Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 50 min.
Herkomst:




Het verhaal van Liu Yi

Tijdens de regeringsperiode Yifeng (676-678) was er een zekere jonge zedenmeester Liu Yi. Hij reisde naar de hoofdstad om deel te nemen aan het examen maar boekte geen succes. Toen hij terug zou keren naar de oevers van de Xiang bedacht hij dat een plaatsgenoot in Jingyang verbleef en vervolgens begaf hij zich op weg daarheen om afscheid van hem te nemen. Toen hij zes of zeven li had afgelegd schrok zijn paard van een opvliegende vogel en sloeg op hol door de berm van de weg, om pas na nog eens zes of zeven li te stoppen. Liu Yi zag daar een vrouw geiten hoeden langs de kant van de weg. Toen hij haar verbaasd opnam, bleek zij een uitzonderlijke schoonheid. Maar haar gelaatsuitdrukking was niet ontspannen en haar hoofddoek en mouwen waren zonder glans. Ingespannen luisterend stond ze op haar tenen, alsof ze ergens naar uitzag. Liu Yi vroeg haar: "Door welk lijden hebt u zichzelf hiertoe verlaagd?"

Aanvankelijk verontschuldigde zij zich, maar uiteindelijk antwoordde zij hem onder tranen: "Hoe ongelukkig ben ik! Vandaag hebt u de goedheid mij daarover vragen te stellen. En dan zou ik die uit schaamte kunnen ontwijken nu het verdriet mij het hart doorwondt? Wees zo goed mij aan te horen. Ik ben de jongste dochter van de drakenvorst van het Dongting-meer. Mijn ouders huwelijkten mij uit aan de tweede zoon van de drakengod van de rivier de Jing. Maar mijn echtgenoot heeft een losbandig karakter, en misleid door meiden en knechten behandelde hij mij elke dag slechter. Toen ik daarna mijn nood wou klagen bij mijn schoonouders waren die door hun liefde voor hun zoon niet in staat hem in te tomen. En toen ik door bleef klagen haalde ik me bovendien hun misnoegen op de hals zodat ze mij hiertoe vernederden." Toen ze was uitgesproken slaakte ze diepe zuchten en liet haar tranen de vrije loop.

Ze ging voort: "Dongting is ik weet niet hoe ver hier vandaan. De lange hemel is eindeloos, geen nieuws wordt uitgewisseld. Mijn hart en ogen hebben zich blind gestaard, niets van mijn smart is ginds bekend. Ik vernam dat u terug zult keren naar Wu. Dat ligt dicht bij Dongting. Ik zou wel een brief willen toevertrouwen aan uw bediende, maar ik weet niet of u dat goedvindt."

Liu Yi antwoordde: "Mijn gevoel voor rechtvaardigheid is zo dat bij het horen van uw woorden mijn woede is gewekt en het mij verdriet doet dat ik geen vleugels heb en niet in staat ben terstond daarheen te vliegen! Wat praat u nog van goedvinden? Maar Dongting is een diep water en ik ga door het stof, hoe zou ik dus uw gevoelens over kunnen brengen? Mijn angst is slechts dat de wegen van licht en duisternis niet met elkaar in verbinding staan zodat ik niet alleen uw vertrouwen zou beschamen maar ook mijn eigen wens zou weerstreven. Welke kunst hebt u om mij te leiden?"

Zij weende droevig en betuigde haar dank, en zei: "Dankbetuigingen en goede wensen, daar zal ik u verder niet mee ophouden. Mocht u erin slagen de boodschap over te brengen dan zal ik u mijn leven lang dankbaar zijn. Hoe zou ik het ter sprake durven brengen zo u niet toegestemd had, maar nu u hebt toegestemd en ernaar vraagt zal Dongting niet verschillend blijken te zijn van de hoofdstad."

Toen Liu Yi nadere uitleg vroeg zei zij: "Op de zuidoever van Dongting groeit een grote sinaasappelboom die de dorpelingen de heilige boom noemen. U moet uw gordel losmaken en er driemaal mee tegen de boom kloppen, dan zal er iemand komen. Wanneer u hem volgt, zal zich geen enkele hindernis voordoen. Vertel hun ginds alles zonder de minste of geringste wijziging!"

Liu Yi antwoordde dat hij geheel tot haar dienst was. Vervolgens nam zij uit haar jak een brief die zij hem met een dubbele buiging aanbood. Naar het oosten gekeerd weende zij zo smartelijk alsof haar hart zou breken. Liu Yi werd daardoor ten zeerste aangedaan en deed haar brief in zijn reiszak.

Hij vroeg haar toen nog: "Ik begrijp niet waarom u hier geiten hoedt. De goden houden toch geen dieren voor de slacht?" Zij antwoordde: "Dat zijn geen geiten maar regenknechten." - "Wat zijn regenknechten?" Zij antwoordde: "Zoiets als dondergoden." Toen Liu Yi omkeek en hen opnam bleken zij alle met hooggeheven kop trots te stappen, hun drinken en kauwen was heel bijzonder maar in grootte, vacht en horens verschilden ze in geen enkel opzicht van geiten.

Liu Yi zei ten slotte: "Nu ik uw bode ben hoop ik dat u mij niet zult ontlopen wanneer u te zijner tijd naar Dongting zult zijn teruggekeerd." Zij antwoordde: "Ik zal u bejegenen als een familielid!"

Nadat ze was uitgesproken nam ze afscheid en vertrok in oostelijke richting. Toen hij na enkele passen omkeek naar de vrouw en haar geiten was er van hen geen spoor meer te zien! Diezelfde avond kwam hij aan in de stad Jingyang en hij nam afscheid van zijn vriend.

Na ruim een maand arriveerde hij in zijn geboortestreek. Nadat hij naar huis was teruggegaan bracht hij een bezoek aan het Dongting-meer. Aan de zuidoever daarvan vond hij inderdaad de heilige sinaasappelboom. Vervolgens maakte hij zijn gordel los en sloeg er driemaal mee tegen de boom. Even later dook een krijger op uit de golven. Na een dubbele buiging vroeg deze hem: "Waar komt u vandaan, geëerde gast?" Liu Yi gaf een ontwijkend antwoord: "Ik kom mijn opwachting maken bij zijne majesteit." De krijger deelde het water, wees een weg, en ging Liu Yi voor naar binnen. Hij zei tegen hem: "U moet uw ogen sluiten, dan zijn we er in een ademtocht." Liu Yi deed zoals hem was gezegd en zo kwamen ze aan bij het paleis. Hij zag dat terrassen en torens tegenover elkaar verrezen en dat de poorten en deuren bij duizenden werden geteld, er was geen zeldzaam kruid of kostbare boom die daar ontbrak. De man hield daarop Liu Yi tegen en bracht hem naar een hoek van het hoofdvertrek met de woorden: "U moet hier blijven wachten." Toen Liu Yi vroeg welk gebouw dit was, antwoordde de man: "Dit is de Hal van Numineuze Leegte."

Toen hij de omgeving aandachtig opnam bleken alle aardse kostbaarheden daar bijeengebracht te zijn: de zuilen van witte jade, de treden van zwarte jade, de banken van koraal, de deurgordijnen van kristal; op de blauwgroene lateien was het glazuur gekorven, op de regenboogbonte balken was barnsteen aangebracht zo buitengewoon prachtig dat het zich niet onder woorden laat brengen. Maar de koning liet lang op zich wachten. Toen Liu Yi vroeg waar de vorst van Dongting was, luidde het antwoord: "Onze vorst vereert juist de Mysterieuze Pareltoren met zijn bezoek en bespreekt daar met de meester van Verheven Yang het Boek van Vuur. Dat zal zo wel afgelopen zijn." Op Liu Yi's vraag wat bedoeld werd met het Boek van Vuur antwoordde de krijger: "Onze vorst is een draak. Draken maken water hun goddelijk element en kunnen met één druppel heuvels en dalen overstromen. De taoïstische meester is een mens. Mensen maken vuur tot hun goddelijke element en hoeven maar één lampje te ontsteken om het Epang-paleis tot de grond toe af te branden. Maar het numineuze gebruik van beide elementen is niet gelijk, hun mysterieuze transformaties zijn anders. De meester van Verheven Yang is doorkneed in de normen der mensen en onze vorst heeft hem uitgenodigd om zijn lessen te mogen horen."

Toen hij was uitgesproken werd de paleispoort geopend. Door schaduwen gevolgd, door wolken omstuwd: Liu Yi zag een man die gehuld was in een purperen gewaad en een zwarte jade in zijn handen hield. De krijger sprong op: "Dit is onze vorst!"

Daarop vervoegde hij zich bij de vorst om Liu Yi's komst te melden. Deze keek Liu Yi aan en vroeg: "U bent toch een mens uit de wereld der mensen?" Liu Yi antwoordde: "Dat ben ik," en bracht vervolgens de voorgeschreven groet. De vorst beantwoordde de groet en liet hem plaatsnemen voor de Numineuze Leegtehal. Hij sprak tot Liu Yi: "Dit onderwaterpaleis ligt diep verscholen en ik zelf ben gespeend van inzicht. Toch hebt u duizend li niet ver geacht. U zult daartoe een reden hebben." Liu Yi antwoordde: "Ik ben een streekgenoot van uwe majesteit. Opgegroeid in Chu reisde ik voor studie naar Qin. Onlangs had ik zonder succes deelgenomen aan het examen en op mijn gemak reed ik langs de Jing, waar ik uw geliefde dochter op het veld geiten zag hoeden: haar verwaaide wrong en verregende lokken waren aangrijpend om te zien! Toen ik haar daarover ondervroeg zei zij tegen mij: "Zozeer word ik door mijn echtgenoot geringschat en zo weinig bekommeren mijn schoonouders zich om mij!" Droef vergoot ze hete tranen, ze was waarlijk deerniswekkend! Vervolgens vertrouwde zij mij een brief toe. Omdat ik haar dat had beloofd ben ik nu vandaag hier gekomen." Daarop pakte hij de brief en bood hem aan.

Toen de vorst van Dongting hem had uitgelezen, bedekte hij zijn gelaat met zijn mouw en zei in tranen: "Het is mijn schuld! Onbekwaam te schouwen en te luisteren was ik derhalve als een blinde en een dove, zodat een zwak schepseltje uit binnenkamers in den vreemde onheil en rampspoed ondervindt. U was een toevallige voorbijganger en toch bracht u het op haar te hulp te schieten. Gelukkig heb ik tanden en haren hoe zou ik deze weldaad kunnen vergeten?" Nadat hij deze woorden had gesproken weeklaagde hij weer lange tijd, en alle aanwezige vertrouwelingen plengden tranen.

Onder hen was een eunuch die een persoonlijk dienaar van de vorst was. Aan deze overhandigde de vorst de brief met de opdracht het serail in te lichten. Even later weerklonk door het gehele serail een smartelijk geween. De vorst zei verschrikt tegen de aanwezige vertrouwelingen: "Zeg snel in het serail dat ze geen misbaar mogen maken! Ik ben bang dat Qiantang er weet van krijgt!"

Liu Yi vroeg: "Wie is Qiantang?" Het antwoord luidde: "Hij is mijn jongste broer. Vroeger was hij hoofd van de rivier de Qiantang maar tegenwoordig heeft hij zich teruggetrokken uit het bestuur."

Liu Yi vroeg: "Waarom wilt u het hem niet laten weten?" Het antwoord luidde: "Omdat zijn moed onovertroffen is. Dat destijds Yao te kampen had met een negenjarige overstroming was slechts te wijten aan een eenmalige woede van zijn kant. Recentelijk had hij verschil van mening met de Hemelgeneraals en bedolf hij hun Vijf Markbergen. Omdat ik in verleden en heden een zekere deugd heb bewezen, heeft de Hoogste God mijn broeder zijn misdrijf vergeven, maar toch woont hij nog onder huisarrest hier bij ons. De mensen langs de Qiantang wachten daarom nog elke dag op zijn komst." Nog voor hij was uitgesproken weerklonk opeens een luid geraas: de hemel brak, de aarde scheurde, het paleis schudde op zijn grondvesten, en wolken en nevels verrezen alom. Even later verscheen een rode draak van meer dan duizend voet lang, met bliksemende ogen en een bloedrode tong, scharlaken schubben en vurige manen; om zijn nek zat een gouden ketting en aan de ketting sleepte hij een pilaar van jade voort, duizenden donderslagen omwonden zijn lijf, en rijp, sneeuw, regen en hagel vielen tegelijkertijd! Toen vloog hij weg, de blauwe hemel in.

Liu Yi was van angst languit voorover op de grond gevallen. De vorst hielp hem persoonlijk overeind en zei: "Wees niet bevreesd, er zal u beslist niets overkomen!" Pas na lange tijd kwam Liu Yi een weinig tot rust en hervond hij zijn zelfbeheersing. Hij wilde daarop afscheid nemen en zei: "Mijn wens is levend te mogen terugkeren opdat ik zijn terugkomst ontloop!" De vorst zei: "Dat zal beslist niet zo zijn! Bij zijn vertrek is hij als zoëven, maar wanneer hij terugkomt is hij anders. Sta mij toe u een weinig mijn genegenheid te tonen." Daarop gaf hij opdracht wijn in te schenken en dronk hem toe.

Even later bemerkte Liu Yi een gezegende bries en gelukkige wolken die weldadig en aangenaam waren en schone muziek volgde daarop. Duizenden meisjes in rode gewaden lachten blij en onbekommerd, en in hun midden was er een met een zijden gewaad dat bezet was met stralende parels. Toen hij haar van nabij opnam bleek het de vrouw te zijn die hem haar boodschap had toevertrouwd. Maar zij scheen zowel verheugd als bedroefd en tranen druppelden haar over haar wangen. Na een ogenblik bedekte een rode nevel haar linkerzijde en strekte zich aan haar rechterzijde een purperen aura uit, een geurige wolk omringde haar en zo ging zij de privévertrekken binnen. De vorst zei lachend tegen Liu Yi: "De gevangene van de Jing is weer thuis!" Daarop verontschuldigde hij zich en begaf zich naar de privévertrekken. Na een ogenblik hoorde Liu Yi opnieuw een gejammer, dat heel lang aanhield.

Na verloop van tijd kwam de vorst weer binnen om met Liu Yi de maaltijd te gebruiken. Daarbij was nog iemand aanwezig die een purperen rok droeg en in zijn handen een zwarte jade hield, rijzig en indrukwekkend stond hij naast de vorst. De vorst zei tegen Liu Yi: "Dit is Qiantang." Liu Yi stond op en maakte haastig een buiging voor hem. Op zijn beurt betoond Qiantang zich allerhartelijkst, en hij zei tegen Liu Yi: "Mijn nicht werd ongelukkigerwijze door die halsstarrige vlerk vernederd, maar dankzij uw hulpvaardigheid werden wij op de hoogte gesteld van het haar in den vreemde aangedane onrecht. Zo niet, dan zou zij geworden zijn tot het stof onder een tumulus (grafheuvel) aan de Jing. Onze dankbaarheid is groot."

Liu Yi wees deze lof bescheiden van de hand en antwoordde uiterst onderdanig. Daarna wendde Qiantang zich tot zijn oudere broer en vertelde hem: "Zoëven vertrok ik tijdens het ochtenduur uit Numineuze Leegte, tijdens het voormiddaguur kwam ik aan in Jingyang, tijdens het noen-uur leverde ik daar slag, en tijdens het namiddaguur ben ik hier teruggekeerd. Tussendoor ben ik naar de negende hemel gerend om te rapporteren aan de Hoogste God. Omdat de God beseft dat haar onrecht was aangedaan vergaf hij mij mijn vergrijp zodat ik daardoor kwijtschelding verkreeg van de mij in het verleden opgelegde straffen. Maar mijn felle aard toonde zich onverhoeds en ik nam niet de tijd om afscheid te nemen zodat ik het serail in angst en beven achterliet en onze gast de stuipen op het lijf joeg. Ik schaam me ten zeerste, me nog onbewust van de volle omvang van mijn vergrijp."

Vervolgens trad hij terug en boog tweemaal. Op de vraag van de vorst hoeveel er door hem waren gedood, antwoordde hij: "Zeshonderdduizend." Op de vraag of hij het gewas schade had berokkend antwoordde hij: "Achthonderd li." Op de vraag waar de harteloze bruidegom zich nu bevond antwoordde hij: "Opgegeten heb ik die!"

De vorst zei ontstemd: "Dat die halsstarrige vlerk zich zo gedroeg was werkelijk onverdraaglijk. Maar u handelt toch ook te ondoordacht! Gelukkig dat de Hoogste God in zijn heilige wijsheid vol begrip was voor het extreme karakter van het haar aangedane onrecht. Hoe zou ik me anders hebben kunnen excuseren? Gedraagt u zich van nu af aan niet meer zo!" Qiantang maakte opnieuw tweemaal een buiging. Die avond liet men vervolgens Liu Yi overnachten in de Hal van het Gestolde Licht.

De volgende dag onthaalde men opnieuw Liu Yi op een feestmaal, in het Transparante Jadepaleis. Vrienden en verwanten waren verzameld, een groot orkest stond opgesteld. Men werd voorzien van de fijnste wijnen, de heerlijkste gerechten werden uitgestald. Eerst werd onder begeleiding van hoorns en trommen, met behulp van vlaggen en vaandels, zwaarden en lansen een dans uitgevoerd door tienduizend mannen, aan de rechterzijde. Een van de mannen trad naar voren en zei: "Dit is de dans 'Qiantangs Overwinning'!" Hun vaandels en wapens waren heroïsch, hun blikken en passen waren angstaanjagend: alle aanwezigen brak, terwijl zij keken, het koude zweet uit! Daaropvolgend werd onder begeleiding van instrumenten van brons en steen, van zijde en bamboe, in kostuums van zijde en gaas, parels en ijsvogelveren een dans uitgevoerd door duizend meisjes, aan de linkerzijde. Een van de meisjes trad naar voren en zei: "Dit is de dans 'Terugkeer van de Prinses'." De klare klanken klonken ononderbroken, als een klacht, als een verlangen: alle aanwezigen barstten terwijl zij luisterden ongewild in tranen uit! Toen de beide dansen beëindigd waren schonk de drakenvorst zeer verheugd witte zijde om te verdelen onder de dansers en danseressen.

Daarna zat men dicht opeen naast elkaar, er werd naar hartelust gedronken en uitbundig feest gevierd. Toen men het nodige had gedronken zong de vorst van Dongting, terwijl hij de maat sloeg op zijn mat, een lied dat luidde:
De grote hemel sterkt grauw zich uit,
de grote aarde is onbegrensd.
De mensen hebben elk hun hart,
hoe kan een ander dat doorgronden?
De vos wordt god, de rat wordt geest
wanneer ze wonen in muur en tempel.
Maar als een donderslag weerklinkt
ontbreekt hun de moed tot verzet.

dank zij een nobel mens,
door zijn hulpvaardigheid.
Mocht eigen vlees en bloed
keren naar geboortegrond.
Met dankbaarheid zijn wij vervuld
hoe dit ooit te vergeten?
Toen het lied van de vorst ten einde was, zong de vorst van Qiantang, na een dubbele buiging, een lied. Het luidde:
De hoge hemel voegt tezamen,
voor dood en geboorte staat een uur.
Zij diende niet zijn vrouw te zijn
taben hij gedroeg zich niet als man.
Haar hart was vol van bitter leed,
daar aan de oever van de Jing.
De kille wind verwoei haar lokken,
de sneeuw doorweekte haar gewaad.

Een edel heer bood hulp,
bezorgde ons haar brief.
Zodat ons vlees en bloed
met ons herenigd werd.
Eeuwig zijn wij des gedachtig,
tot in lengte van dagen!
Toen de vorst van Qiantang zijn lied had uitgezongen stond de vorst van Dongting op en samen boden zij Liu Yi een beker wijn aan. Deze nam de drinkbeker schoorvoetend aan. Toen hij hem had uitgedronken bood hij op zijn beurt twee bekers aan aan de beide vorsten, en vervolgens zong hij een lied. Het luidde:
Donkere wolken bedekten het Zwerk,
het water van de Jing stroomde oostwaarts.
Bedroefd werd ik om haar:
een stortvloed van tranen, een treurende bloem.
De brief bracht ik van verre
om zo uw zorgen te verlichten.
Haar onrecht is nu uitgewist,
weer thuisgekeerd zij zij gezegend!

Ik genoot uw gastvrij onthaal,
dankbaar ben ik voor dit maal.
Mijn woning wacht stil en verlaten,
ik kan niet langer blijven.
Nu ik afscheid wens te nemen
word ik door droefheid overmand.
Toen hij was uitgezongen werd hij door allen toegejuicht. De vorst van Dongting pakte daarop een doos van groen jade gevuld met watersplijtende rinoceroshoorn, de heer van. Qiantang pakte op zijn beurt een schaal van rode agaat gevuld met 's nachts schijnende parels, en beiden stonden op om deze geschenken aan te bieden aan Liu Yi, die ze na de nodige tegenwerpingen accepteerde. De vrouwelijke familieleden wierpen daarna witte en bonte zijde, parels en sieraden van jade voor Liu Yi: de giften stapelden zich op zodat hij er in een oogwenk door werd bedolven! Lachend keek Liu Yi nu naar deze, dan naar gene zijde en betuigde onophoudelijk zijn dank. Eerst toen de feestvreugde door de wijn het hoogtepunt had bereikt verontschuldigde hij zich en stond op om weer te overnachten in de Hal van het Gestolde Licht.

De volgende dag werd hij opnieuw onthaald op een feestmaal, nu in het Paviljoen van het Klare Licht. Qiantang was onder invloed van de wijn, hij trok een gezicht, en op zijn hurken zei hij tegen Liu Yi: "Kent u niet de zegswijze: "Een harde steen kan worden gebroken maar niet worden opgerold, een nobel man kan worden gedood maar niet worden vernederd"? In mijn onverstand zou ik u mijn diepste wens willen voorleggen. Als u haar inwilligt zijn wij tot de hoogste hemel verheven, als u haar niet inwilligt zijn wij in slijk en drek geworpen. Mag ik zo vrij zijn?" Op Liu Yi's. antwoord: "Spreek vrijuit," zei Qiantang: "De bruid van Jingyang is de beminde dochter van de vorst van Dongting. Om haar reine aard en schone voorkomen wordt zij door alle verwanten geacht. Ongelukkigerwijze werd zij vernederd door die schurk maar die band is verbroken. Wij zouden haar nu aan u willen toevertrouwen zodat de beide families van geslacht op geslacht door het huwelijk zullen zijn verbonden. Zodoende zou zij die uw weldaad ondervond weten waar haar bestemming is, zou zij die liefde voor u koestert weten aan wie zich toe te vertrouwen. Hoe zou het niet de weg van een heer zijn om te voltooien wat aangevangen is?"

Liu Yi stond ernstig op, lachte honend, en zei: "Waarlijk, ik wist niet dat de vorst van Qiantang zo stornpzinnig is! Eerst hoorde ik dat u door de negen gouwen te overschrijden en de Vijf Markbergen te omvatten uw toorn en woede luchtte, daarna zag ik dat u de gouden/ketting brak en de pilaar van jade losrukte om haar die in nood verkeerde te hulp te snellen, en ik meende dat niemand uw gelijke was in onverzettelijke vastberadenheid en verstandige rechtschapenheid. Het karakter van een echte kerel is echter dat hij de dood niet ontwijkt wanneer men hem aanrandt maar dat hij zijn leven offert wanneer men zich aan hem verplicht. Hoe is het mogelijk dat u, terwijl pijpen en fluiten zich mengen en verwanten en gasten in harmonie samen zijn, zich niet bekommert om de juiste weg en mij door uw macht wilt dwingen? Hoe zou dit mijn hoop zijn geweest! Zo u mij in geweldige baren of tussen duistere bergen, met uw schubben en snorharen recht overeind, en gehuld in wolken en regen, zou bedreigen met de dood, dan zou ik u zonder enige spijt beschouwen als een wild dier. Maar nu gaat uw lichaam gehuld in gewaad en kap, en aangezeten spreekt u van riten en rechtvaardigheid: u kent de juiste gevoelens van de vijf normen volledig en houdt zich aan de diepere strekking van de honderd handelswijzen! Zelfs de wijste helden uit de wereld der mensen doen wellicht voor u onder, hoeveel temeer de levende wezens in rivieren en stromen! Desalniettemin wilt u met uw grove lijf en felle aard, dronken van wijn en woede veinzend, mij bedreigen! Hoe zou dat recht zijn? Welaan, mijn lichaam zij onvoldoende om één schub van uwe majesteit te bedekken maar ik durf door mijn onbuigzame hart te zegevieren over uw ongeoorloofde drift. Moge uwe majesteit dit wel overwegen!"

Qiantang bood daarop beduusd zijn verontschuldigingen aan: "Ik ben geboren en getogen ten paleize, nooit hoorde ik juiste vertogen. Zoëven was ik in mijn woorden onbesuisd en heb ik u gebruskeerd. Nu ik mijn daad aan uw beschouwing onderwerp, is mijn misdrijf onvergeeflijk! Moge u zo goed zijn hierdoor geen verwijdering te laten ontstaan."

Die avond kwam men weer voor een feestmaal bijeen, en dezelfde dansen werden uitgevoerd als de vorige keer. Liu Yi en Qiantang werden vervolgens de beste vrienden.

De dag daarop nam Liu Yi afscheid. De gemalin van de vorst van Dongting bood Liu Yi een afscheidsmaal aan in de Hal van het Verzonken Schijnsel. Iedereen, mannen en vrouwen, knechten en meiden, verscheen om daaraan deel te nemen. De vorstin zei in tranen tegen Liu Yi: "Ons vlees en bloed ondervond uw grote weldaad maar tot haar spijt kan zij haar beschaamde erkentelijkheid niet ontvouwen en is het moment van scheiding aangebroken." En ze liet de voormalige vrouw van Jingyan een buiging maken voor Liu Yi om haar dank te betuigen.

De vorstin zei." - "Hoe kunnen wij na dit afscheid u ooit opnieuw ontmoeten?" Liu Yi had weliswaar aanvankelijk het verzoek van Qiantang niet ingewilligd maar tijdens dit maal toonde hij door zijn zuchten onmiskenbaar zijn spijt. Toen het feestmaal ten einde was en men afscheid nam was iedereen in het paleis terneergeslagen. De schatten en kostbaarheden die Liu Yi waren geschonken waren zo uitzonderlijk dat ze zich niet laten opsommen. Via de weg waarlangs hij was gekomen keerde Liu Yi terug naar de oever van de rivier en hij zag daar meer dan tien dragers die hem met zakken aan hun pikolans volgden tot aan zijn woning en toen pas vertrokken.

Liu Yi reisde daarop naar de juweliers van Guangling. Voor hij ook maar een honderdste van de hand had gëdaan had hij al meer dan een miljoen in geld en de rijkste families uit Huaiyou achtten hem zeer hoog. Vervolgens trad hij in het huwelijk met een dochter uit de Zhangfamilie, maar zij overleed. Hij trad opnieuw in het huw.elijk, met een dochter uit de Hanfamilie. Na enkele maanden overleed ook vrouwe Han. Hij verhuisde naar Jinling. Steeds droevig gestemd door zijn eenzaamheid zocht hij bij gelegenheid een nieuwe gade. Een huwelijksbemiddelaarster vertelde hem: "Er is een dochter uit de Lu-familie afkomstig uit Fanyang. Haar vader heet Hao en is magistraat geweest van Qingliu. In zijn levensavond beminde hij de Weg en alleen ging hij zwerven tussen wolken en bronnen zodat nu niemand weet waar hij zich ophoudt. Haar moeder heet vrouwe Zheng. Eerverlederl jaar trouwde ze met een zoon van de familie Zhang uit Qinghe, maar ongelukkig genoeg is deze jongeman al spoedig overleden. Omdat ze nog zo jong is, en bovendien zo schrander en schoon wil haar moeder voor haar een waardige partij vinden. Hoe dunkt zij u?" Liu Yi koos daarop een dag voor de huwelijksvoltrekking. De families van weerszijden waren beide machtige geslachten en alle giften waren van de grootst mogelijke weelde zodat alle heten van Jinling vervuld waren van verbazing. Toen ruim een maand later Liu Yi eens op een avond binnenkwam en zijn echtgenote aandachtig opnam, werd hij getroffen door haar gelijkenis met de drakendochter door haar overdadige pracht overtrof zij die nog. Hij vertelde haar daarop wat vroeger was gebeurd maar zijn echtgenote zei tegen hem: "Hoe zou zoiets ter wereld mogelijk zijn?"

Na ruim een jaar schonk ze het leven aan een zoon. Liu Yi achtte haar des te meer. Ruim een maand na de geboorte kleedde ze zich om in groot toilet en riep Liu Yi in haar boudoir waar zij lachend tegen hem zij: "Herinnert u zich mij niet van vroeger?" Liu Yi antwoordde: "Destijds waren wij niet door huwelijk verbonden, hoe zou ik me u van vroeger kunnen herinneren?" Zijn echtgenote zei: "Ik ben inderdaad de dochter van de vorst van Dongting. U zorgde ervoor dat het onrecht mij aangedaan door de Jing kon worden verholpen. Mij bewust van uw weldaad zwoer ik mijzelf de eed u dat te zullen vergelden. Maar toen het huwelijksvoorstel van mijn oom Qiantang geen gehoor vond werden wij gescheiden, elk aan een einde van de aarde en was contact onmogelijk. Mijn ouders wilden me uithuwelijken aan een snotaap van de Zhuojin. Daarop sloot ik mijn deur en schoor mijn haar af om te tonen dat ik weigerde. Ofschoon u mij verworpen had en ik niet mocht hopen u opnieuw te ontmoeten bleef ik tot in de dood onverzettelijk in mijn aanvankelijke streven. Daardoor geroerd wilden mijn ouders later u weer daarvan verwittigen, maar u trad herhaaldelijk in het huwelijk: eerst trad u in het huwelijk met vrouwe Zhang en later trad u opnieuw in het huwelijk met vrouwe Han. Toen vrouwe Zhang en vrouwe Han achtereenvolgens waren gestorven kwam u zich hier vestigen. Daarom waren mijn ouders verheugd dat ik erin slaagde mijn verlangens te verwezenlijken u uw weldaad te vergelden. Vandaag is me dan vergund u te dienen en ik zal u gezelschap bieden zolang ik leef nooit zal me dat berouwen!" Daarop begon ze te snikken en tranen dropen neer. Ze sprak tot Liu Yi: "Dat ik dit niet meteen vertelde was omdat ik weet dat u niet op uiterlijke schoonheid uit bent. Dat ik dit nu pas vertel is omdat ik weet dat u uw zoon bemint. Een vrouw is nietig en onbeduidend, zij is onvoldoende om eeuwige liefde te bepalen en te vergroten. Daarom maak ik gebruik van uw liefde voor uw zoon om mijn leven aan u toe te vertrouwen. Wat zijn uw gevoelens? Zorg en vrees beheersen mijn hart, ik ben niet in staat die zelf te verdrijven. Toen u mijn brief aannam zei u lachend tegen mij dat ik u niet moest ontlopen wanneer ik tezijnertijd naar Dongting zou zijn teruggekeerd. Dacht u destijds ik weet het waarlijk niet al aan de dag van vandaag? Toen mijn oom later het verzoek tot u richtte weigerde u het in te willigen. Vond u het echt ongepast of was het in een opwelling van woede? Vertelt u me dat eens."

Liu Yi antwoordde: "Dit lijkt wel voorbeschikt! Toen ik u voor het eerst zag aan de oever van de lange Jing, zo verdrukt en uitgemergeld, was ik waarlijk vervuld van verontwaardiging. Maar wat ik me heilig voornam was dat ik het u aangedane onrecht zou berichten, en verder ging het niet. Dat ik zei dat u me niet moest ontlopen ontsnapte me, ik had daar echt geen gedachten bij. Toen Qiantang mij met bedreigingen onder druk zette was het slechts de onjuistheid van zijn optreden die mijn woede wekte. Immers, mijn oorspronkelijke streven was om een nobele daad te verrichten, hoe zou het dan mogelijk zijn andermans vrouw te trouwen na haar man gedood te hebben? Dat was de eerste reden waarom het ongepast was. Altijd heb ik een edele handelswijze als mijn hoogste streven gezien, hoe zou het dan mogelijk zijn mijzelf geweld aan te doen om me te onderwerpen? Dat was de tweede reden waarom het ongepast was. En door mijn franke inborst diende ik hem ondoordacht van repliek, omdat ik slechts oog had voor wat recht was bekreunde ik mij niet om mogelijke gevolgen. Maar op de dag van het afscheid las ik van uw gelaat de genegenheid en speet het mij ten zeerste. Maar het protocol maakte het mij onmogelijk u dat te doen weten. Ach! Maar vandaag bent u vrouwe Lu, bovendien woonde u onder de mensen, zodat ik niet van mijn oorspronkelijke voornemen ben afgebracht. Van nu af aan zal ik u voor eeuwig in liefde dienen, zonder de minste bedenking!"

Diep ontroerd schreide zijn echtgenote daarop lange tijd onophoudelijk van vreugde. Na een poos zei zij tegen hem: "Beschouw me niet daarom als harteloos omdat ik tot een ander soort behoor, ik zal u dit zeker weten te vergoeden! De levensduur van de draak is tienduizend jaren, en samen met u zal ik daarvan genieten. Te water en te land kunnen wij gaan waar het ons zint. U gelooft me toch wel?"

Liu Yi prees haar met de woorden: "Ik wist niet dat een weergaloze schoonheid ook nog eens het lokmiddel tot onsterfelijkheid zou zijn!" Vervolgens gingen zij samen naar Dongting om hun opwachting te maken bij haar ouders. Daar aangekomen was de weelde van hun onthaal zo overdadig dat het onmogelijk is dat tot in bijzonderheden op te schrijven.

Later woonden ze in Nanhai, veertig jaar lang. Hun behuizing, hun equipage, hun spijzen, hun kleding zelfs de adellijke families konden hen niet overtreffen. Alle familieleden van Liu Yi deelden in zijn voorspoed. Met het klimmen der jaren bleef zijn uiterlijk onveranderd, tot verbazing van de mensen in Nanhai. Tijdens de regeringsperiode Kaiyuan (713-741) was de Keizer zeer geïnteresseerd in de zaken van onsterfelijkheid en speurde hij naarstig naar technieken van de Weg. Met Liu Yi's rust was het gedaan en daarom keerden zij samen terug naar Dongting. Meer dan tien jaren lang vernam niemand iets van hem.

In de laatste jaren van de regeringsperiode Kaiyuan was Liu Yi's neef Xue Gu magistraat van een hoofdstedelijk district. Hij werd gedegradeerd en benoemd op een post in het Zuidoosten. Toen hij over het Dongtingmeer voer zag hij op klaarlichte dag en bij ongehinderd zicht opeens uit verre golven een groene berg opdoemen. De bootlieden zeiden terugdeinzend: "Hier is geen berg, dat moet een watermonster zijn!" Terwijl ze stonden te wijzen en te kijken waren berg en boot elkaar genaderd. Daarop kwam een rijkversierde boot vanaf de berg op hen toe ijlen, van waaruit naar Xue Gu werd gevraagd. Een van de mensen aan boord riep hem toe: "Heer Liu verwacht u!" Xue Gu herinnerde zich hem nu helder en drong erop aan aan te leggen bij de berg en met opgeschort gewaad ging hij haastig aan land. Op de berg was een paleis als in de wereld der mensen, en hij zag Liu Yi staan in het midden van een vertrek: voor hem waren musici met snaar en blaasinstrumenten opgesteld, achter hem stonden meisje met parels en ijsvogelveren getooid, de weelde: van voorwerpen en kleinodiën overtrof in veelvoud die in de wereld der mensen. De zin van zijn woorden was des te dieper, zijn gelaatskleur was des te jonger.

Toen Liu Yi eerst bij de treden Xue Gu verwelkomde, greep hij hem bij de hand en zei: "Het is pas een ogenblik sinds ons afscheid en u bent al grijs geworden!" Xue Gu antwoordde lachend: "U bent een onsterfelijke, ik word witte beenderen: zo is het lot!" Liu Yi pakte daarop vijftig pillen en schonk die aan Xue Gu met de woorden: "Eén pil van dit medicijn vermeerdert uw levensduur met één jaar. Kom weerom wanneer het getal der jaren vervuld is. Blijf niet te lang in de wereld der mensen wonen om uzelf te kwellen." Na de beëindiging van een feestmaal nam Xue Gu afscheid en vertrok.

Van toen af aan heeft Liu Yi zich nooit meer laten zien. Xue Gu vertelde deze gebeurtenissen vaak aan anderen maar na vijftig jaar was ook hij verdwenen.

Schrijver dezes, Li Chaowei uit Longxi, verzucht: De leiders van de vijf diersoorten onderscheiden zich door hun intelligentie. Als mens behoort men tot de soort der naakten maar hij stelde zijn betrouwbaarheid in dienst van de soort geschubden. Dongting was grootmoedig, Qiantang was onverschrokken: ze zijn het waard te worden overgeleverd. Xue Gu zong hiervan maar tekende geen verslag op: hij mag slechts aan hun domein grenzen.


*   *   *

Het verhaal van Liu Yi Samenvatting
Een familiekroniek over de draken die heersen over de rivieren en meren van China: intriges, liefde, ontvoeringen en wraak met in de hoofdrol de jonge zedenmeester Liu Yi. Lees het verhaal

Toelichting
Alle rivieren en meren in China hebben een eigen draak als vorst. Deze vorsten zijn gehuwd en hebben kinderen die zij over en weer uithuwelijken, waardoor allerlei familiebanden ontstaan. In dit verhaal treden de vorsten van een aantal van de belangrijkste rivieren en meren van China op en hun karakter is steeds in overeenstemming met het water waarover zij heersen.

De rivier de Xiang stroomt van noord naar zuid door de huidige provincie Hunan. Ze mondt uit in het Dongtingmeer (een van de grootste binnenzeeën van Midden-China), dat op zijn beurt afwatert op de Lange Rivier (Yangzi jiang). Het stroomgebied van de Xiang maakte deel uit van de oude staat Chu.

De Jing is een belangrijke zijrivier van de Wei, zelfs een van de belangrijkste zijrivieren van de Gele Rivier. Het water van de Jing is altijd troebel door de grote hoeveelheid löss die worden meegevoerd. Het stroomgebied van de Jing en de Wei (in de huidige provincie Shaanxi) vormde het domein van de oude staat Qin.

De rivier de Qiantang, die bij Hangchow in zee stroomt, is sinds de oudheid beroemd vanwege de hoge springvloed in de monding van de rivier. De Zhuojin (de rivier voor het wassen van brokaat) is een zijrivier van de Lange Rivier in de huidige provincie Sichuan.

De hoofdstad van de Tang-dynastie was het op de zuidoever van de Wei gelegen Chang'an (het huidige Xi'an, in de provincie Shaanxi). Guangling is een andere benaming voor Yangzhou; gelegen vlakbij de kruising van de Lange Rivier en het Keizerskanaal was het een van de grootste handelscentra van het oude China. Jinling is Nanking geworden, Nanhai heet nu Kanton. Zoals uit deze verschillende plaatsnamen blijkt, strekt de handeling van 'Het verhaal van Liu Ji' zich uit over het gehele Chinese rijk, dat traditioneel verdeeld werd in 'negen gouwen'.

Het Epang-paleis werd gebouwd door de Eerste Keizer; spoedig na zijn dood in 210 v. Chr. werd dit uitgestrekte gebouwencomplex door opstandelingen in de as gelegd. Yao is een van China's heilige heersers uit een verre voortijd.

Over Li Chaowei, de auteur van dit kunstsprookje, is slechts bekend dat hij afkomstig was uit Noordwest-China en geleefd moet hebben omstreeks 800.

Uit: 'Een keuze van wondervehalen uit de Tang- en Song-dynastieën (Tang Song chuanqi xuan)' samengesteld door Zhang Youhe, Peking, Benin wenxue chubanshe, 1979, pp. 23-28.

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens. Verhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.

Herkomst: China
Verteltijd: ca. 50 min.
Leeftijd: vanaf 13 jaar

Lees ook