Volksverhalen Almanak

Het sluitkettinkje Een sprookje over een betoverde prins in een onderaards paleis

Er was eens een moeder, die drie dochters had en om de grote nood, die vaste voet in haar huis gezet had - een waar riool, waar alle ongelukken op uitstroomden - stuurde zij hen voor het levensonderhoud uit bedelen.

Op een morgen, toen zij wat koolbladeren bijeengegaard had, die de kok van een paleis weggeworpen had, vroeg de moeder, toen zij ze wilde koken, om de beurt aan haar dochters, wat water uit de bron te willen putten. Doch de een schoof het op de ander en geen had er zin in, zodat de ongelukkige moeder tenslotte zei: "Zo gaat het nu: ik mag bevelen, zoveel ik wil, maar ik moet het toch zelf doen!" En zij nam de kruik en wilde zelf het karweitje opknappen, ofschoon zij door haar hoge ouderdom amper haar benen kon verzetten.

Toen zei Luciella, die de jongste was: "Geef maar hier, moeder, want al ben ik niet sterk genoeg, ik wil je de moeite toch besparen!" En zij nam de kruik en ging buiten de stad, waar een bron was; welke de bloemen water in het gezicht sprenkelde, toen ze zag, dat deze van angst voor de nacht flauwgevallen waren. Bij de bron vond zij een slaaf met een wonderschoon uiterlijk, die tegen haar sprak: "Schone jonkvrouw, als u met mij mee wilt gaan naar een grot, die niet ver van hier is, zal ik u een massa mooie dingen geven!"

Luciella, die altijd al tevergeefs naar wat vriendelijkheid verlangd had, antwoordde: "Laat me dit water even naar mijn moeder brengen, die er op zit te wachten, en dan kom ik dadelijk terug!"

Zij bracht dus de kruik naar huis en daarna keerde zij terug naar de bron, onder voorwendsel, wat sprokkelhout te gaan zoeken. Hier had de slaaf op haar gewacht en zij volgde hem en werd geleid dwars door een mergelgrot, waar overal Venushaar en klimop langs de wanden hing, naar een prachtig onderaards paleis, dat schitterde van goud. En dadelijk werd haar een rijk voorziene dis voorgezet en ondertussen kwamen twee kranige kamermeisjes, die vlug haar armelijke lompen uittrokken en haar piekfijn aankleedden. En 's avonds legden zij haar in een bed, waar parelen en goud op gestikt zaten.

Toen de kaarsen gedoofd waren, naderde iemand het bed en legde zich naast haar. En dit gebeurde zo meerdere dagen; en eindelijk kreeg het meisje groot verlangen, haar moeder terug te zien en zei het tegen de slaaf.

Deze ging een kamer binnen en fluisterde met iemand, en toen hij weer tevoorschijn kwam, stelde hij haar een dikke beurs vol goudstukken ter hand, om deze aan haar moeder te geven en hij drukte haar op het hart, zich onderweg niet op te houden, maar gauw terug te komen, zonder aan iemand te zeggen, waar zij vandaan kwam en waar zij geweest was. Het meisje ging naar haar huis en toen haar zusters zagen, dat zij zulke mooie kleren droeg en er zo goed uitzag, barstten ze haast van jaloezie.

Daarna wilden de moeder en zusters haar wegbrengen, doch zij weigerde hun gezelschap en door dezelfde grot keerde zij naar het paleis terug. En zij bleef daar de volgende maanden rustig, tot zij weer hetzelfde hevige verlangen kreeg, en met dezelfde gift en dezelfde raad lieten ze haar weggaan om haar moeder te bezoeken.

Dit herhaalde zich drie à vier keer, wat steeds meer de afgunst van de zusters aanwakkerde en die lelijke feeksen speurden en vroegen zolang, tot zij door middel van een boze fee te weten kwamen, hoe het zaakje in elkaar zat.

En toen Luciella terugkwam voor haar gebruikelijk bezoek, zeiden ze tegen haar: "Jij hebt ons wel buiten je pretjes willen houden, maar je moet weten, dat wij van alles op de hoogte zijn en dat je iedere dag een verdovend middel krijgt en je dan niet kunt merken, dat een wonderschone jongeman met je slaapt. Maar je zult daar nooit vreugde aan beleven, als je niet de raad opvolgt van wie je goed gezind is. Per slot ben jij onze zuster en wensen wij wat nuttig en aangenaam voor je is. Dus, wanneer jij je ter ruste begeeft en de slaaf komt met het glas wijn, zeg jij dan, dat hij je een servet geeft om je mond af te vegen en schenk handig de wijn uit het glas; en op die manier zul je 's nachts wakker blijven. En als je dan hoort, dat je man ingeslapen is, doe dan dit sluitkettinkje open en dan zal zijns ondanks de toverkracht moeten ophouden en zul jij de gelukkigste vrouw ter wereld worden!"

De arme Luciella, die niet wist, dat er onder dit fluweelzachte zadel een schaafwond zat, dat deze bloemen een slang verborgen en in dit gouden kopje vergif was, geloofde, wat haar zusters zeiden. En teruggekeerd naar de grot, volbracht zij punt voor punt, wat die kwade meiden haar aangeraden hadden. En toen alles in het paleis stil was, stak zij met het vuurslag een kaars aan en zag zich naast een bloem van schoonheid, een jongeling, louter lelies en rozen.

Bij het zien van zo'n schoon personage zei ze bij zichzelf: "Op mijn woord, die moet me niet meer uit de handen glippen!" En zij nam het sluitkettinkje en deed het open. En voor haar blikken ging een troep vrouwen voorbij, die op het hoofd een flinke voorraad garen droegen, en een er van verloor een kluwen; en toen vergat Luciella - die heel gevoelig en medelijdend was - de plaats waar zij was en riep: "Juffrouw, raap dat garen op!"

Van deze kreet werd de jongeman wakker en hij was zo ontstemd, door Luciella ontdekt te zijn, dat hij op staande voet de slaaf ontbood en haar weer in de lompen van eerst liet hullen en haar wegstuurde. En thuis vond de arme drommel een slecht onthaal bij haar zusters, want toen zij daar terug kwam met de kleur van wie pas uit het ziekenhuis komt, werd zij door die met boze woorden en nog erger daden weggejaagd.

Zij was dus nu genoodzaakt, bedelend de wereld in te trekken, tot de ongelukkige, die in blijde verwachting was, na veel kommer de stad Torrelunga bereikte. Daar begaf zij zich naar het koninklijk paleis en vroeg een plekje met wat stro om te kunnen rusten. En een hofdame, die een goed hart had, nam haar op. En toen het uur van de bevalling kwam, gaf zij het levenslicht aan een jongetje zo mooi, dat het een gouden twijgje leek.

De eerste nacht na de geboorte, terwijl allen sliepen, kwam een schone jongeling die kamer binnen en sprak:
"O, schone zoon
Als dat mijn moeder wist!
Zij zou je in een gouden bekken wassen,
zij zou je in gouden windselen wikkelen.
Als de haan zou ophouden te kraaien,
zou ik altijd naast je blijven!"
En bij het eerste hanengekraai verdween hij als kwikzilver zo vlug.

De hofdame werd dit gewaar en bemerkte, dat iedere nacht dezelfde jongeman datzelfde deuntje kwam zingen; en daarom wilde zij er de koningin van op de hoogte stellen. En deze liet, zo gauw de zon als dokter alle sterren uit het hospitaal van de hemel ontslagen had, een buitengewoon streng bevel bekend maken, dat men alle hanen in de stad moest doden, waardoor ineens alle kippen tot ontroostbare weduwen gemaakt zouden worden.

En toen die avond de jongeman terugkwam, herkende de koningin, die op de loer lag, hem als haar zoon en omarmde hem stijf.

En omdat de vervloeking, welke een heks hem naar het hoofd geslingerd had, luidde, dat hij steeds zou moeten rondzwerven, ver van zijn huis, tot zijn moeder hem zou omarmen en de haan niet meer kraaide, verviel dadelijk, toen hij in de armen van zijn moeder lag, de toverkracht en kwam aan die nare invloed een einde.

Zo bemerkte de moeder, dat zij er een kleinzoon bij gekregen had, die een juweel was. En Luciella een man, die een sprookjesprins was. En de zusters, tot wie het bericht van haar verheffing doordrong, kwamen haar met een gezicht van Spaanse peper opzoeken.

Doch zij werden met gelijke munt betaald; zij kregen hun verdiende loon en leerden tot hun grote woede, dat buikpijn het gevolg van jaloezie is.


*   *   *

Het sluitkettinkje Samenvatting
Een sprookje over een betoverde prins in een onderaards paleis. De jongste van drie arme zussen, komt in een onderaards paleis terecht, alwaar ze elke nacht met een mooie jongeman slaapt. Het blijkt een betoverde prins te zijn van wie ze zwanger raakt. Als ze zijn geheim ontdekt wordt ze verstoten, maar als het kindje geboren is, wordt elke nacht het wiegje bezocht door een jongeman die een liedje zingt: het blijkt de vader te zijn, de betoverde prins. Lees het verhaal

Toelichting
Uit de Pentamerone (Lo cunto de li cunti overo lo trattenemiento de peccerille - Het sprookje der sprookjes, of Vermaak voor de kleinen) van Giambattista Basile (Tweede dag, negende sprookje).

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Oorspronkelijke titel
  • Catenaccio

Bron
"Italiaansche volkssprookjes" bewerkt naar de Pentamerone van G. Basile door Rien Valkhoff, illustraties van Frans Lammers. Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V., Utrecht, 1948.

Herkomst: Italië
Verteltijd: ca. 12 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook