Volksverhalen Almanak

Het sprookje van tsaar Saltan Een sprookje van Poesjkin over een verloren gewaande zoon

Er waren eens drie maagden, die aan het venster zaten te spinnen en er lustig op los kletsten.

"Mocht ik tsarina worden," zei de eerste, "dan zou ik een groot bruiloftsmaal voor alle mensen op de wereld organiseren!"

"En mocht ik tsarina worden," merkte de tweede op, "dan zou ik voor alle mensen op de wereld de allerfijnste kant klossen!"

"Ach, mocht ik tsarina worden," zei de jongste, "dan zou ik de tsaar geen geld en goed schenken, maar een zoon met kracht en moed."

Op dat moment knarste de deur van de schuur en tsaar Saltan kwam binnen. Hij had de drie zo horen praten en de woorden van de jongste hadden hem ten zeerste behaagd. "Jij zult mijn vrouw worden!" riep hij uit. "Maar van je zusters hoef je geen afscheid te nemen. De ene kan aan mijn hof kokkin worden en de andere weefster."

Daar waren de twee zusters helemaal niet gelukkig mee, maar ze volgden, eendrachtig verenigd door hun jaloezie, de tsaar en hun jongste zuster naar het tsarenhof.

Nog op dezelfde avond van hun aankomst werd de bruiloft gevierd. Ontelbare gasten kwamen naar het feest en ze aten en dronken en begeleidden de tsaar en zijn bruid naar het huwelijksbed van ivoor. En de wens van de jongste zuster ging onmiddellijk in vervulling: ze werd zwanger van de tsarenzoon.

Niet lang daarna brak er oorlog uit. De tsaar moest afscheid nemen van zijn jonge gade en smeekte haar goed op zichzelf te passen. Zij beloofde het hem, en daar sprong hij al op zijn paard en reed met zijn mannen heen.

Lang bleef hij weg, en lang hadden de kokkin en de weefster de tijd om hun afgunst te koesteren en samen met de oude tante van de tsaar snode plannen uit te broeden.

De tijd verstreek snel, en de tsarina bracht een zoon ter wereld, een groot en sterk prinsenkind. Verheugd zond zij een bode met de goede tijding naar de tsaar. Maar de kokkin en de weefster onderschepten hem samen met de boosaardige tante, verbrandden de boodschap en gaven de bode in plaats daarvan de volgende brief mee: "De tsarina heeft een monster gebaard."

Toen de tsaar in zijn tent aan het front dit bericht ontving, was hij natuurlijk diepbedroefd. Terstond stuurde hij de bode naar huis met het bevel: "Bewaar het stilzwijgen over alles en wacht tot ik thuiskom en een oordeel vel!" Maar de jaloerse zusters en de tante onderschepten de bode opnieuw, voerden hem dronken en verwisselden het tsarenbevel met een brief die ze van tevoren gemaakt hadden. Daarin stond: "Van tsaar Saltan aan zijn Bojaren: verdrink de tsarina en haar kind in de bodemloze zee!" De Bojaren jammerden en huilden zeer over dit bevel, maar ze drongen 's nachts toch het slaapvertrek van de tsarina binnen.

Ze lazen haar de valse brief voor en stopten haar en het kind in een ton. Vervolgens spijkerden ze het deksel erop, smeerden alle kieren dicht met werk en teer en rolden hem de zee in...

Vele dagen en weken dobberde de ton over de baren. De stormen raasden, de golven zwiepten hoog op en kwamen weer tot bedaren. De sterren trokken langs de hemel, de maan en de zon volgden elkander op en de tsarevitsj groeide ondertussen als kool in zijn ton. Maar zijn moeder weende en klaagde, zodat hij zong:
"Golfje, golfje lief,
mijn hartendief,
drijf ons snel naar het land
en laat ons aanspoelen op het strand!"
Dat hoorde de golf en hij spoelde de ton aan land. Weer weende en klaagde de moeder: "We zitten gevangen! Hoe kunnen we ons in 's hemelsnaam ooit uit deze ton bevrijden!" Toen zong de tsarevitsj opnieuw:
"Tonnetje ton,
lieve gezel,
open je snel,
ik wil in de zon!"
De ton viel in duigen en moeder en zoon stapten naar buiten. Om zich heen kijkend, zagen ze dat ze op een onbegroeid eiland waren aangespoeld. Ze klommen van de oever omhoog de heuvel op, waar bovenop een eenzame eik stond.

De maag van de tsarenprins begon te knorren. Van sterke eikentwijgen en een leren riem maakte hij daarom een pijl en boog. Toen hij op zoek ging naar een prooi, hoorde hij plots gekreun en gegil. Rondturend zag hij in de branding een zwaan dobberen, waarboven een havik zweefde. Snel legde hij de pijl aan en trof de roofvogel in de hals. Met een luide kreet als uit een mensenmond stortte de havik omlaag in het bruisende schuim, waarna de zwaan hem met felle slagen van haar vleugels en pikken van haar snavel de genadeslag gaf.

"Dank je wel, tsarenzoon!" riep de zwaan. "Je hebt me uit de macht van het kwaad verlost. Want moet je weten, ik ben een koningsdochter, en de havik was een boosaardige tovenaar. Treur niet om je misgelopen buit! Ik zal het je rijkelijk vergoeden. Ik zal altijd bij je in de buurt blijven en al je wensen in vervulling doen gaan!" Daarop verdween de zwaan uit het zicht, en voor de tsarevitsj en zijn moeder zat er niets anders op dan zich hongerig te slapen te leggen.

Maar bij hun ontwaken de volgende ochtend zagen ze, tot hun immense verbazing, dat er op het kale, lege strand een grote, luisterrijke stad was ontstaan, met gouden koepels en torens en omringd door een witte muur.

"Kijk daar eens, moeder!" riep de tsarevitsj. "Moet je zien wat mijn zwaan ons geschonken heeft!"

Nauwelijks waren ze onder de poort door gegaan, of alle klokken begonnen te luiden. Feestelijk uitgedoste mensen kwamen hen tegemoet gelopen. Ze riepen de tsarenzoon uit tot hun vorst, zetten hem een kroon op het hoofd en brachten hem naar het kasteel.

Van die dag af heerste de tsarenprins over het land, en men noemde hem vorst Guido.

Op zekere dag woei de wind van over de zee en dreef een schip op het land. Het scheepsvolk verbaasde zich er ten zeerste over op het onherbergzame eiland een nieuwe stad met torens en kantelen aan te treffen. De varensgasten werden met kanonschoten begroet en lieten zich graag onthalen en laven. Tegen vorst Guido vertelden ze dat ze pelshandelaren waren en zich op weg naar de machtige tsaar Saltan bevonden. De vorst verzocht hun daarop de tsaar zijn groeten over te brengen, begeleidde de kooplieden naar de oever en tuurde hen na.

De branding schuimde, en de zwaan dook weer op. "Wat stemt je zo verdrietig, mijn vorst?" vroeg ze.

"Ach, ik zou dolgraag naar mijn vader toe willen!" antwoordde hij vurig.

"Meer wens je niet?" vroeg de zwaan. "Volg dan het schip! Vlieg je geluk tegemoet in de vermomming van een mug!"

Zo geschiedde. De mug bereikte het handelsschip, hield zich gedurende de dagen en weken van de vaart verborgen in een holte in de mast en kwam uiteindelijk met de pelshandelaren in het tsarenslot aan. Daar werden ze met muziek en een feestbanket onthaald. Tsaar Saltan zat echter met een somber gelaat tussen de kokkin en de weefster in, de oude tante zat aan zijn voeten. Hij beval de handelaren over hun reis te vertellen.

Daarop verhaalden ze over de magnifieke, nieuwe stad met haar paleizen en tuinen, die op het kale eiland verrezen was, over vorst Guido op zijn gouden troon en brachten zoals opgedragen zijn groeten over.

"Mocht ik het leven hebben," verzuchtte de tsaar, "dan zou ik graag deze stad eens zelf in ogenschouw nemen." De zusters werden echter door jaloezie en nijd overweldigd, en de kokkin schreeuwde woedend: "Dat loont de reis niet! Ik weet een veel groter wonder: diep in een woud woont in een dennenboom een eekhoorntje dat zingt en noten kraakt. Van goud zijn de schillen, van smaragd de kernen!" Toen dook de mug zoemend voor haar gezicht op, stak de kokkin in het ooglid - en nog voordat het kon opzwellen was hij al weer over de blauwe zee weggevlogen en verdwenen.

De volgende ochtend wandelde vorst Guido over het strand langs de zee.

De zwaan kwam uit de golven opgedoken en vroeg waarom hij zo bedroefd was.

"Ach," antwoordde de vorst, "ik had dolgraag zo'n eekhoorntje willen hebben als de kokkin beschreven heeft."

"Meer wens je niet?" vroeg de zwaan. "Ga huiswaarts, daar vind je het."

En inderdaad, in de tuin van zijn paleis was een hoge den opgeschoten, waarin het eekhoorntje zat te zingen en gouden noten met smaragden kernen kraakte. Uitzinnig van blijdschap liet vorst Guido een kristallen kooi voor het diertje bouwen en gaf een schrijverklerk opdracht elke noot te noteren.

Op zekere dag kwam de wind opnieuw van zee gewaaid en bracht wederom een schip aan land. Ook deze handelaren waren op weg naar tsaar Saltan, en vorst Guido droeg hun op, de tsaar zijn groeten over te brengen. Ditmaal volgde hij de zeelieden vermomd als vlieg. Toen de handelaren aan het hof van de tsaar vertelden over de prachtige stad op het eiland en het eekhoorntje dat gouden noten kraakte, zei de tsaar eens te meer: "Mocht ik het leven hebben, dan zou ik graag deze stad eens zelf in ogenschouw nemen."

Daarop barstten de zusters in woede uit, en de weefster voegde eraan toe: "Dat loont de reis niet! Ik weet een veel groter wonder: daar hoog boven in de wilde Noordzee verheft zich een kaal strand uit de deinende golven, waar als bliksemschichten drieëndertig ridders tevoorschijn komen onder aanvoering van Tsjernomor."

Vertoornd stak de vlieg de weefster in het oog, maar nog voordat het met blindheid was geslagen, was de vlieg al weer over de blauwe zee verdwenen.

De dag daarop deed vorst Guido de zwaan relaas van de woorden van de weefster, en zij vervulde ook deze wens van hem: ogenblikkelijk kwamen er wilde golven op, drieëndertig ridders sprongen tevoorschijn uit het schuim, trokken de stad in en boden Guido hun diensten aan.

Een derde maal dreef de wind een schip op het strand aan. Vol bewondering namen de zeelieden de stad, het eekhoorntje en de drieëndertig ridders in ogenschouw en vertelden het bij hun terugkeer aan de tsaar. Vorst Guido was hen gevolgd in de gedaante van een wesp. Opnieuw uitte de tsaar de wens al deze wonderen met eigen ogen te aanschouwen. En de drie boosaardige vrouwen werden wederom door jaloezie gegrepen, waarop de oude tante uitriep: "Dat loont de reis niet! Ik weet een veel groter wonder: een tsarendochter woont ver over de zee, zo wonderschoon is zij, dat zij overdag het licht in haar schaduw stelt en 's nachts fonkelt als een zon! Als de maneschijn glanst haar haar in de omtrek ver, haar voorhoofd gelijk een ster!"

Toen stak de wesp de tante in de neus en maakte dat hij wegkwam.

De volgende ochtend wandelde vorst Guido bedroefd over het zeestrand, en toen de zwaan opdook en naar de reden voor zijn kommernis vroeg, antwoordde hij: "De tsarendochter, over wie de tante sprak, zou ik graag tot vrouw hebben, en geen ander, al moest ik ervoor naar het eind van de wereld lopen!"

Daarop zuchtte de zwaan en zei: "Dat hoef je niet, want ik ben de tsarendochter!" Het verenkleed viel van haar af, en zij was nog mooier dan alle woorden zouden kunnen beschrijven.

Verheugd gaf de tsarina haar zoon en de zwanenjonkvrouw haar zegen, maar de twee waren nog maar nauwelijks getrouwd, of de wind dreef voor de zoveelste maal een schip op het land aan.

De kooplieden zagen het wonder van de stad, het eekhoorntje, de drieëndertig ridders en de zwanenjonkvrouw en vertrokken om er de tsaar over te berichten. De vorst bleef deze keer thuis.

Tsaar Saltan liet zich nu niet meer tegenhouden door de drie kwaadaardige vrouwen. Hij zeilde met een grote vloot over de zee naar de stad op het eiland en werd met alle eerbetoon ontvangen.

De vorst wandelde hem tegemoet, en de tsaar herkende aan zijn zijde zijn beminde vrouw. Toen wist hij dat vorst Guido zijn verloren gewaande zoon was en sloot hem dolzinnig van vreugde in de armen.

En omdat hij zo gelukkig was, vergaf hij het de twee zusters en zijn oude tante, maar nooit stond hij hun toe op het wonderbaarlijke eiland van de zwanenjonkvrouw te verschijnen.

Zelf bleef hij daar echter, en allen vierden een feest, dat dagen en weken duurde. En zo ze nog niet gestorven zijn, vieren ze het vandaag nog altijd.


*   *   *

Het sprookje van tsaar Saltan Samenvatting
Een sprookje van Poesjkin over een verloren gewaande zoon. Met door jaloezie ingegeven bedrog, denken twee schoonzussen dat ze de tsarina en haar zoon voorgoed kwijtspelen door ze in een ton op zee achter te laten. De jongen en zijn moeder komen echter op een eiland waar een betoverde zwaan woont. Omdat hij de zwaan van een havik redt, beloont ze hem rijkelijk. Uiteindelijk leidt dat tot een hereniging met zijn vader. Lees het verhaal

Toelichting
Ook bekend onder de titel: 'Tsaar Saltaan, zijn zoon, de roemruchte ridderheld prins Gvidoon Saltanovitsj, en de wonderschone tsarendochter Zwaan'.

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Samovarsprookjes. Vertellingen uit het oude Rusland" naverteld door gravin Sybil Schönfeldt. Deltas, Oosterhout, 1998.

Herkomst: Rusland
Verteltijd: ca. 18 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook