Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 45 min.
Herkomst:

Het sprookje van de gingko-gerst Een Tibetaans sprookje over de oorsprong van graan

Vele duizenden jaren geleden voedde het volk van het koninkrijk Boela zich hoofdzakelijk met rundvlees en het vlees van schapen, en de mensen hielden koeien en geiten als melkvee. Fruit was er maar heel weinig. In de tuin van de koning stonden slechts enkele bomen, zodat alleen de koning en zijn ministers plezier van de vruchten hadden. Graan had het volk nog nooit gezien, maar aan het hof van de koning had men al vaak van graan gehoord. Atsjoe, de zoon van de koning, was een schrandere, moedige en goedhartige prins, die algemeen geliefd was. Hij dacht bij zichzelf dat het toch goed zou zijn als de onderdanen graan konden eten. Hij had wel eens gehoord, dat het op velden groeide, gemalen en gekookt werd en dan heerlijk smaakte. Men vertelde ook, dat Jiwoeta, de god der bergen, een groot aantal korensoorten bezat, waaruit dan het graan groeide. Hij vatte het plan op Jiwoeta persoonlijk te bezoeken en om enige korensoorten te vragen. De prins legde zijn ouders dit plan voor. De koning en de koningin raadden het hem echter af. Ze wisten dat men een afstand van negenduizend li moest afleggen, negenennegentig hoge bergen moest beklimmen en negenennegentig "wildstromende rivieren moest oversteken om het paleis van Jiwoeta te bereiken. De mogelijkheid om dit gevaarlijke waagstuk te volbrengen was tamelijk gering zo hielden zij hun zoon voor ogen en smeekten hem thuis, aan het koninklijke hof te blijven.

De prins was echter vastbesloten het avontuur te wagen en de graansoorten mee te brengen. De ouders probeerden op alle mogelijke manieren hem van gedachten te doen veranderen, maar het was vergeefs. De prins weigerde koppig de goedgemeende raad op te volgen. De koning en de koningin zagen tenslotte wel in, dat alle waarschuwingen om van het waagstuk af te zien, nutteloos waren. Zo kregen twintig strijdvaardige krijgers het bevel de prins naar de god der bergen te begeleiden.

De krijgers begonnen hun speren te slijpen en hun dolken te scherpen. Ze brandden van verlangen met prins Atsjoe uit te rijden. De daarop volgende dag namen de prins en zijn krijgers afscheid. De bonte stoet joeg over bergen en dalen en had al spoedig het koninkrijk Boela achter zich gelaten. De dappere mannen staken talrijke enorme rivieren over en bedwongen vele hoge bergen. Spoedig echter werd de schare der getrouwen dunner. Enkele van prins Atsjoe's krijgers werden door aanhangers van de vele volksstammen gedood, anderen stierven door een beet van giftige slangen, weer anderen vielen ten prooi aan wilde dieren. Nadat er achtennegentig bergreuzen bestegen en achtennegentig geweldige rivieren overwonnen waren, bleef de prins als enige begeleider nog zijn paard over.

Uitgeput door de onmenselijke vermoeienissen, konden paard en ruiter zich nauwelijks nog voortwaarts vechten. Prins Atsjoe liep wankelend de volgende berg af, terwijl hij zijn paard aan de halster achter zich aantrok. Toen zij niet ver meer van de top verwijderd waren, stak er plotseling een storm op en een dichte regen kletste hen in het gezicht. De prins bereikte met moeite een hoi, trok het paard naar binnen en drukte zijn lichaam dicht tegen diens manen aan. Na een poosje klaarde het weer wat op en prins Atsjoe bereikte met zijn paard eindelijk de top. Daar stond de zon als een rode vuurbal aan de hemel, van de hevige regenval was geen spoor meer te bekennen. Dat kwam de prins vreemd voor. Er groeiden heel oude bomen op deze berg. Toen hij om zich heen keek zag hij onder een reusachtige taxusboom een oude vrouw zitten, die wol spon. Atsjoe ging naar de oude toe, groette haar eerbiedig en vroeg haar hoe men bij de woning van Jiwocta kon komen. De oude vrouw keek Atsjoe onderzoekend aan, van zijn hoofd tot zijn voeten. De prins moest haar precies vertellen wie hij was en wal hij van plan was en toen pas zei ze: "Je kunt Jiwoeta van hieruit gemakkelijk vinden. Daal deze berg af en steek de rivier daar beneden over. Dan volg je langs de andere oever de rivier stroomopwaarts tot de bron. Daar zie je een grote -waterval. Roep dan Jiwoeta driemaal luid bij zijn naam, dan zal hij zich tonen en je ontvangen."

Toen Atsjoe de oude wilde bedanken, was ze plotseling verdwenen. De oude vrouw was niemand -anders dan moeder aarde. Ze was verschenen om Atsjoe te helpen, omdat ze wist dat hij een zuiver hart bezat en zijn oprechte bedoelingen haar geroerd hadden.

Atsjoe deed zoals hem gezegd was, stak de negenennegentigste rivier over en liep langs de oever stroomopwaarts. Bij de bron zag hij de waterval, die razend vanaf de berg in de diepte ruiste. De prins keerde zich naar de waterval toe, maakte een diepe buiging en riep: "Grote, verheven god Jiwoeta, toon mij genadig uw aangezicht! Ik smeek u om hulp!"

Nauwelijks was de derde roep weggestorven of daar verscheen boven de waterval een gigantische grijsaard, zo groot als een berg, wiens sneeuwwitte baard van de top van de berg naar de rivier reikte. "Wie roept mij daar?" vroeg Jiwoeta; daarbij boog hij zich voorover en zag diep onder zich Atsjoe bij de bron staan. Toen zei hij: "O, o, daar ben je! Waar kom je vandaan en wat kan ik voor je doen?"

"Eerbiedwaardige god der bergen, ik kom hierheen om je te spreken. Ik ben prins Atsjoe uit het koninkrijk Boela. Ik heb gehoord dat je hier veel graan hebt opgeslagen en zou je willen vragen mij daar wat van te geven. Ik zou het koren graag als zaad mee naar huis nemen, zodat ook het volk in mijn land zich met graan voeden kan." Na deze woorden boog de prins nog eens voor de berggod.

"Wat? Zaden, zeg je?"Jiwoeta dacht even na en begon toen hartelijk te lachen. Door dat gelach begon de berg te wankelen en kwam de rivier tot staan. Toen echter zei de berggod: "Mijn kleine prins, je vergist je. Ik heb hier geen graan. AI het graan is in het bezit van Kepoelce, de slangenkoning. In zijn rijk wordt graan gezaaid en geoogst. Alleen daar kun je zaden vinden."

Atsjoe kon zijn teleurstelling niet verbergen. Hij vroeg Jiwoeta hem de woonplaats van de slangenkoning te beschrijven en hem te zeggen hoe hij het zaad kon krijgen.

De berggod antwoordde ernstig: "De slangenkoning woont niet ver hier vandaan. In zeven dagen en zeven nachten kun je zijn rijk met een snel paard bereiken. Maar ik waarschuw je. De slangenkoning is wreed en boosaardig. Nog nooit heeft hij koren "weggegeven. Menigeen die bij hem kwam en graan wilde hebben, werd door hem in een hond veranderd en dan opgevreten, jij zult zeker ook in een hond veranderd en opgevreten worden door hem, als je naar hem toegaat. Ben je dan niet bang?"

"Ik ben nergens bang voor," antwoordde Atsjoe, "ik ben ook niet bang voor de slangengod, als ik door dit waagstuk in het bezit kan komen van graankorrels." Jiwoeta zag wel, dat Atsjoe's besluit vaststond, dat hij het risico zonder meer wilde nemen. Hij zag ook, dat hij een schrandere, dappere en goedhartige jongeman was. De berggod duidde hem daarom de weg naar de slangenkoning zeer precies aan. Meermalen echter drukte hij hem op het hart: "De slangenkoning geeft de korrels nooit vrijwillig af. Je moet een buidel vol stelen. Als in de herfst geoogst wordt, slaat de slangenkoning de graanzakken onder zijn troon op en laat ze door een groep wachtposten bewaken. Op de dag des gebeds echter, wanneer de zon op haar hoogste punt staat, begeeft de slangenkoning zich op reis voor een kort bezoekje. Volgens oud gebruik gaat de slangenkoning die dag naar de drakenkoning, die op de bergtop naast het bergmeer woont. Het bezoek duurt maar even, slechts zo lang als een wierookstaaf nodig heeft om op te branden. Deze korte tijd gebruiken de wachtposten om een dutje te doen. Alleen in die korte tijdsspanne kun je het graan stelen, maar het is zeer gevaarlijk." Zo sprak Jiwoeta. Daarop nam hij een klein voorwerpje van zijn borst, niet groter dan een sojaboon en gaf het Atsjoe. "Deze windparel geef ik je als geschenk. In geval van nood zal ze je helpen. Ik ben te oud om je beter van dienst te kunnen zijn. Steek de parel in je mond als je in gevaar bent; dan zul je kunnen lopen, zo snel als de wind. Zou de slangenkoning je betrappen en in een hond veranderen, loop dan naar het oosten! Als je dan een meisje tegenkomt dat je oprecht liefheeft, dan zul je ook weer naar je land kunnen terugkeren en weer de gedaante van een mens aannemen. Veel geluk op je weg, mijn kleine prins!"

Atsjoe bedankte de berggod vele malen voor zijn raadgevingen en voor het geschenk. Toen ging hij op pad. De verdere reis verliep zeer langzaam; hij moest na iedere tweede dag een hele rustdag nemen. De reis duurde van hoogzomer tot de herfst. Toen Atsjoe de berggod verliet, was hij erg zwak en vermagerd; nu echter waren zijn oude krachten teruggekeerd en hij straalde van gezondheid. Atsjoe bereikte het rijk van de slangenkoning, toen de wind al langs de stoppelvelden blies. De oogst was net binnen. In de wijde omtrek was geen huis te zien. Van verre zag hij de geweldige bergwoning van de slangenkoning. Toen hij eindelijk het doel van zijn reis bereikt had, steeg hij aan de voet van de berg van zijn paard. Hij nam het dier proviandzak en teugels af, zodat het ongehinderd naar het koninkrijk Boela kon teruggalopperen. Atsjoe durfde niet direct naar het holenpaleis daarboven te gaan; hij schouderde liever zijn proviandzak en liep de berg op, die tegenover het holenpaleis lag. De prins ontdekte een hol in een grot boven in de berg, van waaruit men de ingang naar het holenpaleis zeer goed zien kon en die op gelijke hoogte met hem lag. Tussen het hol en de paleisingang lag slechts een diep ravijn. Uit dor gras en bladeren maakte Atsjoe een ligplaats en ging op de loer liggen. Vandaar uit kon hij alles in de gaten houden wat er aan de ingang van het paleis gebeurde.

Op de middag van de dag des gebeds wekte een fijn klokgelui Atsjoe uit zijn middagslaap. Hij gluurde voorzichtig uit zijn schuilplaats naar buiten en zag dat de slangenkoning met zijn gevolg precies langs de weg kwam die langs Atsjoe's hol liep. De koning droeg over zijn machtige lichaam een schubachtig kleed, dat met ontelbare kleine zilveren klokjes was behangen. Atsjoe herinnerde zich de woorden van de berggod; de slangenkoning moest nu op weg zijn naar het bergmeer. Atsjoe sloop uit het hol en liep haastig de kloof in. Voorzichtig klom hij aan de andere kant weer omhoog en naderde geluidloos de ingang van het paleis. Hij had net de ingang bereikt toen hij duidelijk het luiden van vele klokjes hoorde. Het drong tot Atsjoe door dal de slangenkoning alweer terugkwam, want de tijd waarin een wierookstaafje opbrandt, was voorbij. Tegelijkertijd waren de wachtposten als de bliksem opgesprongen. Atsjoe kon zich op het allerlaatste ogenblik nog in een struik aan de kant van de weg verstoppen. Daar bleef hij onbeweeglijk zitten tot de slangenkoning in het paleis verdwenen was. Zeer teleurgesteld en ontevreden over zichzelf keerde hij toen naar zijn hol terug. Het was hem niet gelukt zich toegang tot de graanzakken te verschaffen.

Spoedig echter kwam hij op een. goed idee: hij zou zich met een lang touw over de kloof naar de andere kant slingeren! Het touw zou hij aan zijn kant aan een sterke tak vastmaken. Zo kon hij veel kostbare tijd besparen. Aanstonds trok hij twee van zijn wollen hemden uit, tornde ze los en vlocht er een stevig touw van.

De eerstvolgende gebedsdag verliet de slangenkoning met twee lijfwachten zijn paleis en ging op weg naar de drakenkoning. Daarop had de prins gewacht. Snel en behendig klom hij in een boom en bond het touw aan een tak vast, die in de kloof naar beneden hing. Atsjoe gleed langs het touw, klemde zich vast aan het uiteinde, stootte zich met zijn voeten af en slingerde zich met kracht naar de andere kant. Zoals hij had berekend, landde hij precies voor de ingang van het holenpaleis. Binnenin het paleis was het pikkedonker. Toen hoorde hij de wachtposten snurken. Atsjoe tastte langs de muur en ging voorbij de wachten; na een paar bochten kwam hij in de hoofdzaal van het paleis. Eeuwig brandende lampen verlichtten de ruimte. Aan het eind van de zaal, die zo helder verlicht was, dat het net daglicht leek, zag Atsjoe de gouden troon. Brede trappen voerden naar boven. Er sliepen talrijke wachten voor de troon, velen van hen waren op de treden ingesluimerd. Onder de opbouw van de troon zag Atsjoe de graanzakken staan. Voorzichtig sloop hij naderbij, klauterde over de schouders van twee snurkende "wachten heen en sloop, behendig als een kat, onder de troon.

Hij rukte de graanzakken open en schudde haastig met de handen zijn buidel vol, die hij om zijn hals had hangen. Nogmaals greep hij in de zak en haalde een handvol korrels eruit, deed die echter niet meer in de buidel, maar haastte zich terug, voorbij de wachten, en sloop de troonzaal uit. In het felle licht der lampen zag Atsjoe dat de korrels in zijn hand helgeel waren. Dit was gingko, kostbare gerst uit het hoogland.

In zijn vreugde verloor Atsjoe alle voorzichtigheid uit het oog en struikelde bij de ingang van het hol over de beide poortwachten. Van schrik sprongen beiden overeind, grepen hun lansen en versperden Atsjoe de weg. Atsjoe haalde uit en wierp hen de gingko-korrels, die hij in zijn hand hield, midden in het gezicht. Toen zij achteruit weken en zich de ogen uitwreven, trok Atsjoe zijn zwaard en sloeg met één enkele houw een der wachten neer. Toen hij op de tweede afging, werden de andere wachten binnenin het paleis wakker en haastten zich naderbij. Hij sloeg er nog een paar neer met zijn zwaard en sloeg toen op de vlucht. In het algemene tumult nam hij echter de verkeerde richting en botste op de zojuist teruggekeerde slangen koning. De klap kwam zo hard aan, dat de slangenkoning op zijn achterwerk belandde.

Atsjoe had nu voor zich de slangenkoning en achter zich de wachten. In zijn vertwijfeling sprong hij schuin op de kloof af en stak daarbij vlug de windparel in de mond.

De slangenkoning brak in een schaterlach uit en wees met de hand naar de vluchtende prins. Op datzelfde moment werd de hemel donker, schelle bliksemschichten en geweldige donderslagen dreunden op Atsjoe neer en in dil geloei der elementen werd hij in een gele hond veranderd.

De maanden kwamen en gingen en Atsjoe liep als gele hond door het land. In de lente van het tweede jaar volgde hij de loop van een grote rivier en kwam bij Loejo aan. Het was een mooi land met veel weiden. Gras bedekte de velden en bergen en hij zag veel koeien en schapen. Graan zag hij echter nergens. Een paar fruitbomen stonden eenzaam in de tuinen der opperhoofden. Atsjoe luisterde goed wanneer de mensen met elkaar praatten en wist al spoedig dat de hoofdman van dit gebied Kenpang heette en drie mooie dochters had. De oudste dochter heette Tsetang, de tweede Hamoetso en de jongste Ngoman. Ngoman was de schranderste en goedhartigste van de drie meisjes, maar ook de bekoorlijkste. Het meisje hield van bloemen en kruiden, honden en katten, vogels en alle andere dieren. Maar voor alles hield zij van alle goede mensen. Atsjoe herinnerde zich de woorden van Jiwoeta en toen wist hij dat Ngoman hem kon verlossen. Haar wilde hij zijn liefde en ook de korrels geven. Dagenlang zwierf hij om het dorp van hoofdman Kenpang heen en probeerde het meisje tegen te komen. Op een dag was Ngoman op een wei buiten het dorp wat bloemen aan het plukken. Atsjoe liep op haar toe, pakte zachtjes met zijn tanden haar rok beet en kwispelde met zijn staart. Ngoman was blij zo'n aardige hond te zien, ging op haar hurken zitten en speelde met hem.

Atsjoe was weliswaar in een hond veranderd, maar zijn schranderheid had hij behouden. Met zijn mooie ogen kon hij ook op ieder moment zijn diepste gevoelens uitdrukken. Met tranen in zijn ogen keek hij Ngoman aan, blafte onafgebroken en wees met zijn poten op het proviandbuideltje dat aan zijn hals hing. Ngoman begreep onmiddellijk het verzoek van de hond, haalde de buidel eraf en opende hem. Met verbazing zag zij de felgele korrels, maar ze wist niet waar ze vandaan kwamen en waarvoor men ze kon gebruiken. Atsjoe krabde met zijn poten een gaatje in de grond en maakte Ngoman duidelijk dat zij een paar korrels erin moest leggen. Ngoman begreep wat de hond bedoelde en strooide de gingko-zaden in alle gaten die Atsjoe met veel ijver in de grond maakte. Zonder op te kijken zaaiden ze alle zaden uit en baadden weldra in het zweet. Van die dag af waren Atsjoe en Ngoman onafscheidelijke vrienden.

Het meisje hield de gele hond bij zich en ze ging steeds meer van hem houden. Waar ze ook heen ging, Atsjoe ging mee. Dagelijks ging hij naar het veld om te zien of het graan opkwam en groeide. Had hij niet zijn leven gewaagd voor dit gingko-graan? Ngoman volgde hem naar het veld en hield samen met hem precies het groeien van het zaad bij. De ene na de andere halm groeide op en al spoedig waren de aren rijp.

Hoofdman Kenpang had besloten in de herfst zijn drie dochters uit te huwelijken. Het grote feest zou plaatsvinden als de vruchten rijp waren om te plukken en de koeien en schapen vet genoeg om te slachten. Op de wei bij het dorp richtte de hoofdman op een maanlichte avond een prachtig dansfeest aan. Uit de hele omtrek stroomden alle rijke mannen en vrouwen met hun zoons en dochters naar dit feest. De grote familie van de hoofdman was voltallig aanwezig. De rijke gasten wisten dat de goede oogst van dit jaar gevierd zou worden en Kenpang zijn dochters wilde uithuwelijken. Volgens landsgebruik moest iedere dochter haar toekomstige echtgenoot tijdens dit dansfeest uitzoeken.

Ngoman was ook verschenen met haar lievelingshond; hij volgde zijn bazin overal.

Op de feestweide ging het al spoedig vrolijk toe. De mensen zongen het ene berglied na het andere en dansten de ene dans na de andere. Atsjoe sprong ook mee als Ngoman danste; bleef zij een dans zitten, dan zat hij dicht tegen haar aangedrukt. Bij dit vrolijk gezang en gedans hadden alle aanwezigen al gauw kennis met haar gemaakt. Vele schalen melkthee werden tezamen leeggedronken. Toen begonnen de drie dochters van de hoofdman aan de mooiste dans van de avond, de dans waarbij zij zich een echtgenoot uitzochten. Naar oud gebruik droegen de meisjes in haar borstdoek een vrucht. Dansend keken ze rond tussen de vele gegadigden en gaven dan de uitverkorene hun vrucht. De trouwlustige jongemannen waren in een kring om de drie dochters van de hoofdman gaan zitten en volgden met hun ogen in gespannen stille de rij meisjes. In het begin dansten de drie zusjes nog samen; toen maakte Tsetang, de oudste dochter, zich van de zusters los en koos de zoon van een naburige hoofdman tot bruidegom. Nadat zij hem haar vrucht gegeven had, dansten ze beiden naar Kenpang, de vader van de bruid, toe.

In de tweede ronde koos Hamoetso de erfopvolger van een andere hoofdman. Hamoetso gaf hem haar geliefde vrucht en begaf zich toen dansend met hem naar haar vader. In de derde ronde danste Ngoman, maar die vond niemand aan wie zij de vrucht uit haar borstdoek schenken wilde. Geen der jongemannen was arm of lelijk, maar ergens scheen er aan alle mannen iets te ontbreken. Ngoman wist zelf niet wat het was. Al die forse mannen hadden Ngoman graag tot vrouw genomen, want haar schoonheid, haar schranderheid en haar goedhartigheid waren bij allen bekend. Toen zij de aarzeling van Ngoman na de derde ronde merkten, begonnen ze te fluisteren. "Wat wil Ngoman dan eigenlijk voor een man hebben of is zo iemand in onze kring niet te vinden?"

Ngoman danste een vierde ronde. Toen zag ze dat haar lieve hond met tranen in zijn ogen in de kring zat. Er kwam uit het diepst van haar hart een gevoel naar boven dat sterker was dan haar wil. Ze danste naar Atsjoe toe. Deze hond was haar zo lief en dierbaar, dat ze het niet had kunnen verdragen hem te moeten achterlaten. Hij kon toch zo mooi met zijn ogen spreken! Het kwam wel niet bij haar op een hond als echtgenoot te kiezen, maar verlaten wilde zij haar lieveling ook niet. Het toeval wilde echter, dat zij regelrecht op de hond af gleed en struikelde. De vrucht viel uit haar borstdoek en rolde voor de voeten van de hond. De mensen om haar heen, vooral de jonge mannen, braken in een schaterlach uit. Een hoofdmansdochter wordt verliefd op een mormel en kiest een keffer tot bruidegom! Dat was te veel voor de feestvierders. De jonge mannen overlaadden Ngoman met hoon en spot. Ngomans vader verbleekte, want hij was op niets meer gesteld dan op een goede naam, die hij nu door zijn dochter besmeurd zag. Ngoman maakte zichzelf beschaamd en boos vele verwijten, omdat ze over de hond gestruikeld was en hij ongelukkigerwijze zo in het bezit van de vrucht gekomen was.

Haar beide zusters waren verontwaardigd over wat er was voorgevallen en samen met de anderen hoonden zij haar. De vader achtte haar niet langer waard om zijn dochter te zijn, vervloekte haar en verstootte haar voor altijd uit zijn huis en zijn land. Woedend riep hij haar na: "In het openbaar heb je een hond tot echtgenoot gekozen, volg dan ook maar je hondenbruidegom en kom nooit meer hier in mijn dorp!"

Ngoman was ontroostbaar. Als een parelsnoer liepen de tranen haar over de wangen. Wenend en snikkend ging zij naar het gingko-veld. De gele hond, die de schuld van alles was, liep vlak achter haar.

De gingko-aren waren geel en rijp en knikten als met kleine kopjes Ngoman en haar hond toe. Het meisje sloot op het veld de hond in haar armen en weende hartverscheurend.

Toen begon opeens de hond te praten: "Lief, dapper meisje, wees niet meer bedroefd en maak je geen zorgen meer!"

Ngoman schrok geweldig; ze vertrouwde haar eigen oren niet. Snikkend staarde ze de hond aan, die zo juist gesproken had.

"Je hoeft niet bang te zijn en ook niet treurig. Ik ben een mens en geen hond," sprak Atsjoe verder.

"Een mens? In deze gedaante?" Ngoman was van schrik een paar passen teruggelopen en had de hond van zich afgestoten. Ze kon gewoon niet geloven dat de gele hond een mens kon zijn.

Atsjoe zuchtte diep en antwoordde: "Heb je nog nooit van het koninkrijk Boela gehoord? Ik ben de prins van dat rijk en ging lang geleden op weg om gerst voor mijn volk te halen. Ik drong binnen in het paleis van de slangenkoning en stal de gingko-korrels. Net toen ik het paleis verlaten wilde, botste ik op de slangenkoning. In zijn woede veranderde hij mij in een hond. En zo sta ik hier nu voor je." Ernstig en vol vertrouwen voegde Atsjoe hier echter aan toe: "Maar ik kan weer in een mens veranderen."

Ngoman Het haar blikken over het veld gaan, waarop nu de bijna rijpe gingko-gerst heen en weer wiegde en keek toen naar de hond, die haar met een trouwe blik in zijn ogen aankeek. Ze nam de hond in haar armen en drukte hem stevig tegen zich aan, terwijl ze zich hierbij probeerde voor te stellen hoe hij er wel als prachtige jonge prins zou uitzien. Aan haar wimpers hingen, als dauwparels, nog de tranen maar haar ogen schitterden toch van geluk. "Hoe zou het toch zijn als je weer je menselijke gedaante kon aannemen!" zei 7.e. vol hartelijkheid en liefde. "De mensen zouden me dan niet meer bespotten en ons leven zou een en al geluk zijn. Maar wanneer zou dat allemaal kunnen gebeuren?"

Atsjoe legde zijn poot in haar hand en antwoordde: "Voordat ik naar de slangenkoning ging, bracht ik een bezoek aan Jiwoeta, de bergkoning. Deze gaf mij goede raad en zei dat het mogelijk was dat ik door de slangenkoning in een hond veranderd zou worden. Dat is ook helaas gebeurd, zoals je ziet. Jiwoeta zei echter ook, dat ik weer een menselijke gedaante kon aannemen, als ik een meisje vond dat mij oprecht liefhad."

Toen riep Ngoman dadelijk: "Ik hou van je, ik hou van je met heel mijn hart! Verander dan! "waarom verander je nog niet? Alles wat je verlangt zal ik voor je doen, als je daardoor maar weer een mens kunt worden!"

Vol spanning keek Ngoman naar de hond, maar er gebeurde niets. "Het kan nog niet," sprak Atsjoe; "als je me werkelijk lief hebt, pluk dan zo snel mogelijk de rijpe gingko-gerst; maak een buidel, vul die tot aan de rand met korrels en hang hem om mijn nek! Ik zelf zal zo vlug mogelijk naar mijn geboorteland lopen en de zaadkorrels langs de weg uitzaaien. Je hoeft dan alleen maar het uitgestrooide zaad te volgen. Als je dan op een dag geen gingko-gerst meer vindt, zul je merken dat ik weer in een mens veranderd ben."

Atsjoe keek na deze woorden Ngoman vragend in de ogen en "wachtte op een antwoord van haar.

Ngoman zei geen woord, ze knikte alleen even en begon direct de gerstekorrels bijeen te rapen. Toen scheurde ze van haar jurk een stukje stof af en maakte daarvan een buidel. Zorgvuldig vulde ze de buidel tot de rand met korrels en hing deze de hond om de hals. Toen vroeg ze Atsjoe met hem samen te mogen gaan. Ernstig zei de van gedaante veranderde mens; "Dat kan niet; ik kan het niet langer meer verdragen dat je mij in deze afschuwelijke gedaante op vier poten ziet. Als je van me houdt, volg dan de gerstekorrels die ik uitzaai!" De tranen liepen Ngoman over de wangen; ze hield Atsjoe stevig vast en liefkoosde hem steeds weer. Met een zachte ruk maakte Atsjoe zich plotseling van haar los en liep weg. Spoedig was Atsjoe rondom door steppen omgeven. Er liep alleen een klein paadje doorheen, waarover Atsjoe voort rende. Om de paar passen bleef hij echter staan, krabde met zijn poten in de weke aarde en strooide er zaden in. Wilde vruchten dienden hem als voedsel, zijn dorst leste hij bij een beek, waaruit hij water dronk.

Niet lang nadat Atsjoe op weg gegaan was, was ook Ngoman gevolgd. Eerst volgde ze het spoor van de hond, toen zag ze de vers uitgezaaide korrels, dan de kiemblaadjes van de gerst, daarna de spruiten en later zelfs de halmen en aren. In een rugzak had ze allerlei etenswaren meegenomen. Na een poosje waren ook deze voorraden uitgeput en moest ze wilde vruchten langs de weg verzamelen. Net als Atsjoe dronk ze water uit de beek om haar dorst te lessen. Ze brandde van verlangen om Atsjoe te zien, maar ze kon hem niet inhalen.

De weg was eindeloos lang. Ngoman wist niet hoeveel tijd er vergaan was sinds haar vertrek; het kon een halfjaar maar ook een heel jaar zijn. Pas toen de bladeren aan de bomen geel en verwelkt waren en de gingko-aren rijp op de halmen stonden, zag ze heel in de verte een stad met vele hoge huizen opduiken. Haar hart jubelde van vreugde. Vergeten waren nu wind en vorst, regen en sneeuw en de ontberingen die zij geleden had!

Haar gezicht straalde van geluk, want ze zou nu spoedig bij haar geliefde zijn. Haar.schoenen waren versleten, haar kleren door doornen gescheurd, haar voeten zaten vol blaren en haar lichaam was met vuil bedekt. Rein en mooi als altijd waren echter haar hart en gezicht gebleven.

Ngoman was nu in het koninkrijk Boela en liep tenslotte ook de hoofdstad van het land binnen. Tussen prachtige gebouwen groeiden hoge bomen en bloeiden heerlijke bloemen. De gingko-gerstekorrels was ze al lang uit het oog verloren. Alle mensen die ze zag bestormde ze met vragen. Eindelijk ontmoette ze een man die haar wist te vertellen, dat er al een hele tijd geleden een gele hond het koninklijk paleis was binnengelopen. Ze rende de hoofdstraat door en zag toen plotseling het reusachtig grote paleis voor zich. Het prachtige gebouw lag midden in de hoofdstad en was omgeven door bloemen en bomen. En toen zag ze hem! Haar lieve gele hond kwam op haar toelopen. Hij bleef staan toen zij de handen naar hem uitstrekte.

Een enorme knal weerklonk in de lucht en een witte rookwolk verhulde alles in de omtrek. Toen kwam prins Atsjoe uit de rookwolk te voorschijn en van de hond was niets meer te zien. De dappere prins stond voor haar in zijn jeugdige schoonheid, zoals hij die ook vroeger bezeten had. Ngoman en Atsjoe vielen elkaar in de armen. De koning en de koningin van Boela waren van vreugde tot tranen toe geroerd, toen Atsjoe met zijn geliefde voor hen ging staan. Beiden namen de mooie, deugdzame en goedhartige Ngoman met liefde en zorg in hun paleis op en stemden blij met het huwelijk van hun zoon met de dappere hoofdmansdochter in. Nog diezelfde avond vond de bruiloft plaats. De koning, de koningin, de ministers en vele mensen uit het volk namen aan het feest deel. Volkszangers zongen tijdens het feest het ene geïmproviseerde lied na het andere.

In deze liederen brachten ze de prins dank voor de gingko-zaden, prezen zijn dapperheid en de schranderheid, deugd en schoonheid van zijn jonge vrouw.

Sindsdien groeit de gingko-gerst over de wijd uitgestrekte landerijen van Loejo tot aan het koninkrijk Boela. Vele duizenden li's besloegen de gerstvelden en de mensen in de omtrek voeden zich sindsdien met de goedsmakende dsamba, die ze uit de korrels bereiden. Ter herinnering aan het feit, dat een hond voor de eerste maal gingko in het land gebracht had, bereiden de mensen uit deze streek tot de dag van vandaag ieder jaar na de oogst de eerste dsamba voor hun honden.


*   *   *

Het sprookje van de gingko-gerst Samenvatting
Een Tibetaans sprookje over de oorsprong van graan.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Chinese volkssprookjes" uitgegeven door Elmar, Rijswijk, 1990. ISBN: 90-6120-8343

Herkomst: Tibet
Verteltijd: ca. 45 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook