Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 8 min.
Herkomst:

Hoe een vader zijn zoons verrijkte

Een man had drie zoons. Zelf was hij vlijtig en ordelievend. Nooit liet hij zijn werk in de steek. Hij werkte van 's morgens vroeg tot 's avonds laat en stond met al zijn buren op goede voet. Maar zijn drie zoons waren flink uit de kluiten gewassen luilakken. Ze lieten hun vader ploeteren op het veld en in de moestuin, ja zelfs in huis lieten ze hem al het werk doen, terwijl ze zelf in de schaduw van een boom zaten te wauwelen of ze namen hun hengels en gingen vissen in de rivier de Dnjestr die vlakbij hun huis stroomde.

"Waarom werken jullie nooit?" vroegen de buren. "Waarom helpen jullie je vader niet?"

"Waarom zouden we?" antwoordden de zoons. "Vader kan het wel alleen af. Hij werkt namens ons allen!"

De zoons werden volwassen. De vader werd oud en der dagen zat. Hij werkte niet meer zo vlot als vroeger. De moestuin raakte in een verwaarloosde toestand. Op het veld stond het onkruid manshoog. De zoons zagen het wel, maar ze deden er niets aan.

"Jongens, wat zitten jullie daar duimen te draaien," zei de vader. "Zolang ik me sterk voelde, heb ik er nooit iets van gezegd. Maar ik ben nu oud en het wordt jullie beurt om de handen uit de mouwen te steken."

"Werken kunnen we altijd nog!" antwoordden de drie zoons.

Het trof de vader als een slag, dat zijn zoons zulke luie lummels waren geworden. Van ellende werd hij ziek en bedlegerig. Zijn gezondheid werd steeds minder en ook de moestuin en de velden verslechterden zienderogen. Het huis werd ingesloten door muren van brandnetels en onkruid. De oude man riep zijn zoons bij zijn bed en vroeg hen: "Jongens, hoe moet het gaan als ik er niet meer ben? Werken willen jullie niet en kunnen jullie niet. Wat dan?"

De drie jongens stonden met hun mond vol tanden en hun handen in hun zakken.

"Vader, voor je van ons gaat, geef ons nog een laatste raad," zei de oudste zoon, die in zijn vrije tijd een beetje had leren rijmen.

"Ik zal jullie een geheim verklappen," antwoordde de vader. "Jullie weten dat jullie moeder en ik altijd erg hard gewerkt hebben. Maar wat jullie niet weten: op een keer vonden we in de grond een pot vol goudstukken. Die hebben we weer toegedekt met aarde, voor het geval de nood aan de man zou komen. Jammer genoeg zijn we daarna vergeten op welke plaats we de pot met goudstukken onder de grond hebben begraven. Het is ergens in de buurt van het huis, maar waar precies dat weet ik echt niet meer..."

Meer zei de vader niet voor hij stierf. De zoons begroeven hun vader en waren diep bedroefd. Een paar dagen na de begrafenis zei de oudste zoon:
"Jongens, we hebben geen geld meer om te betalen
wat we bij onze buren halen,
en dat nog wel, terwijl de goudstukken hier onder de grond zitten!
Jongens, het is tijd geworden om te spitten!"
De broers haalden drie spaden uit de schuur en begonnen puffend en hijgend te spitten. De pot met goud vonden ze echter niet. Toen zei de oudste broer:
"We moeten niet zomaar lukraak graven,
we moeten het land verdelen in vakken
en ieder vak nemen we dan geducht te pakken!
Op die manier vinden we de goede gaven!"
De drie broers begonnen opnieuw te spitten. Nu vergaten ze geen vakje of stukje van het land dat vroeger door hun vader bewerkt was. Maar de pot met goudstukken vonden ze niet.

De oudste broer zei:
"Al loopt het zweet ook van mijn kop,
ik geef het spitten nog niet op!
Al voel ik in mijn rug het spit,
ik graaf zo diep als het goud ook zit!"
De andere twee waren ook dit met hem eens. Ze hadden er alles voor over om de pot met goudstukken te vinden.

Zowaar raakte de spade van de oudste broer op de zevende dag nadat ze met het spitten begonnen waren - ze werkten zelfs op zondag door! - een hard voorwerp. Hij riep blij:
"Jongens, het werken kan worden gestaakt!
Ik heb de pot met goud geraakt!"
Dat viel echter bitter tegen. Want wat groef hij op? Geen pot met goud maar een enorme kei. Die torsten de drie broers naar een greppel buiten het land van hun vader. Steeds ijveriger woelden ze met hun spaden de grond om. Ze werkten zonder ophouden tot het land vruchtbaar en open onder de hemel lag. De pot met goud bleef echter onvindbaar.

De oudste broer zei:
"Verder zoeken heeft geen zin!
Die pot zit te diep of hij zit er niet in.
Maar nu we zoveel moeite hebben gedaan
zou het zonde zijn als we niet zaaien gaan!"
Dat waren de andere twee helemaal met hem eens. En zo begonnen de drie broers, het voorbeeld dat hun vader bij zijn leven had gegeven volgend, het land te bewerken als boeren. Toen het tijd werd om te oogsten, kwamen de drie broers handen tekort om alle vruchten en gewassen van het veld te dragen. Het merendeel van de oogst verkochten ze voor klinkende munt.

Toen zei de oudste broer:
"Dit geld haalden we uit de grond
waarop vader vroeger te werken stond!"
En na even gepeinsd te hebben, voegde hij eraan toe:
"Vader heeft ons na zijn leven
zijn beste en rijkste les gegeven!"


*   *   *

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
"Sprookjes en vertellingen uit Rusland" vertaald en bewerkt door Hans Werner. Deltos Elsevier, Amsterdam/Brussel, 1972. ISBN: 90-10-30122-2

Herkomst: Rusland
Verteltijd: ca. 8 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook