Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 11 min.
Herkomst:




Het witte eiland Een Groningse sage over een man die dode zielen overvaart

God schiep de eerste mens uit acht bestanddelen: zijn gebeente uit steen, zijn vlees uit aarde, zijn bloed uit water, zijn hart uit wind, zijn gedachten uit wolken, zijn zweet uit dauw, zijn lokken uit gras, zijn ogen uit de zon. Toen liet Hij Zijn adem uitgaan en zo ontstond de eerste mens, een man. Uit de rib van de man schiep Hij de vrouw, tot diens verlustiging.

Zo dachten zich de Friezen de schepping van de mensen. Maar waar komen de kleine kinderen vandaan? "Vanachter de dijk," (de zeedijk) zegt men wel tegen nieuwsgierige broertjes en zusjes die het naadje van de kous willen weten. Soms ook laat men de kleinen uit het veen halen, in een glazen wagen met twee schimmels ervoor. Of ze komen onder een dikke kei vandaan, zoals de 'poppestien' in het Friese Bergum. In Amsterdam haalt men de kinderen, met een schuitje, van de overkant van het IJ, de Volewijk (Vogelenwijk), voorheen woest onbedijkt land van een vrij grote omvang, waar zij aan de wilgen hangen en luidkeels roepen:
Pluk mijn, pluk mijn -
Ik zal alle dagen zoet zijn!
Maar waar blijven nu de doden? Daarover gaat, reeds vanaf de zesde eeuw na Christus, een boeiend verhaal, dat langs onze hele kust min of meer bekend is, van Westkappel in Zeeland tot aan Baflo in Groningerland. Even over de huidige staatsgrens, in Oostfriesland, doet het wondere verhaal al evenzeer de ronde.

Daar woonde, lang gelegen, aan de Nesmerzijl, op de 'hörn' (hoek) tegenover het kleine eiland Baltrum, een visserman met vrouw en kinderen, helemaal op de ruimte. Hij zette fuiken in het diep voor aal of heek, en ook viste hij, door middel van 'haargen' (v-vormig vlechtwerk van rechtop staande takjes, twee centimeter van elkaar) buiten in het Wad op bot en haring, sneep en meivis. Zelfs waagde hij het met zijn kleine 'sloepje' zeewaarts te varen met het oog op de schelvis, die vroeger nog op zes vadem diepte voor de eilanden stond.

Ook als veerman op Baltrum of Norderney stond Jan Huigen altijd klaar, wanneer iemand wilde overvaren. Recht en slecht kwam hij zo met zijn volk door de tijd. Maar op den duur kreeg Huigen Jan er heel wat mee te stellen, wilde hij zijn gezin in leven houden, al ploeterden zijn vrouw Martje en hijzelf van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Het zou allemaal niets geholpen hebben, had Jan niet een welkome bijverdienste gehad, die zich maar eenmaal in het jaar voordeed.

Op de kortste dag van het jaar (21 december) werd, klokslag twaalf, de klink van de deur gelicht en een vreemdeling trad binnen, met afgemeten tred. Zo was het altijd geweest, reeds ten tijde van Jans vader en grootvader. De man was aan allen bekend en toch onbekend. Hij werd niet ouder en niet grijzer, hij bleef steeds dezelfde.

Hij leek van middelbare leeftijd, blozend en welgedaan, en niet te groot van postuur. Onder zijn driekante steek schitterden een paar kleine vurige ogen, waaraan niets ontging. In zijn rechterhand droeg hij een gele stok van Spaans riet met gouden knop en in zijn linkerhand een neusdoek van fijn batist. Aan zijn kledij te oordelen was hij een ouderwetse Hollandse koopman: hij droeg een bruine manteljas met veel kraagjes, die met een rij zilveren kogelknopen was gesloten. Daaronder bevonden zich een zwarte kuitbroek, een groene rok met gebloemd vest, witte flossen kousen en lage schoenen met grote gespen zo blinkeblank, alsof hun drager in een koets door de kleiwegen was gekomen en niet te voet.

Kort en bondig opende hij het gesprek: "Ben ik hier bij visser Jan Huigen?" Huigen Jan liet zich echter niet van het eten afhouden; hij kloof rustig verder aan zijn gebakken bot en deed of hij niets gehoord had. Martje, die manieren verstond, nodigde de vreemdeling uit plaats te nemen en een hapje mee te eten. Maar daar voelde de Hollander niet voor: hij was gekomen voor Jan en wilde graag een enkel woord met hem spreken.

Nu stond Jan op, veegde zijn handen aan zijn broek af en ging met de bezoeker een beetje achteraf zitten. En zo kwam het gesprek op gang.

"Wij hebben weer een lading van het afgelopen jaar te vervrachten; wilt u die naar het witte eiland overbrengen?"

"Ik voel niet zoveel voor een dergelijke vracht!" opperde Jan.

De koopman stelde hem gerust: "Wij moeten allemaal naar het witte eiland. Hoe groot is uw sloep?"

"Drie turflasten ongeveer," zei Jan.

"Dat maakt bij elkaar zo'n drieduizend zielen; dat zou goed uitkomen," meende de vreemdeling. "Wilt u het op u nemen?"

"Daar voel ik wel voor," zei Jan, "maar het ligt eraan wat het oplevert en wat ik ervoor doen moet."

"Als de maan morgen vol aan de hemel staat, lig dan klokslag twaalf aan de dijk onder zeil, met het takelwerk en alles in orde. Neem de lading in en vaar onder Baltrum door, de Akkumer Ee uit, over de Wendelzee. Voor het witte eiland wordt gelost en u ontvangt hoofd voor hoofd een wit!"

Jan, die winst zag in een dergelijke handel, stribbelde tegen. "Mijnheer, dat is te weinig," zei hij. "Zo'n nachtelijke tocht middenin de winter in volle zee is zeer gevaarlijk. Voor elke passagier moet u tenminste een kromstaart betalen! En dan bij vooruitbetaling!"

"Top!" zei de koopman. En toen sloegen Jan en de Hollander elkaar, alsof zij vee verkochten op de veemarkt, in de handen. Weldra lag het veergeld bij botjes en beetjes in de vensterbank en Martje borg het zorgvuldig weg in het kabinet. Nog eenmaal scherpte de koopman het geweten van Jan en hij ging welgemoed heen, lichtvoetiger dan men van iemand van zijn jaren en zijn waardigheid zou verwachten.

De volgende nacht - het was volle maan en helder van sterren - lag Jan met zijn sloepje op de afgesproken tijd onderaan de dijk. De zee was zo glad als een spiegel en heel zachtjes wiegelde het scheepje heen en weer. Maar nu schoven er wolken voor de maan en het werd aardedonker. Geleidelijk zonk de boot dieper en dieper, het water stond ten slotte nog maar een handbreedte onder de boordrand. De schipper stelde vast, dat hij zijn lading goed gestuwd had en stiet van wal. In het donker kon hij nauwelijks iets anders onderscheiden dan af en toe witte strepen als van nevel die in elkaar vloeit. Het enige dat hij hoorde was vreemd gefluister, als van muizen die door het stro ritselen.

Het schip ijlde voort, alsof het door onzichtbare handen werd gedragen, hoewel het bijna windstil was. Zonder averij belandde het voor het witte eiland - de overtocht die anders een etmaal vereist, had nog geen uur geduurd.

Het was huiveringwekkend stil op het witte eiland, waar geen vogel zingt en geen halmpje groeit. Jan Huigen streek de zeilen en legde de loopplank uit. En dan hoort hij opeens de schrille en aamborstige stem van de oude Hollandse koopman, die op monotone wijze namen afleest en daarbij onzichtbaar blijft. Namen van mensen die in het afgelopen jaar zijn overleden, ook uit de naaste omgeving. Hij leest hun eigen namen en die van hun vader, bij vrouwen ook de naam van de man. Telkens als hij een naam afroept, rijst de sloep een eindje hoger. Toen de litanie was volbracht danste hij op de golven, zo licht als een veertje. Opeens hulde het eiland zich in een dichte nevel en de zielenmakelaar was even onverwacht verdwenen als hij was verschenen.

De terugreis verliep nog veel sneller dan de heenreis: voor de dageraad was Jan bij vrouw en kinderen weerom. Hij had zijn jaarlijks werk weer achter de rug. Zo kon hij blijven wonen, dankzij de goede betaling, op de eenzame plek die hem lief was.


*   *   *

Het witte eiland Samenvatting
Een Groningse sage over een man die dode zielen overvaart. Elk jaar op de kortste dag van het jaar (21 december) komt er bij een visser een vreemdeling, die hem vraagt de dode zielen van het afgelopen jaar naar het witte eiland over te zetten. Lees het verhaal

Toelichting
Als Oostfriese sage voor het eerst bij Heinrich Heine, Die Götter im Exil, 1853. Deze versie (als Groninger volksoverlevering) opgevangen door mevrouw E.J. Huizenga-Onnekes, o.a. in K. ter Laan, Middeleeuwse legenden uit Groningerland, Amsterdam, 1949, blz. 13-15.

Al in de zesde eeuw vermeldt Procopius (in zijn boek over de Gotische oorlogen) voor onze kusten de zielenovervaart naar Britia, waarschijnlijk vanuit Domburg, een centrum van de Nehalennia-cultus, die ook een aspect van dodenritueel heeft gehad.

De zielenovervaart is vanouds bij vele volkeren te vinden, van Bretagne tot Oceanië en Groenland. Denk aan Charon, die de zielen - hem door Hermes toevertrouwd - voor een obool over de Styx brengt.

Trefwoorden

Feest / viering

Verhaalsoort

Bron
"Volksverhalen uit Noord- en Zuid-Nederland" bijeengebracht en toegelicht door dr. Tjaard W.R. de Haan. Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1979. ISBN: 90-274-1009-7

Herkomst: Groningen
Verteltijd: ca. 11 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook