Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 17 min.
Herkomst:




Hoe Sawaitsji werd genezen Een boeddhistisch verhaal over een blinde man en een devote vrouw

In een klein dorpje in de provincie Yamato, dicht bij de Tsoebo-heuvel, leefde een blinde man die Sawaitsji heette met zijn vrouw O Sato. Hij was een aardige, vriendelijke man, die in zijn levensonderhoud voorzag door lessen te geven op de koto en de shamisen.

Zijn vrouw trachtte er door weef- en naaiwerk iets bij te verdienen. Op die manier hadden zij het bepaald niet slecht, maar op een gegeven moment raakte Sawaitsji bijna al zijn leerlingen kwijt en kreeg ook O Sato minder te doen. Dat was wel pech, maar zij maakten er toch het beste van, en al waren zij wat leerlingen en klanten kwijt, hun goede humeur verloren zij niet.

Op een morgen haalde Sawaitsji zijn koto tevoorschijn en begon er op te spelen.

"O, Sawaitsji San," zei zijn vrouw verrukt, "wat heerlijk dat ik je weer eens hoor spelen. Je hebt zeker een vrolijke bui?"

"Denk dat niet," antwoordde haar man ernstig. "Ik ben zo bedroefd dat ik wel zou willen sterven. Al een hele tijd lang zit mij iets dwars dat ik je nu toch moet vertellen."

O Sato ging naast haar man zitten, keek hem liefdevol aan en zei: "Vertel het mij maar; misschien kan ik je helpen."

Sawaitsji schraapte zijn keel, dacht even na en zei toen: "Hoe snel vliegt de tijd voorbij! Het spreekwoord zegt 'als een afgeschoten pijl'. Wij zijn nu al drie jaar getrouwd en soms lijkt het of het maar een paar dagen zijn geweest. Maar of wij nu lang of kort getrouwd zijn, er mogen geen geheimen tussen ons bestaan."

"Wat bedoel je eigenlijk?" vroeg zijn vrouw, die wat dichterbij schoof. "Sinds wij getrouwd zijn, heb ik nooit een geheim voor je verzwegen. Wanneer er een reden is om mij hiervan te verdenken, vertel het mij dan."

"Luister goed, O Sato, dan zul je mij begrijpen. Elke nacht tussen drie en vier strek ik mijn hand uit en vind de slaapmat naast mij leeg. Ik weet dat ik maar een arme blinde ben, door de pokken geschonden, en ik kan mij daarom voorstellen dat jij zo'n lelijke man niet altijd kunt liefhebben. Maar wanneer het zo is dat je een ander bemint, zeg het mij dan. Ik zal je niets verwijten en er in berusten. Hoe dikwijls heb ik de mensen niet horen zeggen: 'Wat is die O Sato toch een mooie vrouw!' Het is daarom niet minder dan natuurlijk dat je een minnaar hebt."

O Sato kon niet verdragen dat haar man zo door twijfel werd gefolterd. Zijn bekentenis verbaasde haar, maar deed haar ook verdriet. "O, Sawaitsji," zei zij, "hoe kun je in hemelsnaam veronderstellen dat ik een andere man boven jou zou verkiezen? Je weet toch dat ik sinds mijn prille jeugd bij je vader ben opgevoed, toen mijn ouders waren gestorven. Jij was drie jaar ouder dan ik, en je kreeg in die tijd de pokken, waardoor je blind werd. Ik heb altijd gevoeld dat wij voor elkaar bestemd waren en dat alleen de dood ons kan scheiden. Ik zal je daarom nooit verlaten, maar, sinds wij getrouwd zijn, hoopte ik vurig dat ik je van je kwaal zou kunnen verlossen. Daarom stond ik elke nacht op en beklom de heuvel van Toebosaka om Kannon te smeken je het gezicht weer terug te geven. Dit heb ik drie jaar lang volgehouden, maar Kannon heeft mijn gebed niet verhoord en daarom heb ik weinig hoop meer."

Sawaitsji voelde wel dat het erg slecht van hem geweest was zijn toegewijde vrouw zo te verdenken. Hij kon geen woorden vinden om haar dit duidelijk te maken. Hij zweeg een tijd en zei toen: "O, mijn lieve vrouw; ik zal er niet meer over praten. Denk maar, dat het allemaal onzin is wat ik heb gezegd. Vergeef mij, vergeef mij alsjeblieft! Ik kon toch niet weten wat je elke nacht deed!" De tranen vloeiden over zijn wangen, toen hij er aan toevoegde: "Ik geloof dat al die gebeden niets helpen, en dat ik nooit, nooit meer zal kunnen zien."

"Zeg dat niet!" zei O Sato. "Je mag nooit het vertrouwen verliezen. Misschien zal het beter zijn, wanneer wij tezamen tot Kannon bidden."

"Wanneer je dat wilt, zal ik je volgen," antwoordde Sawaitsji.

De vrouw opende een kast en haalde daaruit de beste kleren van haar man tevoorschijn. Zij hielp hem met aankleden en toen gingen zij samen op weg. Een steil pad voerde naar het heiligdom. Zij liepen langzaam omhoog, terwijl Sawaitsji op zijn stok steunde.
Buiten adem bereikten zij de tempelpoort en gingen toen naar binnen. In het schemerdonker van de tempel stond een groot beeld van Kannon, de godin van Barmhartigheid, naast de beeltenis van Amida Boeddha. Er hing een bedwelmende wierookgeur in de ruimte.
O Sato boog eerbiedig haar hoofd en prevelde enige malen: "Namoe Amida Boetsoe." (Ik aanbid U, heilige Boeddha)

"Laten wij hier de hele nacht blijven om voor je genezing te bidden!" stelde O Sato voor.
"Ik moet je eerlijk zeggen, O Sato, dat ik niet kan geloven aan een genezing. Ik ben alleen maar met je meegegaan, om je een plezier te doen."

"Luister eens, Sawaitsji, je moet vertrouwen hebben. Het geloof kan immers bergen verzetten! Heeft Boeddha niet zelf gezegd dat door zijn genade een dode tak weer kan gaan bloeien? En Kannon heeft de macht om al onze wensen te vervullen. Bid dan, Sawaitsji San, bid en vertrouw! Dat is het enige wat ik van je vraag."

"Goed dan, O Sato. Ik zal hier drie dagen blijven om te vasten en te bidden. Ga jij nu naar huis om daar alles te regelen. Deze drie dagen zullen over mijn lot beslissen."

"Goed gezegd, Sawaitsji. Ik zal thuis alles in orde maken en de deur sluiten. Daarna kom ik weer hier. Maar denk er goed aan dat deze heuvel erg steil is en dat er aan de rechterkant een diepe afgrond gaapt. Beloof mij in ieder geval dat je de tempel niet uit zult gaan."

"Nee, nee, wees maar gerust. Ik zal hier blijven en bescherming zoeken bij Kannon."

De blinde hoorde hoe de voetstappen van zijn vrouw in de verte wegstierven. Toen hij niets meer hoorde, barstte hij in een wanhopig snikken uit. Hij dacht erover na, hoe zijn vrouw drie jaar lang elke nacht gebeden had zonder enig resultaat. Wat had zij allemaal niet voor hem over gehad! En Kannon had zich niet verwaardigd enig antwoord te geven! "Zijn die goden werkelijk zo machtig, of wordt ons leven alleen maar door het lot bepaald? Wat voor nut heeft het voor mij om nog verder te leven en een vrouw aan mij te binden, die alleen maar voor mij moet zorgen? Het enige wat ik kan doen, is sterven om O Sato de kans te geven een gelukkig, tweede huwelijk te sluiten met een knappe, gezonde man."

Hij herinnerde zich dat zijn vrouw gezegd had dat er een steile afgrond was aan de rechterkant van de heuvel. "Dat is de beste plaats om mij het leven te benemen," dacht hij. "Wanneer ik in dit heilig oord sterf, zal ik ook in een toekomstig leven gered zijn."

Sawaitsji hoorde hoe de tempelklok het begin van de nacht aankondigde en hij begreep dat hij geen tijd te verliezen had, want O Sato kon elk ogenblik terugkomen. Hij stond op en met behulp van zijn stok tastte hij de weg af die naar de top van de heuvel voerde. Daar stond hij een ogenblik in gedachten verzonken, terwijl hij hoorde hoe de rivier daar beneden bruiste. Hij vond een uitstekende rotspunt en wierp zich met een wanhopige sprong in de afgrond...

Intussen spoedde O Sato zich voort over de weg die haar zo vertrouwd was. Zij was niet gewend haar man alleen te laten en daarom wilde zij zo spoedig mogelijk weer bij hem zijn. In de tempel gekomen, keek zij overal rond, maar zag niemand.

"Sawaitsji," riep zij telkens. "Sawaitsji San! Waar ben je toch?" Maar zij kreeg geen antwoord. Ongerust zocht zij in de tempelhof, steeds haar roep herhalend. Zij kreeg een angstig voorgevoel en rende naar de top van de heuvel. Daar struikelde zij bijna over de stok van haar man. Nu wist zij wat er gebeurd was. Zij boog zich naar beneden en zag daar het levenloze lichaam van haar echtgenoot. Haar hart kromp ineen toen zij hem daar zo zag liggen. Zij riep hem nog eens en nog eens, maar zij kreeg alleen antwoord van de echo's in de bergen.

"O, waarom heb ik je alleen gelaten? Hoe heb ik dat onzalige voorstel kunnen doen om samen naar de tempel te gaan? Nu zijn al mijn zorgen en al mijn gebeden voor niets geweest. O, Sawaitsji San, wanneer ik dit geweten had, zou ik je nooit hebben overgehaald om met mij mee te gaan. En wie zal jou, blinde man, kunnen leiden naar het Land van de Dood? Ik zal je volgen, Sawaitsji, ik zal je volgen in de dood, nu het leven voor mij zonder jou geen betekenis meer heeft."

Zij vouwde haar handen, en herhaalde enige malen de Boeddhistische gebedsformule. Met het 'Namoe Amida Boetsoe' op de lippen, stortte zij zich in de diepte.

De nachtnevels bedekten hun lichamen als een lijkwade.

De volgende morgen was het stralend weer. De mist in de vallei werd spoedig door de zonnestralen verdreven. In de rose en gouden schittering van de ontluikende dag weerklonk er boven de vallei een wonderbaarlijke muziek. Uit de hemel daalde in een wolk de stralende figuur van Kannon neer. Zij zweefde boven de lichamen van het echtpaar en sprak: "Luister, Sawaitsji! Je blindheid is alleen het gevolg van de zonden die je in een vorig leven hebt begaan. Maar door de opofferende liefde van je vrouw en door haar vast geloof zal ik jullie weer het leven schenken. Sta op en wijd je verder leven aan meditatie en gebed. Ik verlang ook van je dat je een pelgrimstocht onderneemt naar de drieëndertig heilige plaatsen om Boeddha te bedanken voor deze wonderbaarlijke genezing."

Na deze woorden steeg de godheid weer ten hemel. De twee echtelieden lagen op de grond geknield, de handen eerbiedig gevouwen, toen zij uit hun droom ontwaakten. De tempelklok boven op de heuvel riep de priesters op voor het morgengebed. Zij begonnen op gongs en trommen te slaan, terwijl zij hun eentonige gebeden reciteerden.

"O Sato, ik kan weer zien," riep Sawaitsji verheugd. "Ik kan alles zien. Ik zie jou, ik zie de rivier en de bomen, de heuvels en de tempel. O, wat is dat prachtig! Ik wist niet dat de wereld zo mooi was."

"O, Sawaitsji, je ogen zijn weer open! Ik kan het niet geloven; het lijkt wel een droom!"

"Nee, O Sato, het is geen droom. De barmhartige Kannon heeft mij door haar mededogen weer het leven teruggegeven en mijn ogen genezen."

Zij klommen langzaam naar boven, naar de tempel, waar zij Kannon dankten voor haar weldaden.

"Waar is je stok, Sawaitsji?" vroeg zijn vrouw plagend, toen zij weer buiten waren.

"Die heb ik voorlopig niet meer nodig," antwoordde hij, "maar wanneer ik hem vind, zal ik hem naast het altaar van Kannon ophangen als een wijgeschenk."

Dit verhaal is door een monnik van het Tsoebosaka-klooster neergeschreven om de mensen eraan te herinneren dat Kannon iedereen helpt die vast in haar gelooft.


*   *   *

Hoe Sawaitsji werd genezen Samenvatting
Een boeddhistisch verhaal over een blinde man en een devote vrouw. De vrouw van een blinde man gaat elke nacht in een tempel voor zijn genezing bidden, opdat hij weer kan zien. Wanneer hij daar achter komt, beklaagt hij zichzelf en zijn vrouw en pleegt zelfmoord. Zijn vrouw doet daarop hetzelfde, maar de godin wekt hen weer tot leven. Lees het verhaal

Toelichting
De tempel van Tsoebosaka die in dit verhaal een voorname rol speelt, is sinds eeuwen beroemd. Volgens de overlevering zou de vijftigste keizer van Japan, Kwammoe, die in Nara leefde, aan een ongeneeslijke oogziekte hebben geleden. De abt van de Tsoebosaka-tempel, Doki Shonin, bad gedurende honderdzeven dagen tot Kannon voor de genezing van de keizer. Zijn gebed werd verhoord en de keizer genas. Sinds die tijd werd Tsoebosaka een druk bezochte bedevaartsplaats waar blinde en halfblinde pelgrims uit het gehele land genezing zochten.

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Japanse sagen en verhalen" door M.A. Prick van Wely. Fibula-Van Dishoeck, Haarlem, 1979. ISBN: 90-228-3346-1.

Herkomst: Japan
Verteltijd: ca. 17 min.
Leeftijd: vanaf 10 jaar

Lees ook