het aan mijn grootmoeder.'"

"Wat aardig van je, kind. Maar ga nu naar bed voor je broers thuiskomen."

Hij kroop in bed. De broers kwamen. Ze zeiden tegen de oude vrouw: "U gelooft niet wat voor een prachtig paard wij vandaag hebben gezien. En stelt u zich voor, plotseling slingerde zich een jongen op de rug van dit paard met de zeven verschillende kleuren. Hij had drie glanzende appels bij zich. Hij trof de prinses driemaal. Noch de politie noch iemand anders kon verhinderen dat hij op het paard verdween."

Juan was weer opgestaan. Hij betrad de kamer.

"Misschien ben ik dat geweest?" zei hij en hij glimlachte.

En - bang! Daar had hij een oorvijg te pakken. Zo rolde hij huilend in zijn bed en sliep in.

De volgende morgen riep de oude vrouw hem op het matje.

"Hoe kon je je nou op zo'n daad beroemen!"

De broers bleven de hele dag thuis. Maar toen het donker was geworden, gingen ze opnieuw naar het plein.

Na een poosje ging Juan ook. En het paard kwam. "Wat zeg je ervan, Juan?"

"Hombre, de prinses is een erg mooi meisje. En ze zal met een ieder trouwen die de opdracht vervult," zei hij.

Nu, hij had de toverdoek om een mooi pak en een das gevraagd. En om veel andere dingen. Om gouden appels en een verguld zadel. Om een hoed. Zijn broers herkenden hem niet. Hij naderde het platform. Hij wierp de appels en trof. Natuurlijk alleen omdat het veelkleurige paard hem hielp. Ditmaal liet het paard toe dat men het ving.

Het zei: "Vangen mogen ze mij. Maar let erop dat ze mij niet in een stal of iets dergelijks opsluiten. Zeg hun dat jij voor het paard zult zorgen, dat het zich door niemand anders laat aanraken. Ik ga nu weg. Denk eraan dat ik niet ver weg ben."

De beide oudere broers kwamen thuis. Ze dachten dat Juan in bed lag. Ze controleerden dit niet omdat ze gewoonweg niet verwachtten dat hij zou kunnen zijn opgestaan.

"Hoe was het?" vroeg de oude vrouw.

"Tja, grootmoeder: vandaag heeft de jongen zich dan laten vangen. Ze wisten niet hoe hij heette."

De volgende dag was Juan verdwenen.

De oude vrouw huilde. Ze was van hem gaan houden.

De beide broers kon het niet veel schelen. Ze konden Juan nergens vinden. Ze gingen naar het paleis. Daar was hij ook niet.

Pas veel later, na meerdere weken, zelfs na bijna een maand, vertoonde hij zich met de prinses op het balkon. De hele tijd tot op dat moment hadden ze hun kamer niet verlaten en elkaar bemind; voor niets anders hadden ze tijd gehad.

Nu toonden ze zich aan volk en de beide broers, die in de menigte stonden, zagen hen ook. "Kijk dat eens aan," zei de oudste... ons kleine broertje zoekt het hogerop. Daar moet voor ons toch ook wat te halen zijn. In de toekomst wordt hij koning. Daar moeten we toch een stokje voor steken." - "Ach wat, laat hem met rust," zei de tweede, "je bent niet tegen hem opgewassen."

"Wat moet dat betekenen?" zei de oudste boos, "dat zullen we nog wel eens zien."

De volgende dag gingen ze naar hun broer. De oudste zou het woord doen.

Hij klopte aan de deur van het paleis. De koning kwam naar buiten en vroeg: "Hoe kan ik jullie van dienst zijn?"

"Majesteit, ik ben gekomen omdat uw schoonzoon mij verzekerd heeft dat hij u de hondjes terug zou kunnen bezorgen waarmee u als kind gespeeld heeft."

"Is dat zo? Ja, dat moet ik mijn schoonzoon toch eerst zelf vragen."

Dus liet hij hem komen en vroeg hem of dat klopte. "Ik heb nooit iets dergelijks beloofd," antwoordde deze hem.

"Potverdrie," riep de koning, "ik geef je drie dagen de tijd en als het je niet lukt mij binnen deze termijn de hondjes te bezorgen dan heb je je leven verspeeld."

Ja, zo was het. Juan maakte zich zorgen. En de prinses liep in de kamer op en neer. Juan wist niet wat hij moest doen, want drie dagen is een korte tijd. Hij dacht dat het paard het moe moest zijn om hem te helpen. Maar hij ging toch naar de stallen en plotseling kwam het paard aangedraafd.

"Wat is er aan de hand, Juan? Waarom ben je zo treurig?"

"Stel je voor, wat mijn broers nu weer bedacht hebben!"

"Wat heb ik je gezegd? Maar je wilde niet luisteren," zei het paard. "Kom nu. Maak je geen zorgen. We zullen naar de kust gaan. Neem je gitaar en een groot rond brood mee. Ga aan de oever zitten. Een walvis zal verschijnen en in de buik van de walvis bevindt zich een kist met de hondjes van de koning."

Zo vertrokken ze. Het paard verstopte zich. De walvis kwam aangezwommen. Juan begon te spelen. Hij zong en wierp stukken brood naar de walvis. De walvis kwam nader en nader. Juan werd bang.

Het paard fluisterde: "Als ik uit mijn schuilplaats kom, zal dat de walvis aan het schrikken maken."

De walvis kwam nu heel dichtbij. Toen fluisterde het paard de jongen toe dat hij de walvis nu de buik moest opensnijden. Later zou hij hem met zand kunnen vullen, dichtnaaien en weer in zee werpen. De jongen deed wat hem gezegd werd en vond de hondjes.

"Heel goed," zei het paard, "we gaan ze naar de koning brengen. Maar bereid je vast voor: de problemen zijn hiermee nog niet voorbij."

De koning was heel gelukkig. Maar na een maand, misschien was het iets langer, klopten Juan's oudere broers weer bij de koning aan. De oudste zei: "Majesteit, uw schoonzoon heeft beweerd dat hij de groene vogel kan vangen die vlak bij de zee leeft." Opnieuw liet de koning Juan halen en opnieuw zei deze dat hij nooit iets dergelijks had beweerd. Maar wat hielp het. De koning zei toch: "Je hebt drie dagen de tijd, anders...!"

Daar kwam het paard al aan. De jongen vertelde hem wat er gebeurd was.

"Ik weet alles," zei het paard, "daarom kom ik nu ook langs. Laten we gaan."

Toen ze aan de kust kwamen, zei het paard: "Daarginds leven een neger en een reus. Als de neger zijn ogen dicht heeft, slaapt hij. Bij de reus is het net omgekeerd. Hij slaapt met open ogen. Er zijn daarginds kooitjes in alle kleuren. Je moet de vogel halen met het slordigste verenpak. Hij zit in de oudste kooi."

Nu, er waren kooien van puur goud. Goede hemel, wat waren die mooi. Maar de jongen zei tegen zichzelf: "Ik kan beter doen wat het paard me aangeraden heeft." Dus nam hij de onooglijkste kooi.

"Welke heb je meegebracht?" vroeg het paard toen hij terugkwam.

"De oudste. Er waren enkele andere die er heel verleidelijk uitzagen."

"Ik was al bang dat je een van die kooien zou nemen. Dat zou slecht voor mij hebben uitgepakt."

En het paard veranderde plotseling in een prins, die zei: "Nou Juan, als je het al niet over je hart kunt verkrijgen je oudere broers te bestraffen, moet je minstens de koning uitleggen hoe zij steeds geprobeerd hebben je te gronde te richten."

"Dat wil ik liever niet."

"Je moet. Want het was de laatste keer dat ik iets voor je doen kon. Nu werkt de tovenarij nog, maar spoedig zal ik een mens zijn zoals alle andere. Dan kan ik niets meer voor je doen."

Toen bezon de jongen zich en vroeg: "Maar wat zal ik tegen de koning zeggen?"

"Vertel hem alles wat je broers je aangedaan hebben. Er zal niets anders opzitten."

Dus gehoorzaamde Juan. De koning riep de beide andere broers bij zich. Die beweerden dat ze nooit iets dergelijks hadden gedaan. Maar de koning stond erop alles precies te weten. Ontkennen was zinloos. En toen beval hij: "Sluit ze op in een huis en stop de kelder vol met kruit. Dan moet men het huis in de lucht laten springen."

Later was Juan treurig. Het leek alsof hij gehuild had.

Toen het huis was ontploft, vroeg hij de koning of hij de beenderen van zijn broers bij elkaar mocht zoeken. De koning vroeg hem waarom hij nooit verteld had dat zijn broers hem naar het leven stonden.

De prins die ooit een paard was geweest en nu weer mens geworden was, leek zeer tevreden. Hij vertelde de jongen dat deze zijn vader en moeder niet moest vergeten. Ze namen wapens en proviand mee want het was ver weg.

De prins, die een paard was geweest, Juan en de prinses met wie hij getrouwd was, gingen op weg.

Ze troffen de ouders van de jongens nog levend en wel aan, maar ze waren nu wel heel oud. De oude mensen vroegen naar hun beide andere zonen maar daarop antwoordden ze alleen: "We weten niet wat er met hen gebeurd is."

De prins had Juan aangeraden zijn ouders niet te vertellen wat er met de beide oudere broers was gebeurd. Dus zei de jongste gewoon: "Ik kan jullie daarover niets vertellen. Ik ben de ene weg ingeslagen en zij de andere."

En dat was niet eens een leugen als men het goed bekijkt.

Ze probeerden de ouders naar het andere land mee te nemen, maar die wilden dat niet. Dus bouwden ze voor hen een nieuw huis, bijna een paleis. De oude mensen smeekten hen te blijven.

"Nee," zei Juan, "langer kunnen we nu niet bij jullie blijven. De ouders van de prinses wonen in het andere land en zij mist hen."

En dat is alles wat er te vertellen valt.


*   *   *

Het paard met de zeven kleuren Samenvatting
Een sprookje van de Mexicaanse indianen. Een paard vernielt steeds het tarweveld van een man met drie zonen. De jongste zoon wordt vrienden met het bijzondere dier. De jongen wordt geholpen in al zijn avonturen door het paard met de zeven kleuren. Lees het verhaal

Toelichting
Opgetekend door Joel Gomez in La Encantada, Texas, april 1968.

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Mexicaanse indianensprookjes" samengesteld door Frederik Hetmann. Elmar, Rijswijk, 1994. ISBN: 90-389-02689

Herkomst: Mexico
Verteltijd: ca. 32 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook