Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 25 min.
Herkomst:

Het spook van de monnik

"Namoe Amida Boetsoe! Namoe Amida Boetsoe!" (Ik aanbid U, eeuwige Boeddha) mompelde onophoudelijk een monnik die in een eenvoudige herberg vlak bij de stad Nagoya zat. Hij was klein en had een gebogen gestalte. Zijn hoofd was kaal geschoren, zoals bij alle Boeddhistische monniken. Zijn gezicht was gebruind en mager en er straalde een grote goedheid en eenvoud van af.

Niet ver van hem vandaan zat een ronin, een dolende ridder zonder meester, zoals er in die tijd zovele in Japan waren. Hij leek wel de tegenstelling van de monnik. Hij was groot en krachtig gebouwd, had een uitdagende blik, en aan alles kon men merken dat vechten zijn lust en zijn leven was. In plaats van geduldig zijn beurt af te wachten, zoals de monnik, trommelde hij nerveus met zijn vingers op het tafelblad. Toen de bediende langs kwam, zei de monnik vriendelijk: "Helpt u die ridder maar eerst. Hij schijnt meer haast te hebben dan ik."

"Nee alsjeblieft niet!" kwam de ronin er tussen. "Een heilig man gaat voor een rondzwervende krijger."

Zo boden zij een tijdje in beleefdheid tegen elkaar op, stonden toen na elkaar op om een buiging te maken en stelden zich aan elkaar voor. "Ik heet Tajima Shume," maakte de ronin bekend.

"En mijn naam is Isahaya Ime," liet de monnik volgen.

Er ontstond een geanimeerd gesprek en in de loop daarvan bemerkten zij dat zij beiden hetzelfde reisdoel hadden: Kyoto. Waarom - nu zij het zo goed met elkaar konden vinden - de tocht niet gezamenlijk voortgezet? "Een uitstekend idee!" vond de monnik.

"Van een heilige kan men altijd veel leren," zei de ronin.

Na de maaltijd, die bestond uit rijst, bamboespruiten en lotuswortelen, begaven zij zich op weg. Zij werden niet gehinderd door veel bagage. De enige rijkdom van Tajima bestond uit twee samoeraizwaarden, terwijl Isahaya alleen een pakje bij zich droeg dat gewikkeld was in een blauwe dichtgeknoopte doek.

En wat was er allemaal niet te zien langs de Tokaido, de beroemde oostelijke weg langs de zee die naar Kyoto voerde! Talloze monniken, maar ook veel krijgers en handelslieden die koopwaar met zich meedroegen, groepen pelgrims die de beroemde tempels gingen bezoeken, ook bedelmonniken die hun hoofd in een rieten mand verborgen, om niet herkend te worden, en kunstenmakers en acrobaten die langs deze drukke weg hoopten een centje te verdienen. Ook 's nachts zag men daar reizigers bij volle maan voorbij trekken. Om de tijd te korten vertelde Tajima over de daimyo's die hij vroeger had gediend, over de bloedige strijd tussen daimyo's onderling en hun samoerai en over het wisselvallig en moeilijk leven dat hij nu als ronin leidde. Isahaya, op zijn beurt, trachtte zijn metgezel de beginselen van de Boeddhistische leer bij te brengen, er hem op wijzend dat het leven van een ronin allerminst overeenkwam met de leer van de Verlichte. Hij haalde daarbij de spreuk van zijn Meester aan: "Wanneer haat met haat wordt beantwoord, hoe moet de haat dan eindigen?"

Na enkele dagen waren die twee - ondanks hun tegengestelde opvattingen - dikke vrienden geworden. Isahaya voelde nu wel dat hij geen geheim meer voor zijn kameraad kon verbergen.

"Raad eens wat er in dat pakje van mij zit?" vroeg hij op een gegeven moment.

"Ik zou het niet weten," moest Tajima bekennen. "Is het iets kostbaars?"

"Ja, zeker, iets heel kostbaars."

"Misschien een heilig boek met boeddhistische parabels?"

"Mis!" zei de monnik.

"In dat doekje zit tweehonderd gram zilver."

De ronin barstte in een schaterlach uit. "Je houdt me voorde gek," zei hij, terwijl hij nog moeite had om bij te komen. "Wanneer je zo'n grote som zou bezitten, zou je niet langs de weg hoeven te bedelen, je zou in een mooie mantel rondlopen en niet in zo'n versleten en gerafelde pij. Bovendien zou je mij dan wel eens op een goede maaltijd getrakteerd hebben. Nee, nu maak je het wel een beetje al te bont!"

De monnik bleef ernstig en zei: "Ik zou je het zilver kunnen laten zien, wanneer je het niet gelooft, maar het is niet voor mij bestemd. Op een dag ben ik van Omori naar de tempel van Ikegami gegaan. Misschien is deze streek je bekend en dan weet je wel dat het een van de mooiste oorden in Japan is. Toen ik de tempel betrad, weerklonk een zware gongslag om de gelovigen tot gebed en meditatie op te roepen. Opeens kreeg ik zo'n geluksgevoel en voelde ik mijn hart overlopen van dankbaarheid voor onze Meester, en ik besloot mijn verdere leven te wijden aan het inzamelen van geld om ter ere van hem een prachtig bronzen standbeeld op te laten richten. Ik heb nu al jaren door heel Japan gezworven om het benodigde geld bij elkaar te krijgen. Ik ga nu naar Kyoto om er een bronsgieter te vinden die mijn droom kan verwezenlijken.

Boeddha zal met gekruiste benen op een lotusbloem zitten. Met zijn uitgestrekte rechterhand zal hij de wereld zegenen, zijn linker zal op zijn schoot rusten. Op zijn voorhoofd draagt hij het teken van Wijsheid en om zijn mond zal een glimlach van verheven geluk spelen."

De ogen van de monnik twinkelden van plezier, als zag hij het beeld al voor zich.

"Je begrijpt zeker wel, waarom ik zo voorzichtig met dat pakje ben," ging hij voort, "maar met zo'n dappere krijger als jij bent, heb ik niets te vrezen."

Als antwoord maakte Tajima een beleefde buiging, maar zijn hart werd onrustig en in zijn hoofd wisselden kwade gedachten elkaar af.

"Wel allemachtig!" dacht hij. "Ik heb mij mijn hele leven uitgesloofd om mijn meesters te dienen. Ik mag mij toch zeker wel een van de dapperste en meest getrouwe samoerai noemen en toch heb ik gedurende heel mijn zwervend bestaan nog niet het tiende deel bij elkaar kunnen sparen van wat die monnik daar bij zich draagt. Is er dan geen rechtvaardigheid in deze wereld? Moet ik, wanneer ik oud ben en niet meer in staat om het zwaard te hanteren, van armoede en ellende omkomen? Dat is toch al te gek!"

De jaloezie begon zo aan hem te knagen, dat hij aan niets anders meer kon denken. Hij hoopte maar dat de monnik zijn rijkdom zou verliezen en hij het zich zou kunnen toe-eigenen. Op het laatst draaide hij de zaak zo om, dat hij vond dat hij eigenlijk het meeste recht op het geld had. Vanaf dat moment dacht hij er alleen nog maar aan op welke manier hij zich van de monnik kon ontdoen, zonder dat iemand het zou merken.

Die beste, brave Isahaya vermoedde niet in het minst wat er in Tajima omging en hij beschouwde hem nog steeds als zijn beste vriend.

Na een tijd bereikte het tweetal Koeana. De weg wordt hier doorkruist door een zeearm die men alleen per boot kan oversteken. Er stonden al een dertigtal reizigers te wachten om overgezet te worden.

Tajima en Isahaya vonden een plaats op het achterdek, waar verder niemand stond. De monnik legde het kostbare pakje naast zich neer en tuurde naar de overkant.

"Kijk eens wat een prachtige vis!" riep Tajima plotseling en de monnik boog zich nieuwsgierig voorover. Tajima gaf hem een flinke duw, waardoor Isahaya zijn evenwicht verloor en met een angstkreet in het water plonsde.

De ronin wachtte even en riep toen uit alle macht: "Help! Help! Mijn vriend is in het water gevallen!"

Men probeerde de boot te keren, maar er stond te veel wind en men kon de drenkeling niet meer vinden.

Tajima liet zijn tranen de vrije loop en jammerde zo over het verlies van zijn enige vriend dat de omstanders medelijden met hem kregen. Toen de veerboot had aangelegd, spoedde Tajima Shume zich naar het eerste het beste hotel om te kijken wat het pakje bevatte. Hij opende met trillende handen de blauwe doek en zag dat de monnik hem niet had bedrogen. Er zat zeker tweehonderd gram zilver in het pakje... Tajima begaf zich welgemoed naar Kyoto en besloot daar van naam en beroep te veranderen. Hij noemde zich voortaan Tokoebei, groothandelaar in rijst. Hij liep in de duurste stoffen rond en had zijn twee zwaarden zorgvuldig in een kist geborgen, zodat niemand ze te zien kreeg. Hij stortte zich met ijver en ambitie in het zakenleven en het ging hem steeds meer voor de wind. Tenslotte trouwde hij en kreeg kinderen.

Kortom met alles wat hij ondernam had hij succes.

Maar toch... Af en toe beslopen hem minder prettige gedachten. Had hij zijn hele fortuin niet aan een misdaad te danken? Zou hij hier later niet voor moeten boeten? Om die nare gedachten van zich af te zetten, wierp hij zich dan weer vol hartstocht op zijn werk.

Er waren drie jaar verlopen sinds hij zich in Kyoto had gevestigd. Hij besloot het voortaan wat kalmer aan te doen. Hij kocht een schitterende villa, omgeven door een prachtig park waarin het een lust was te wandelen.

Op de dag dat hij zich in de nieuwe woning installeerde, zag hij in gedachten weer de monnik voor hem staan, vlak voordat deze door hem in het water werd geduwd. Hij dacht aan die avond in de herberg toen zij elkaar voor het eerst hadden ontmoet, aan de vrome verhalen die Isahaya hem had verteld. Die herinneringen grepen hem dikwijls nog meer aan dan de wroeging om zijn daad. 's Avonds wandelde hij wat in zijn tuin die in het heldere maanlicht baadde. Plotseling merkte hij dat zich een menselijke vorm uit een van de pijnbomen losmaakte. De gestalte nam steeds duidelijker vormen aan. Holle ogen in een asgrauw gelaat staarden hem aan, en toen Tajima goed keek, merkte hij tot zijn schrik dat het het spook van de monnik was. De geest kwam steeds dichter en dichter bij, terwijl Tajima - laten wij hem verder maar Tokoebei noemen - als aan de grond genageld bleef staan. Ieder ander zou van schrik zijn flauwgevallen, maar in Tokoebei's aderen stroomde nog steeds samoeraibloed, en het eerst wat hij deed was dan ook een zwaard te voorschijn halen. Daarmee begon hij op het spook in te hakken en met succes want de geest loste zich op als een nevel in het zonlicht. Maar nadat hij zich hersteld had, kwam hij weer terug en achtervolgde Tokoebei. Deze sloeg hem zijn hoofd af, maar de geest raapte het weer op en zette het weer op zijn plaats. Hij hakte een arm van het spook af en vervolgens een been. Zij werden met hetzelfde gemak weer aan het spokenlichaam gezet. Op die manier ging het gevecht de hele nacht door en pas tegen de morgen verdween het spook.

Vanaf die dag kwam het spook elke avond terug en bond Tokoebei de strijd met hem aan, tot hij uitgeput moest vluchten.

De gewezen ronin moest elke dag opnieuw weer denken aan de vreselijke nacht die hem te wachten stond.

Hij besloot 's avonds niet meer uit te gaan en zich in zijn kamer op te sluiten. Vergeefs! Diezelfde avond gleed de geest van de monnik door de muur naar binnen en kwelde zijn oude vriend de gehele nacht. Men hoorde Tokoebei kermen:

"Genade! Genade! De monnik, de monnik! Daar is hij weer! Hij wil de misdaad wreken! Ik kan mijn straf niet ontlopen! Genaaaade!"

De vrouw van Tokoebei wist niet wat zij er van denken moest. Zij raadpleegde de beste artsen van de stad, maar ook zij konden alleen maar hun wenkbrauwen fronsen en kalmerende middelen voorschrijven, die echter geen steek hielpen.

De handelaar in rijst werd in Kyoto het gesprek van de dag, en iedereen had met hem te doen, omdat hij bekend stond als een vrijgevig en goedaardig mens die nog nooit iemand te kort had gedaan. De meest voor de hand liggende verklaring van de raadselachtige ziekte was. dat hij in de macht was geraakt van een kwaadaardige vossen - of dassengeest.

In diezelfde wijk waar Tokoebei woonde, maar dan in een heel wat bescheidener huis, woonde een monnik die bekend stond als een wijs en godvruchtig man. Mensen die in moeilijkheden verkeerden gingen nooit ongetroost van hem vandaan. Het is begrijpelijk dat hij op de hoogte gehouden werd van alles wat er zich in de stad afspeelde. Het kon dan ook niet uitblijven dat hij op een goede dag van een bediende van Tokoebei hoorde aan welke kwaal zijn meester leed. Nu was het voor de monnik een gewoonte geworden om mensen die in nood verkeerden te helpen, waar hij maar kon.

De bediende gaf op vrij dramatische wijze de angstkreten weer die hij elke nacht van zijn meester hoorde, en dat bracht de monnik op een idee. "Vraag aan uw meesteres," zei hij, "of zij de hulp van een eenvoudige priester niet wil accepteren, nu deze geleerde heren er niet in geslaagd zijn de oorzaak van de kwaal op te sporen. Wanneer geneesmiddelen niet helpen, kan de kracht van het gebed dikwijls wonderen verrichten."

Nu, de vrouw van Tokoebai had er wel oren naar, en zij nodigde de monnik uit. Voor zij hem de kamer van haar echtgenoot liet binnen treden, vertelde zij hem allerlei bijzonderheden over zijn leven en zijn gedrag. Daarna ging zij hem voor naar de slaapkamer van haar man.

Zo gauw Isahaya de drempel overschreed en Tokoebei hem in het oog kreeg, leek het of deze door de duivel was bezeten.

"De monnik! De monnik! Daar is hij weer. Hij gunt mij maar geen rust! O, wanneer zal ik eindelijk van hem verlost worden! Dag en nacht moet ik lijden! Dag en nacht achtervolgt hij mij. Help! Help! Genade!" Over al zijn ledematen bevend van angst, trachtte Tokoebei zich in zijn slaapmat te verbergen.

De monnik vroeg om even met hem alleen gelaten te worden. Toen ging hij vlak bij de zieke zitten en zei: "Ja, Tajima, ik ben het! Ik ben die monnik die je drie jaar geleden in het water hebt geduwd. Maar ik ben niet verdronken, zoals je al die tijd gedacht hebt. Na van de eerste schrik bekomen te zijn, heb ik mij rustig naar de kust laten drijven en heb de oever zwemmend bereikt. Ik heb een hele tijd naar je gezocht om het zilver terug te vragen dat voor het Boeddhabeeld bestemd was, maar ik heb je nergens kunnen vinden. Ondertussen heb ik mijn zwervend bestaan weer opgevat en opnieuw geld ingezameld om mijn belofte aan Boeddha te kunnen vervullen. Daar ben ik nu in geslaagd en het beeld zal weldra in de tempel prijken. Toen ik van een van je bedienden hoorde aan welke geheimzinnige ziekte je leed, wist ik onmiddellijk wat de oorzaak ervan was, en ik heb mij hierin niet vergist. Je hebt een verschrikkelijke misdaad begaan, maar ik ben priester en ik moetje dus vergeven. De Meester heeft immers zelf gezegd: "Wanneer haat met haat wordt vergolden, hoe moet de haat dan eindigen?" Wees dus gerust en kijk mij aan."

Tokoebei opende zijn ogen en toen zag hij dat de monnik hem toelachte. Hij werd weer rustig en er kwam vrede in zijn ziel. De vergevingsgezindheid van zijn oude vriend greep hem zo aan dat hij begon te snikken. Hij zocht naar woorden om aan zijn dankbaarheid uiting te geven: "Vergeef mij! Vergeef mij, dat is alles wat ik vraag! Ik wist niet wat ik toen deed! De hebzucht had mij in zijn macht. Maar ik heb er zwaar voor moeten boeten, want sinds de avond dat ik voor het eerst jouw spook heb gezien, heb ik geen rust meer gekend."

"Iemand die zich schuldig voelt, huivert al, wanneer de wind door de takken ruist," antwoordde Isahaya. De oude ronin en de bedelmonnik praatten nog een hele tijd met elkaar of het weer oude vrienden waren.

"Laat mij jou het dubbele teruggeven van het bedrag dat ik je ontstolen heb," stelde Tokoebei voor.

"Nee, nee," zei de monnik. "Ik heb het niet meer nodig. Boeddha krijgt zijn beeld."

Ik smeek je erom!" hield Tokoebei aan. "Neem het als bewijs van mijn berouw, en wanneer je het zélf niet nodig hebt, verdeel het dan onder de armen."

"Goed," zei Isahaya, "voor de armen wil ik het wel aannemen. Maar wanneer je jouw geweten helemaal wilt ontlasten, blijf dan altijd mild en toegevend tegenover de fouten van anderen en wees vrijgevig voor de armen."

Na het bezoek van de monnik kon de koopman Tokoebei weer rust en vrede vinden. Hij leidde een gelukkig en deugdzaam leven. Er was niemand in heel Kyoto te vinden die zo vrijgevig voor de armen was als hij, en wanneer er een bedelmonnik voor zijn deur verscheen, kreeg deze altijd de grootste aalmoes van zijn diensters. Evenals de monniken prevelde Tokoebei dikwijls: "Namoe Amida Boetsoe!"


*   *   *

Toelichting
Een ronin is een samoerai die geen meester (meer) dient. Dit kan komen omdat hij door zijn daimyo weggestuurd is, zijn daimyo gestorven of in ongenade gevallen is bij de shogun, of omdat hij zelf verkoos geen meester te dienen. Een samoerai die ronin wordt omdat hij wordt weggestuurd, leeft meestal afgelegen in de bergen, waar hij bandieten doodt, en probeert om weer bij zijn meester in de gratie te komen. Soms komen meerdere ronin bij elkaar en om samen over te gaan tot plunderen.

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Japanse sagen en verhalen" door M.A. Prick van Wely. Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, 1979. ISBN: 90-228-3346-1.

Herkomst: Japan
Verteltijd: ca. 25 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook