Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 27 min.
Herkomst:

Hoe een oude man de bomen liet bloeien Een verhaal uit Japan over vriendelijkheid en hebzucht

Langs de voet van een berg stroomde een smalle rivier. En heel lang geleden woonden daar twee buren. De hut van de ene man stond stroomafwaarts, de andere woonde stroomopwaarts. Daarom hadden de mensen hen altijd zonder meer Opwaarts en Afwaarts genoemd. Zij en hun vrouwen waren al een dagje ouder en het enige onderscheid tussen hen was: dat buurman Opwaarts een nogal ongemakkelijke, soms zelfs boosaardige man was, terwijl Afwaarts iedereen vriendelijk tegemoet trad en desnoods zijn laatste rijstkorrels aan een ander afstond.

Eens hingen de beide mannen hun visfuiken in de rivier. De volgende dag ging Opwaarts al voor dag en dauw kijken, zo was hij in spanning over de grootte van de vangst. Maar tot zijn verbazing was de fuik tot bovenaan gevuld met aangespoelde boomwortels en takken. Nieuwsgierig als hij was, had hij geen rust voordat hij wist of zijn buurman dezelfde pech had. Maar vreemd genoeg was diens fuik vol met vis! Woedend liet hij alle vissen wegzwemmen en laadde de fuik vol met zijn eigen vangst van wortels en takken.

Toen de zon al stralend aan de hemel stond, ging Afwaarts ook eens naar zijn fuik kijken. Hij zag de vreemde vangst, maar maakte zich niet druk. Nu hoefde hij immers niet naar het bos om zelf te hakken! Hij haalde alles uit het water en legde het in de warme zon te drogen.

Toen alles droog was, greep de oude zijn bijl en begon te hakken. De eerste was een buitengewoon harde en grillig gevormde wilgenwortel. Maar het is niet eenvoudig om zo'n wortel klein te hakken en je hebt er veel kracht voor nodig! Hij legde hem op het hakblok en vroeg zich af hoe hij het best beginnen kon. Maar vreemd, nauwelijks had de bijl de wortel geraakt of deze viel vanzelf in twee stukken. En wat nog vreemder was, er sprong een alleraardigst hondje uit! De man kon zijn ogen niet geloven. Maar het was werkelijk een echt, levend hondje, dat zachtjes blafte. Luid riep hij zijn vrouw, om haar het wonder te laten zien en toen het oudje het erf op kwam, nieuwsgierig naar wat haar man gevonden zou hebben, zei hij: "Kijk nu eens wat daarnet uit deze wortel geboren is? Een hondje! Wat moeten wij daarmee doen?"

"O, wat een lief diertje," riep de oude vrouw verrukt uit. "Wij zullen het grootbrengen. Kinderen hebben wij niet en nu is er tenminste een hondje dat wij kunnen verzorgen." En zij nam het op haar arm, droeg het voorzichtig naar binnen en gaf het een maal van heerlijke gerstballetjes.

Het hondje bleef dus bij de oudjes en het had het niet slecht. Van al hun eenvoudige maaltijden kreeg hij de helft en zo groeide hij al spoedig op tot een mooie, grote hond! Hij had een glanzend wit vel en een paar moedige, heldere ogen in zijn kop.

Op een morgen, toen de man naar het land wilde gaan, sprong de hond tegen hem op en zei met een menselijke stem: "Vadertje, vadertje, ga vandaag toch niet naar het land. Bind mij maar een grote mand op mijn rug en volg mij dan het bos in."

De man was zeer verbaasd en riep dadelijk zijn oudje erbij. "Hoor je dat, vrouw, ons hondje kan spreken! Ik moet met hem mee, het bos in."

"Wel, dan zal ik je een stevig ontbijt meegeven," antwoordde zijn vrouw en zij liep vlug de hut binnen om een flinke hoeveelheid rijstballetjes in zijn zak te stoppen. De oude man bond een grote mand op de hondenrug, nam zelf de bijl, een schop en de zak met het ontbijt en zij vertrokken.

Na een poosje stond de hond ineens stil en zei: "Vadertje, vadertje, leg die bijl en de schop en de zak toch in mijn mand, dan kan ik ze dragen!"

"Het is lief van je, mijn diertje, dat je mij helpen wilt," antwoordde de oude, "maar dat is heus te zwaar voor je."

"Kom vadertje, ik ben toch een flinke hond en omdat U mij zo uitstekend gevoed hebt, ben ik zo sterk als vier andere honden. Leg maar gerust alle spullen in de mand!"

Toen zij aan de rand van het bos kwamen, wilde de man even rusten. Hij haalde het ontbijt uit de zak en deelde de rijstballetjes netjes met de hond. Toen zij gegeten hadden en een beetje uitgerust waren, trokken ze weer verder.

De hond leidde de oude man langs smalle paadjes steeds bergopwaarts. Halverwege de tocht was de man echter zo vermoeid, dat hij zijn voeten bijna niet meer kon verzetten en ze maar langzaam vooruit kwamen. Opnieuw bleef de hond staan en opperde: "Vadertje, vadertje, ga toch op mijn rug zitten, dan zal ik je dragen!"

"Hoe kom je daarbij, m'n diertje, ik ben veel te zwaar en zou je ruggengraat breken!" schrok de oude.

"Ach kom, vadertje, ik ben toch een flinke, sterke hond? Door al die maaltijden heb ik kracht voor drie. Ga maar vlug op mijn rug zitten, dan zijn we gauw waar we wezen moeten."

Nu was de oude man werkelijk heel moe. Daarom ging hij tenslotte toch maar op de hondenrug zitten, hield zich vast aan de mand en de hond ging er zo kwiek van door, alsof zijn vrachtje vederlicht was.

Na een poosje kwamen zij boven op de berg bij een open weide. De hond keek aandachtig om zich heen, besnuffelde de ene boom na de andere, krabbelde in de aarde... en bleef plotseling onder een hoge ahorn staan. "Vadertje, vadertje," riep hij opgewonden, "neem je schop eens en begin op deze plek te graven."

De oude man deed het en het duurde niet lang of de schop stuitte op iets hards. Voorzichtig groef de oude verder, wierp de aarde buiten het gat en zag plotseling een grote kruik, gevuld met goudstukken!

Dat was een verrassing! Dankbaar streelde hij zijn hond. Nu hoefden zij immers tot aan het eind van hun levensdagen geen zorgen meer te hebben! Hij zette de kruik met de goudstukken in de mand, legde de schop er bij en liep toen vrolijk, naast de hond, naar huis. Ook zijn oudje was buiten zichzelf van vreugde. En het eerste wat zij deed was een heerlijk maal klaarmaken, dat haar man en de hond na zo'n vermoeiende dag wel nodig hadden! Intussen schudde de man de goudstukken op zijn slaapmat en begon ze te tellen.

Hij telde en telde en was nog lang niet klaar, toen de vrouw van buurman aanklopte om een paar gloeiende houtskooltjes te lenen. Zodra zij de indrukwekkende berg goudstukken zag, begonnen haar ogen te glinsteren van hebzucht en, hakkelend van zenuwachtigheid, vroeg zij de oudjes hoe ze aan zóveel geld kwamen.

Waarheidsgetrouw vertelde de man haar hoe de hond hem hieraan geholpen had. En nauwelijks had hij het verhaal over de schat beëindigd, of buurvrouw rende weg om haar man alles heet van de naald te vertellen.

"Dat noemen ze geluk hebben!" eindigde zij met een zucht. "Ga maar vlug naar buurman toe en vraag voor één dag die hond te leen. Dan kan het beest jou ook zo'n geweldige schat aanwijzen."

"Dat is een goed idee," prees haar man. En de volgende dag al ging hij met zijn buurman een praatje maken. Toen hij een tijdje later met de hond thuiskwam, riep hij opgewonden tegen zijn vrouw: "Pak vlug wat rijstballetjes in m'n tas, ik ga naar het bos!" En hij zocht een mand, een eind touw en een schop.

Daar kwam de hond naar hem toegewandeld en zei: "U moet vandaag niet naar het bos gaan, oude heer!"

"Zeg, waarom dacht je dan dat ik jou gehaald heb?" antwoordde Opwaarts boos. "Natuurlijk gaan we naar het bos!" En hij bond de mand op de hondenrug, legde de schop erin, ging er ongevraagd zelf bij zitten en riep: "Vooruit, lopen! Anders gaat er teveel tijd verloren."

De hond sloeg dezelfde weg in als de vorige dag, maar het duurde Opwaarts allemaal veel te lang en daarom stak hij, uit verveling, het ene rijstballetje na het andere in zijn mond. Intussen dreef hij de hond tot steeds grotere spoed aan, zonder hem één rijstballetje te geven. Toen zij aan de bosrand gekomen waren, bleef de hond staan. De buurman sprong op de grond, keek rond en vroeg toen ongeduldig waar hij nu eigenlijk moest graven. Maar de hond zweeg in alle talen. Nu liep de buurman van de ene boom naar de andere en vroeg opstandig: "Nu, vooruit, waar moet ik graven? Onder deze boom, onder die?" Totdat de hond tenslotte antwoordde: "Goed, graaf maar onder die daar."

Opwaarts pakte de schop en begon als een dwaas te graven. En werkelijk, al gauw stootte hij op iets hards! Maar wat haalde hij omhoog? Een aarden pot vol afval!

Nu werd Opwaarts razend. "Gemeen beest, wat verbeeld jij je wel? Dacht je mij te kunnen bedriegen? Wacht maar, dat zullen we je gauw afleren," schreeuwde hij en hij pakte de schop en sloeg het beest er links en rechts mee om de kop. Daarna keerde hij terug naar huis, alsof er niets gebeurd was.

De volgende dag kwam Afwaarts zonder iets kwaads te vermoeden zijn hond terughalen. Maar Opwaarts schold: "Dat eigenwijze beest ligt aan de bosrand. Hij had me bedrogen en toen heb ik hem dood geslagen."

Met tranen in de ogen ging Afwaarts naar de bosrand. Hij droeg de dode hond naar huis, begroef hem aan de oever van de rivier en stak op die plek een mooie, lange wilgentak in de aarde.

Van nu af gingen Afwaarts en zijn vrouw dagelijks naar het graf aan de rivier en treurden om hun geliefde hond. En op een keer zagen zij tot hun verbazing dat de wilgentak wortel had geschoten, snel omhoog groeide... en binnen het jaar stond er een prachtige wilgenboom op het graf.

Op een warme herfstdag zat de oude man, als zo dikwijls, onder de wilg. Hij keek uit over de rivier en dacht aan zijn lieve, witte hond. Boven hem ruiste de wind door de wilgenblaadjes, zijn hoofd zonk op zijn borst en hij dommelde in. Het slaapje duurde niet lang, doch hij had een merkwaardige droom. Het hondje was verschenen en het zei: "Vadertje, vadertje, doe wat ik nu ga zeggen: zaag deze wilgenboom door en maak uit het mooiste stuk van zijn hout een mortier voor het rijstpellen." Na deze woorden verdween de hond en de oude werd wakker. Vlug liep hij naar zijn vrouw.

"Luister nu toch eens, wat ik gedroomd heb! Onze hond verscheen om mij te vertellen dat ik de wilg moet vellen en uit het mooiste stuk hout een mortier kan maken voor het rijstpellen!"

"Als de hond dat wenst, moet je het doen," zei de vrouw. "Dan hebben wij tenminste ook een aandenken aan het lieve dier."

De oude hakte de boom om, zaagde het mooiste stuk eruit en maakte daarvan een pracht van een mortier. En toen deze klaar was bracht hij hem naar de keuken. De vrouw schudde er vlug een beetje van de weinige rijst, die zij in dat jaar geoogst hadden, in, greep de stamper en ging aan het werk. Maar wat gebeurde er? Na de eerste stoot was het maatje rijst verdubbeld, na de tweede waren het er vier, na de derde acht en dat ging zo maar door tot de rijst over de rand van de mortier stroomde en de vloer van de keuken bedekte! Afwaarts en zijn oudje dansten van plezier in de rondte. Nu hadden zij rijst genoeg voor de hele winter!

Juist waren zij bezig om de rijst in zakken te doen, toen de vrouw van Opwaarts aanklopte voor een paar stukjes gloeiende houtskool. Verbaasd keek zij naar die overdaad van prachtige rijst en vroeg natuurlijk waar die wonderbare oogst vandaan kwam. En de oudjes vertelden bereidwillig over de betoverde mortier, die de man, op aandrang van zijn hond, uit het wilgenhout gesneden had. Nog voordat zij waren uitgesproken rende de buurvrouw, vergetend waarvoor zij eigenlijk gekomen was, naar haar man.

"Wij kunnen ook best zo'n geweldige rijstvoorraad voor de winter gebruiken," besloot zij hijgend. "Morgen ga je direct die mortier lenen en dan stampen wij nog veel meer rijst tevoorschijn. Misschien wel een schuur vol!"

De volgende ochtend ging Opwaarts naar zijn buurman en deze leende hem gewillig de grote mortier. Opwaarts plaatste hem thuis voor zijn schuur, zijn vrouw schudde een maatje rijst erin en begon te stampen. Maar na één beweging lag er nog maar de helft van de rijst in de mortier, bij de tweede een vierde deel, bij de derde een achtste en als de buurvrouw niet vlug had opgehouden, was er nog maar één rijstkorrel overgebleven.

Woedend greep Opwaarts zijn bijl, hakte de prachtige mortier aan stukken en verbrandde die.

De volgende ochtend kwam Afwaarts zijn mortier terughalen, maar zijn buurman zei: "Dat was een bedrieglijk ding! Hij heeft me bestolen en voor straf heb ik hem in elkaar gehakt en verbrand!"

"O, wat verschrikkelijk," riep Afwaarts uit. "Die mortier was een herinnering aan onze lieve hond. Heb je misschien wat as bewaard? Die neem ik dan als aandenken mee."

"Ga je gang," zei de buurman grimmig en hij wees op een hoop as, "dat scheelt mij weer in het werk."

Afwaarts trok zijn jas uit, vulde hem met de grauwe as en droeg het vrachtje voorzichtig naar huis. Hij liep juist zijn tuin in, toen plotseling de wind opstak en een deel van de as in alle richtingen verstrooide. Eerst vloog het meeste omhoog, om daarna langzaam op de bomen in de tuin neer te dalen. En ziet, op hetzelfde ogenblik stonden die in volle bloei, terwijl ze een ogenblik geleden nog met hun kale herfsttakken naar de hemel hadden gereikt.

Afwaarts keek sprakeloos om zich heen en riep toen luid naar zijn vrouw: "Kijk toch, m'n oudje, met de as van onze tovermortier heb ik de bomen bloesems gegeven!" Deze keek zielsgelukkig omhoog en opperde plotseling: "Man, deze pracht moet onze koning zien! Je weet toch hoeveel hij houdt van de bloeiende Sakura-kersenboom? Ga naar zijn tuin en geef daar de bomen bloesems. Dan zul je zijn blijdschap eens zien!"

Afwaarts voelde daar wel voor. Hij schudde de rest van de as in een linnen zakje en ging op weg naar de koninklijke tuin. Daar klom hij stilletjes in een boom en wachtte tot de vorst langs zou komen. Hij was er juist op het goede ogenblik, want even later hoorde hij vrolijke stemmen. De vorst reed uit met zijn gevolg! Toen de rijders de boom genaderd waren, ontdekte de vorst het oudje en vroeg hem wat hij daar uitvoerde. Afwaarts boog eerbiedig en zei. "Ik ben de oude man die bomen kan laten bloeien. Wanneer U het wenst, edele vorst, wordt Uw kale tuin een zee van bloemen!"

"Kom, hoe kun je in de herfst een boom laten bloeien?" lachte de vorst verbaasd. "Maar als het mogelijk is, doe het dan. Ik kan je niet zeggen hoe ik verlang naar de bloesems van de Sakura."

Nu opende de oude het zakje, nam er een handvol as uit en strooide die om zich heen. Op hetzelfde ogenblik stond de boom in bloei!

"Ach," zuchtte de vorst verrukt en ineens begon hij luid te jubelen van vreugde. Afwaarts strooide de as naar alle richtingen en het duurde niet lang of de hele tuin bloeide in volle pracht.

"Dat is werkelijk ongelofelijk!" prees de vorst. "Je hebt mij bijzonder gelukkig gemaakt, oude man. Als beloning mag je vorstelijk gekleed gaan." Hij wenkte een van zijn dienaren en gelaste hem de oude man naar de vorstelijke kleedkamer te brengen. "Daar vind je kimono's van de zwaarste zijde en in alle kleuren. Ook die van de wonderbare kersenbloesem!" En weer keek hij zielsblij om zich heen. "Kies zelf maar uit." Hij knikte de oude vriendelijk toe en reed verder.

Deze koos een schitterende, wijde, blauwe kimono en herkende zichzelf niet meer. En zoveel stof zit er aan, dacht hij verheugd, dat mijn oudje ook een kimono kan maken.

Bij zijn hut ontmoette hij de vrouw van buurman Opwaarts, die weer eens een paar stukjes houtskool kwam halen. Stomverbaasd bekeek zij het vorstelijke gewaad, waarin Afwaarts gehuld was. En natuurlijk wilde zij direct weten hoe hij daaraan gekomen was. De oude vertelde haar vriendelijk dat dit het geschenk was van de vorst, omdat hij, met wat as van de verbrande mortier, diens kale kersentuin in bloei gezet had. Vervuld van nijd en afgunst vergat de buurvrouw de kooltjes, die zij zo nodig had, ijlde naar huis en vertelde haar man opgewonden welk buitenkansje de buren nu weer hadden.

"Wij hebben toch genoeg as van die mortier over," ontdekte ze ineens, "neem die mee naar de tuin van de vorstin. Als je haar perzikbomen in bloei zet, zal zij je misschien nog veel mooiere kleren schenken!"

Opwaarts vulde een zak met as, liep naar de tuin van de vorstin en klom daar in de hoogste boom. Geduldig wachtte hij tot de vorstin zich vertonen zou. En ja, daar verliet zij met haar hofdames het paleis. In de tuin gekomen ontdekte zij al gauw de oude man in de kruin van haar wijdvertakte perzikboom en vroeg hem wat hij daar uitvoerde.

De man deed een greep in zijn zak en riep vanuit de hoogte: "Ik ben de oude man die bomen kan laten bloeien! Voor een stel mooie kleren zal ik alle bomen hier bloesems geven."

De daad bij het woord voegend strooide hij met volle handen de as om zich heen. Maar de perzikboom bleef kaal en de hofdames vluchtten voor de vieze grauwe as, die op haar neerdaalde. En tot overmaat van ellende vloog er een korreltje as in het oog van de koningin! Zij huilde hardop van schrik en pijn en de hofdames riepen woedend naar boven: "Hoe durf je onze geliefde vorstin te laten schrikken en je hebt haar ook pijn gedaan!"

Zij haalden twee sterke knechten, die de oude man grepen en in de gevangenis wierpen. En als de vorstin de boosdoener geen gratie heeft gegeven, zit hij daar vandaag nog!


*   *   *

Hoe een oude man de bomen liet bloeien Samenvatting
Een verhaal uit Japan over vriendelijkheid en hebzucht. Bij een rivier wonen twee buren; boosaardige Opwaarts en vriendelijke Afwaarts. Een bijzondere hond helpt Afwaarts uit zijn armoede, maar Opwaarts is hebzuchtig en hij wordt gestraft voor zijn slechte gedrag. Lees het verhaal

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Japanse sprookjes" bewerkt door Marijke van Raephorst. Uitgeverij N. Kluwer, Deventer, 1971.

Herkomst: Japan
Verteltijd: ca. 27 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook