Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 22 min.
Herkomst:

Jamie Freel en de jongedame Een verhaal uit Donegal over elfen die een dame uit Dublin ontvoeren

In Fannet woonde lang geleden een zekere Jamie Freel met zijn moeder. Jamie was de steun en toeverlaat van de weduwvrouw; onvermoeibaar was hij voor haar in de weer, elke zaterdagavond gooide hij zijn hele weekloon in haar schoot en bedankte haar dan beleefd voor de duit die ze hem teruggaf voor een pakje tabak.

Zijn buren prezen hem hemelhoog en zeiden dat hij de beste zoon was die een mens maar treffen kon. Maar hij had nog meer buren, en hoe die over hem dachten wist hij niet - buren die vlakbij woonden, die hij nooit had gezien en die feitelijk zelden door stervelingen worden waargenomen, met uitzondering van de vooravond van de eerste mei en Halloween (de avond voor Allerheiligen).

Nog geen vijfhonderd meter van zijn hutje stond een vervallen kasteel dat, naar men zei, de woonstee was van het 'kleine volkje'. Elke Halloween waren de oude ramen verlicht en zagen voorbijgangers kleine gedaantes in het slot heen en weer schieten, terwijl ze de klanken van fluit en doedelzak opvingen.

Het was algemeen bekend dat de elfen er grote feesten hielden, maar niemand had de moed om zich er binnen te wagen. Jamie had al dikwijls uit de verte naar de wezentjes staan kijken, naar hun muziek geluisterd en zich afgevraagd hoe het kasteel er van binnen uit zou zien. Maar toen het weer Halloween werd stond hij opeens op, pakte zijn pet en zei tegen zijn moeder: "Ik ga naar het kasteel om mijn fortuin te zoeken."

"Wat!" riep ze uit, "wou jij je dáár binnenwagen, en dat als enige zoon van een arme weduwvrouw? Wees niet zo dwaas en roekeloos, Jamie! Ze zullen je nog vermoorden, en wat moet er dan van mij worden?"

"Wees maar niet bang, moeder, er zal me niks kwaads overkomen. Maar ik moet erheen."

Hij ging op pad en toen hij het aardappelveld was overgestoken zag hij het kasteel opdoemen. Achter de ramen schitterden talloze lichtjes, die de nog overgebleven roodbruine bladeren van de wilde appelboom schijnbaar in goud veranderden.

In de boomgaard naast het slot bleef hij even staan om naar het feestgedruis te luisteren, en toen hij het lachen en zingen hoorde was hij eens te meer vastbesloten om door te zetten.

Een menigte kleine wezentjes, hooguit zo groot als een kind van vijf jaar, danste rond op de muziek van fluiten en vedels, terwijl anderen zich te goed deden aan spijs en drank. "Welkom, Jamie Freel! Welkom, welkom, Jamie!" riep het gezelschap, toen het de bezoeker in het oog kreeg. De ene stem na de andere nam het 'Welkom!' over tot het door het hele kasteel klonk. De tijd vloog om en Jamie vermaakte zich opperbest, tot een van zijn gastheren tegen hem zei: "Wij rijden vannacht naar Dublin om een jongedame te roven. Wil je met ons mee, Jamie Freel?"

"Jazeker wil ik dat!" riep Jamie overmoedig, want hij dorstte naar avontuur.

De paarden stonden al voor de deur. Jamie steeg op en zijn paard nam hem mee de lucht in. Even later vloog hij over zijn moeders hutje, te midden van de elfenruiters, en voort raasden ze, over steile bergen, over kleine heuveltjes, over steden en boerenwoninkjes waar de mensen nu kastanjes zaten te poffen, en appels aten, en een vrolijk Halloween vierden. Het leek Jamie wel of ze eerst heel Ierland door vlogen, voordat ze eindelijk in Dublin kwamen.

"Dit is Derry," zeiden de elfen, toen ze over de torenspits van de kathedraal vlogen; en wat door één stem werd aangekondigd werd door alle andere herhaald, tot wel vijftig stemmetjes uitriepen: "Derry! Derry! Derry!"

En zo werd Jamie bij elke stad die ze onderweg passeerden op de hoogte gehouden, tot hij ten slotte de zilveren stemmetjes hoorde roepen: "Dublin! Dublin!'"

Het was geen nederige stulp die vereerd werd met dit elfenbezoek, maar een van de fraaiste huizen in Stephen's Green.

Het gezelschap steeg af voor een raam, en Jamie zag een mooi gezichtje op een kussen liggen in een prachtig bed. Hij keek toe hoe de jongedame werd opgetild en meegevoerd, terwijl de stok die ze in haar bed legden een gedaante aannam die sprekend op haar leek.

De dame werd voor een van de ruiters in het zadel gezet en een eindje meegedragen, en daarna telkens overgeheveld naar een ander, en ondertussen werd net als op de heenweg de naam van elke stad afgeroepen.

Ze kwamen dichter bij huis. Jamie hoorde 'Rathmullan', 'Milford', 'Tamney' en toen wist hij dat ze al vlak bij zijn eigen huis waren.

"Jullie hebben allemaal de jongedame om beurten gedragen," zei hij. "Waarom zou ik haar nou niet een poosje mogen hebben?"

"Ja hoor," antwoordden ze goedig, "jij krijgt ook je beurt, hoor Jamie."

Hij pakte zijn buit aan, hield haar stevig vast en liet zich voor zijn moeders deur vallen.

"Jamie Freel! Jamie Freel! Is dat nou je dank?" riepen de elfen en daalden ook af tot vlak voor de deur.

Jamie liet niet los, al wist hij eigenlijk niet meer wat hij vasthield, want het kleine volkje veranderde de dame in de wonderlijkste vormen en gedaantes. Het ene ogenblik was ze een blaffende zwarte hond die hem probeerde te bijten, het andere een gloeiende staaf ijzer, die toch geen hitte afstraalde, en daarna ineens weer een baal wol.

Maar Jamie hield haar nog steeds vast en de verblufte elfen stonden juist op het punt om maar weg te gaan, toen een vrouwtje, de allerkleinste van het gezelschap, uitriep: "Jamie Freel heeft haar van ons afgepakt, maar hij zal geen plezier aan haar beleven, want ik maak haar doofstom," en toen gooide ze iets over het meisje heen.

Toen ze teleurgesteld waren weggereden, lichtte Jamie de deurklink op en stapte naar binnen.

"Jamie, jongen toch!" riep zijn moeder uit, "je bent de hele nacht weggebleven. Wat hebben ze met je uitgevoerd?"

"Niks kwaads, hoor moeder. Ik heb zoveel geluk gehad als je je maar kan indenken. Hier is een knappe jongedame, die heb ik voor je meegebracht als gezelschap."

"God beware ons!" zei zijn moeder, en een paar minuten lang was ze zo verbijsterd dat ze niets anders wist te zeggen.

Jamie vertelde haar van zijn nachtelijk avontuur en zei tot slot: "Je had toch zeker niet goed gevonden dat ik haar zomaar bij hun had achtergelaten, waar ze reddeloos verloren zou zijn?"

"Maar een dame, Jamie? Hoe kan een dame onze schrale kost eten en zo armoedig leven als wij? Vertel me dat eens, jij dwaze jongen!"

Ondertussen stond het doofstomme meisje te huiveren in haar dunne kledij en ging wat dichter bij het schamele turfvuurtje staan.

"Het arme ding, wat is ze mooi! Geen wonder dat ze hun zinnen op haar hadden gezet," zei de oude vrouw, terwijl ze haar gast met medelijden en bewondering aanstaarde. "Eerst moet ze kleren aan. Maar wat heb ik in 's hemelsnaam dat iemand van haar soort met goed fatsoen kan aantrekken?"

Ze ging naar de kast in de 'kamer' en haalde er haar bruine zondagse jurk van grove wollen stof uit. Daarna deed ze een la open en pakte een paar witte kousen, een lang, sneeuwwit gewaad van fijn linnen en een muts, haar 'doodstooi', zoals ze die noemde.

Deze kledingstukken lagen al lange tijd klaar voor een zekere droevige ceremonie waarin zij op zekere dag de hoofdrol zou vervullen en ze kwamen alleen te voorschijn wanneer ze werden uitgehangen om te luchten. Maar ze was bereid om zelfs dit af te staan aan de bevende bezoekster, die haar verwondering en verdriet niet kon uitspreken en hulpeloos van haar naar Jamie keek, en van Jamie weer naar haar.

Het arme meisje liet zich gelaten aankleden en ging toen in een hoekje van de schoorsteenmantel zitten, en sloeg haar handen voor haar gezicht.

"Hoe kunnen we ooit een dame als u onderhouden?" jammerde de oude vrouw.

"Ik werk wel voor jullie allebei, moeder," antwoordde haar zoon.

"En hoe zou een dame kunnen leven op onze armoedige kost?" vroeg ze nog eens.

"Ik zal wel voor haar werken," was Jamies enige antwoord.

Hij hield woord. De jongedame bleef lange tijd erg bedroefd en menige avond drupten er tranen langs haar wangen, als de oude vrouw bij het vuur zat te spinnen en Jamie zalmnetten zat te maken, een pas aangeleerde vaardigheid waarmee hij hoopte het leven van zijn gast een beetje te kunnen veraangenamen.

Maar ze was altijd vriendelijk en probeerde te glimlachen wanneer ze merkte dat ze naar haar keken; en langzamerhand paste ze zich aan hun levenswijze aan. Het duurde niet lang of ze begon de varkens te voederen, aardappels en havermeel te stampen voor de kippen en blauwe wollen sokken te breien.

Zo ging er een jaar voorbij en het werd weer Halloween. "Moeder," zei Jamie, terwijl hij zijn pet pakte, "ik ga naar het oude kasteel om mijn fortuin te zoeken."

"Ben je gek geworden, Jamie?" riep zijn moeder ontzet, "deze keer vermoorden ze je vast en zeker om wat je vorig jaar hebt uitgehaald."

Jamie wuifde haar bezwaren weg en ging op pad. Toen hij bij de appelboomgaard kwam, zag hij net als het jaar ervoor een helder lichtschijnsel achter de ramen en hoorde luid gepraat. Hij ging stilletjes onder het raam staan en hoorde het kleine volkje zeggen: "Dat was een gemene streek die Jamie Freel een jaar geleden met ons heeft uitgehaald, toen hij die aardige jongedame van ons stal."

"Ja," zei het kleine vrouwtje, "maar ik heb hem ervoor gestraft, want daar zit ze nou, zo stom als een marmeren beeld; maar hij weet niet dat drie druppels uit het glas dat ik hier in m'n hand houd genoeg zouden zijn om haar haar gehoor en haar spraak terug te geven."

Jamies hart klopte als een razende toen hij de grote zaal binnenstapte. Weer werd hij van alle kanten begroet met welkomgeroep: "Hier komt Jamie Freel! Welkom, welkom, Jamie!"

Zodra het rumoer afnam zei het kleine vrouwtje: "Je moet op onze gezondheid drinken, Jamie, uit het glas dat ik in m'n hand heb."

Jamie griste het glas uit haar hand en schoot als een pijl uit een boog naar de deur. Achteraf wist hij zelf nauwelijks hoe hij thuis was gekomen, maar hij kwam buiten adem binnenstormen en plofte neer op een stoof bij de open haard. "Ach, deze keer hebben ze je vast en zeker vermoord, m'n arme jongen," zei zijn moeder. "Om den drommel niet, 'k heb meer geluk gehad dan ooit!" en hij gaf de dame drie druppeltjes van het bodempje dat ondanks zijn woeste ren over het aardappelveld in het glas was blijven zitten. De dame begon te spreken en haar eerste woorden waren woorden van dank aan Jamie.

De drie bewoners van het hutje hadden elkaar zoveel te vertellen dat ze lang na het eerste hanengekraai, toen de elfenmuziek al lang was weggestorven, nog zaten te praten rond het vuur.

"Jamie," zei de dame, "wees zo vriendelijk om me papier, pen en inkt te geven, dan kan ik mijn vader schrijven wat er van mij geworden is."

Ze schreef haar brief, maar de weken verstreken en ze kregen geen antwoord. Nog eens schreef ze, en nog eens, maar nog steeds kwam er geen antwoord.

Ten slotte zei ze: "Jamie, je moet met me meegaan naar Dublin om mijn vader te zoeken."

"Ik heb geen geld om paard en wagen voor je te huren," antwoordde hij, "en hoe zou je ooit te voet naar Dublin kunnen reizen?"

Maar ze bad en smeekte net zo lang tot hij er in toestemde de lange voetreis van Fannet naar Dublin met haar te maken. Die was niet zo licht als de nachtelijke rit met de elfen; maar ten slotte trokken ze bij het huis in Stephen's Green aan de bel.

"Zeg tegen mijn vader dat zijn dochter er is," zei ze tegen de bediende die opendeed.

"De heer die hier woont heeft geen dochter, meisje. Hij heeft er wel een gehad, maar die is meer dan een jaar geleden gestorven."

"Herken je me niet, Sullivan?"

"Nee, m'n kind, ik herken je niet."

"Laat me je meester dan spreken. Ik wil hem alleen maar spreken, meer niet."

"Tja, dat lijkt me niet teveel gevraagd; ik zal zien wat ik doen kan."

Even later kwam de vader van de jongedame naar de deur.

"Vaderlief," zei ze, "herkent U me niet?"

"Hoe durf jij me vader te noemen?" riep de oude heer verontwaardigd uit. "Je bent een bedriegster, ik heb geen dochter."

"Kijk me eens goed aan, vader dan zult u me zeker herkennen."

"Mijn dochter is dood en begraven. Ze is lang, heel lang geleden gestorven." De woede in zijn stem sloeg om in verdriet. "Ga nu maar weg," besloot hij.

"Wacht, vaderlief, tot u deze ring aan mijn vinger hebt gezien. Kijk, uw naam en de mijne staan erin gegraveerd."

"Dit is inderdaad de ring van mijn dochter. Hoe je eraan gekomen bent weet ik niet, maar het zal vast niet op een eerlijke manier zijn geweest."

"Roep mijn moeder dan, zij zal me zeker herkennen," zei het arme meisje, dat nu bittere tranen begon te schreien.

"Mijn arme vrouw komt langzamerhand over haar verdriet heen. Ze spreekt nu zelden meer over haar dochter. Waarom zou ik haar opnieuw verdriet doen door haar aan haar verlies te herinneren?"

Maar de jongedame drong zo aan dat ten slotte de moeder werd geroepen.

"Moeder," begon ze, toen de oude dame naar de deur kwam, "herkent ú uw eigen dochter dan niet?"

"Ik heb geen dochter; mijn dochter is al lang, heel lang, dood en begraven."

"Kijkt u me dan eens goed aan, dan zult u me zeker herkennen."

De oude dame schudde het hoofd.

"Jullie zijn me allemaal vergeten; maar kijk dan eens naar deze moedervlek in mijn hals. Nu herkent u me toch zeker wel, moeder?"

"Ja, ja," zei de moeder, "mijn Gracie had net zo' n moedervlek in haar hals; maar later heb ik gezien dat ze haar in haar kist legden en het deksel boven haar sloten."

Toen was het Jamies beurt om te spreken, en hij deed het relaas van de rit met de elfen, de roof van de jongedame, van het stuk hout dat hij voor haar in de plaats had zien neerleggen, van haar leven met zijn moeder in Fannet, van de vorige Halloween en van de drie druppeltjes die de betovering over haar hadden verbroken.

Toen hij even zweeg nam zij het verhaal over en vertelde hoe goed moeder en zoon voor haar waren geweest.

De ouders waren een en al lof over Jamie. Ze behandelden hem als een eregast, en toen hij de wens uitsprak weer naar Fannet terug te keren, zeiden ze dat ze niet wisten hoe ze hun dankbaarheid moesten tonen.

Maar zo eenvoudig ging het allemaal niet. Hun dochter wilde hem niet alleen laten gaan. "Als Jamie gaat, ga ik mee," zei ze. "Hij heeft me van de elfen gered en sindsdien al die tijd voor me gewerkt. Als hij er niet was geweest, lieve vader en moeder, dan had u me nooit meer teruggezien. Als hij gaat, ga ik mee."

Toen haar besluit vast bleek te staan, zei de oude heer dat Jamie zijn schoonzoon moest worden. Zijn moeder werd in een rijtuig met vierspan uit Fannet opgehaald en er werd een schitterende bruiloft gevierd.

Ze bleven allemaal in het deftige huis in Dublin wonen, en toen zijn schoonvader overleed erfde Jamie onmetelijke rijkdommen.


*   *   *

Jamie Freel en de jongedame Samenvatting
Een verhaal uit Donegal over elfen die een dame uit Dublin ontvoeren.

Toelichting
Donegal ligt helemaal in het noorden van Ierland.

Trefwoorden


Verhaalsoort

Bron
"Ierse elfenverhalen en andere volksvertellingen uit Ierland" samengesteld en ingeleid door W.B. Yeats. Uitgeverij Sirius en Siderius, Den Haag, 1983. ISBN: 90-644-10208

Herkomst: Ierland
Verteltijd: ca. 22 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook