Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 13 min.
Herkomst:




Huons ontmoeting met Oberon Een Franse sage over Huon de Bordeaux en de elfenkoning

Huon en Gérard, de beide zonen van Seugin, de graaf van Bordeaux, rijden naar Parijs op weg naar hun koning. Beiden zijn jong, Huon een jongeman en Gérard bijna nog een kind. De zon schijnt en Huon zingt, want al zit hij van onder tot boven onder het stof, hij verkeert in een uitstekende stemming. Gérard daarentegen rijdt met gebogen hoofd, kijkt zijn broer aan en kan een somber voorgevoel niet van zich afzetten.

Ze komen in de schaduw van een groen woud niet ver van Parijs. Geheel onverwachts komt een schare ruiters uit een hinderlaag op hen afgestormd. Een van de ruiters valt Gérard aan die zwaard noch lans heeft en - op deze plotselinge aanval totaal niet verdacht - dan ook weerloos uit het zadel tuimelt. Huon werpt zich op de aanvaller en vecht zo onstuimig dat hij hem zijn zwaard midden in het hart steekt. De strijd is voorbij, de aanvallers slaan op de vlucht en Huon helpt Gérard weer in het zadel. Maar o wee, de gedode ruiter was niemand minder dan Charlot, zoon van de koning. De verraderlijke Amaury had hem tegen de beide broeders opgezet en hen er ten onrechte van beschuldigd dat ze zich niet naar de wil van de koning wilden voegen. De koning is wel genoodzaakt Huon te bestraffen, maar omdat deze toch in zijn recht was toen hij zich verdedigde, eist de koning van Amaury dat deze zich met Huon in een eerlijke tweekamp meet, waaruit dan zal blijken wie het recht aan zijn zijde had.

Onder de ogen van het gehele koninklijke hof vecht Huon met zijn tegenstander. Een strijd die eindeloos schijnt. Meer dan honderd maal zijn ze op elkaar ingereden, ze vechten al lang te voet met het zwaard en nog steeds is de tweekamp niet beslist. Tenslotte velt Huon met een laatste zwaardslag zijn tegenstander en zo is bewezen dat deze in het ongelijk was.

De koning nam er echter geen genoegen mee en droeg daarom Huon op met een boodschap naar het verre Babylon te reizen, naar Gaudis, de machtige heerser aller heidenen. Huon moest echter niet alleen de boodschap overhandigen, maar ook de eerste heiden die hij in het slot van de Babylonische heerser zou ontmoeten het hoofd afslaan, driemaal de beeldschone dochter van de heerser kussen en tenslotte de sik en drie kiezen van de heerser zelf meebrengen als overwinningstrofee voor de Franse koning. Zou hij deze afschuwelijke en onmogelijke opdrachten niet naar de letter uitvoeren, dan wachtte hem de beul.

Huon gaat op reis. Dagen achtereen rijdt hij door. Nog nooit eerder was hij zo ver van huis en hij krijgt heimwee naar het zoete Frankrijk en naar zijn moeder. Hij rijdt door vreemde landen, het hoofd gebogen, hij moet telkens zuchten en de tranen springen hem in de ogen. Zijn begeleiders maken zich ongerust als zij het gezicht van hun heer zien.

Door dichte wouden rijden ze naar de Rode Zee. Plotseling duikt uit het bos een mannetje op dat niet groter is dan een driejarig kind. Zijn gelaat is echter schoon als de zon. Rond de schouders draagt hij een glanzende, gouddoorstikte mantel en in zijn hand een boog met zijden pees. Om zijn hals hangt een hoorn van goud en ivoor.

"Wat nu," verwondert zich Huon. "Wie komt ons daar zo onverwacht tegemoet?"

"Dat is een kabouter en vast en zeker een tovenaar," waarschuwen Huons metgezellen hem.

"Spreek niet met hem, heer, opdat wij niet het slachtoffer worden van zijn toverkunsten."

Ze hielden hun paarden in en het mannetje sprak tot hen: "Ik groet u allen die mijn bos betreden hebt en verzoek u, mij als uw goede vriend te begroeten."

De ruiters echter wendden hun paarden en sloegen een andere weg in om de griezelige tovenarij te ontgaan. Het mannetje brengt zijn hand naar zijn borst en legt hem op zijn hart: onmiddellijk steekt er een hevige storm op, de wind ontwortelt bomen, vogels tuimelen door de lucht en wilde dieren rennen rond op zoek naar een schuilplaats tegen de bliksem en de neergutsende regen. Huon en zijn mannen vluchten verder maar staan plotseling voor een sterk gezwollen rivier en zoeken vergeefs naar een doorwaadbare plaats om de overkant te bereiken. Na lang ronddolen komen ze weer op de plek terecht waar ze de kabouter hebben gezien. Hij staat daar nog steeds en kijkt hen zwijgend aan.

"Heer," spreekt Huon hem aan, "zeg ons waarom u ons achtervolgt."

"Ter wille van jou," luidt het antwoord. "Ik heb de gave om in iedere mensenziel te kunnen kijken en omdat ik in die van jou alleen trouw en reinheid zie, bied ik je mijn hulp aan. Je weet niet en vermoedt zelfs niet met wie je spreekt. Ik ben Oberon. Julius Caesar was mijn vader en mijn moeder de elf Morgue, de mooiste van alle elfen. Ik was haar eerste en enige zoon. Toen ik geboren werd stonden er vier feeën aan mijn wieg. De eerste was niet al te schrander en besloot dat ik zo klein moest blijven als een kabouter. Toen ik drie jaar was hield ik op met groeien en zou voor altijd zo klein blijven. Omdat zij mij toch ook iets goeds wilde meegeven, besloot ze dat ik de mooiste van alle schepsels zou worden, mooi als de zon. En van dat ogenlik af is mijn gelaat geweest zoals je het hier voor je ziet. De tweede fee gaf mij de gave in de ziel van de mensen te kunnen lezen. Ik behoef iemand maar even aan te kijken en ik ken al zijn daden en dromen, zijn schranderheid en misdaden, zijn grootheid en zijn zonden, ook die welke hij nog zal begaan en waarvan hij de verschrikkingen zelfs nog niet vermoedt. De derde fee gaf mij een nog mooier geschenk. Ik kan mijzelf verplaatsen waarheen ik wil, zelfs naar het verste land of naar het eenzaamste door zee omspoelde eiland aan de rand van de wereld. En ik kan, waar ik wil, in een oogwenk het mooiste kasteel neerzetten met tafels zo vol spijzen en dranken als het hart maar begeert. Ook de vierde fee had een goed hart en gaf mij een ongewoon geschenk. Er bestaat op deze wereld geen wild dier en geen vogeltje dat mij niet gehoorzaamt. Zelfs het meest afschuwelijke en bloeddorstige roofdier luistert naar mij. Als ik wil eet het mak als een lammetje uit mijn hand. Ik word niet ouder maar blijf eeuwig jong en als mijn einde eens komt, dan wacht mij een plaats aan Gods voeten."

Huon zat stomverbaasd naar Oberon te luisteren, die onverstoorbaar verder ging: "Ik weet dat je al drie dagen zonder eten zit en al je ridders doodmoe zijn. Jullie moeten het er daarom maar eens goed van nemen."

En eer ze begrepen wat er gebeurde, verrees er een kasteel voor hun ogen waarin de aan het spit geroosterde schapen en de kruiken edele wijn niet te tellen waren.

Huon wordt het angstig te moede bij het zien van zoveel wonderen, hij weifelt en wil eigenlijk liever doorrijden. Daarom vraagt hij Oberon hen te laten gaan. Deze heeft echter nog twee geschenken voor Huon: een wijnbeker en een hoorn van goud en ivoor.

"Wie rein van hart is en in de Genade Gods leeft, kan uit deze beker drinken wanneer en zoveel hij wil. Hij zal hem nooit tot op de bodem kunnen ledigen, zet hij hem opnieuw aan de lippen dan is de beker weer tot de rand toe gevuld."

Huon pakt de beker aan en zet hem aan zijn mond om dat ongehoorde wonder te ondervinden. Nauwelijks heeft hij hem aangeroerd of de beker vult zich en Huon drinkt met gulzige teugen. Dan reikt Oberon de hoorn van goud en ivoor aan Huon en zegt: "Als je in nood verkeert, blaas dan op deze hoorn en ik kom je te hulp, waar je ook bent. Zo, nu mag je gaan, de weg is vrij."

Ze namen afscheid, Oberon verdween en Huon reed met zijn metgezellen verder. De ontmoeting houdt hem nog steeds bezig en omdat hij nog zeer jong is kan hij de verleiding niet weerstaan om de wonderhoorn te proberen. Hij blaast en ogenblikkelijk steekt er een storm op, er klinkt hoefgetrappel en zwaardgekletter en eer Huon de hoorn van zijn lippen heeft genomen, staan er tienduizend tot aan de tanden gewapende ruiters voor hem met Oberon aan het hoofd.

"Vergeef mij!" roept Huon uit. "Nog heb ik uw hulp niet nodig!"

Oberon glimlachte: "Ik vergeef je, maar het maakt me bedroefd als ik denk aan de vele fouten die je in je leven nog zult begaan. Vaarwel, zet je reis voort en blijf gezond. En vergeet niet dat je niet alleen de beker en de hoorn bij je draagt, maar ook mijn hart." Met die woorden gingen ze uiteen en Huon trok tegen Babylon op. Met Oberons hulp voerde hij alle opdrachten van zijn koning uit en keerde met de dochter van de Babylonische heerser, de schone Esclarmonda, naar Frankrijk terug.


*   *   *

Huons ontmoeting met Oberon Samenvatting
Een Franse sage over Huon de Bordeaux en de elfenkoning. Huon en Gérard komen in een hinderlaag en Huon doodt Charlot, de zoon van de koning. In een tweegevecht moet hij zijn onschuld bewijzen. Vervolgens moet Huon naar Babylon om een aantal opdrachten uit te voeren. Onderweg ontmoet hij Oberon, die hem hulp aanbiedt. Hij vervolgt zijn reis naar Babylon en met hulp van Oberon voert hij zijn opdrachten uit. Lees het verhaal

Toelichting
Oberon is het meest bekend als de elfenkoning uit Shakespeares toneelstuk 'A Midsummer Night's Dream', geschreven rond 1595. Toch werd het personage van Oberon al in de 13e eeuw beschreven in het Franse middeleeuwse gedicht 'Les Prouesses et du faitz nobele HUON de Bordeaux' en kwam veelvuldig voor in oude verhalen.

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Van gouden tijden zingen de harpen: Europese sagen en legenden" door Vladimír Hulpach, Emanuel Frynta en Václav Cibula. Met illustraties van Miloslav Troup. Nederlandse vertaling door Han de Boer. Uitgeversmaatschappij Holland, Haarlem, 1970.

Herkomst: Frankrijk
Verteltijd: ca. 13 min.
Leeftijd: vanaf 12 jaar

Lees ook