Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 16 min.
Herkomst:

Keloglan trekt erop uit om de man te worden van de reuzin

Er was eens een Keloglan. (Kel-olan = kaalkop). En zijn moeder leefde ook nog. Deze Keloglan had de gewoonte iedere avond naar het koffiehuis te gaan; daar zat hij dan stilletjes alleen in een hoekje. Altijd als daar in het koffiehuis één van de jonge kerels weer eens zat op te scheppen, zeiden de anderen: "Een echte held, een echte held, is wie erin slaagt de man te worden van de reuzin." Keloglan hoorde dit één keer aan en hij hoorde het een tweede keer aan en na de zoveelste keer zei hij tegen zijn moeder: "Moeder, ik moet gaan, ik wil de man worden van de reuzin." De arme vrouw zei: "Mijn zoon, weet je wel wat je zegt, weet je wat voor oord het daar is waar zij woont, hoe het er daar aan toe gaat? En hoe wil je er in vredesnaam komen?" Maar wat ze ook zei, hoe ze ook probeerde haar zoon er van af te brengen, het had geen zin. Tenslotte had de vrouw er genoeg van en ze zei: "Loop voor mijn part naar de hel. Dan ben ik meteen mooi bevrijd van zo'n sukkel als jij."

Keloglan pakte zijn bullen en liep, liep, liep. Hij trok over heuvels en dalen, zes maanden en een herfst was hij aan het dwalen, maar keek hij eventjes om, dan leek de weg die hij had afgelegd zo kort als een gerstekorreltje.

Maar hij ging verder en verder en plotseling zag hij een fel licht, bovenop een berg. Hij liep ernaar toe en zag een geweldige reuzin zitten zonnen. Haar borsten had ze over haar schouders gegooid. Keloglan liep zachtjes van achteren op de reuzin af, zette zijn mond aan haar borst en begon eraan te zuigen. De reuzin draaide zich om en zei: "Hé, Keloglan, als je niet aan mijn horst had gedronken, dan had ik je in één hap opgegeten. Maar ja, nu ben je mijn kind geworden, dus... Maar mijn zonen kunnen elk ogenblik thuiskomen en zij eten je vast op. Kom, ik zal je verstoppen." Ze gaf hem een draai om zijn oren en verstopte hem achter een bezem bij de deur. Ze had dat nog niet gedaan of daar hoorden ze een kabaal, een spektakel: haar reuzen-zonen kwamen thuis! "Oef, moeder! Het ruikt hier naar mensenvlees!" zeiden ze. De reuzin zei: "Ach mijn zonen, peuteren jullie je kiezen maar even grondig uit." Ze namen ieder een stuk brandhout en begonnen hun holle kiezen tot de bodem leeg te peuteren: bij de een viel er, tok, een mensenarm uit, en bij de ander, plok, een been. Bij elkaar was het een kookpot vol. De reuzin zette die op het haardvuur te koken. Toen ze daar zo met zijn allen rond het vuur zaten vroeg de reuzin: "Mijn zonen, als er nu eens een mensenkind hier komt en hij drinkt aan mijn borst, wat wordt hij dan van jullie?" - "Dan worden we broers." - "Eten jullie hem dan op?" - "Nee, natuurlijk niet, dan kunnen we hem niet opeten."

Toen sloeg de reuzin tegen de bezem, Keloglan kwam te voorschijn, liep langs hen heen en ging in een hoekje zitten. De armen en benen in de pot pruttelden en toen het gaar was, gingen de reuzen eten. Daarna maakte moeder reuzin de bedden klaar en gingen ze slapen. Keloglan ging ook ergens liggen. Na een tijdje kwam de reuzin bij de bedden en ze vroeg: "Wie slaapt er al en wie nog niet?" Maar de reuzen-zonen lagen allemaal al luid snurkend te slapen en alleen Keloglan antwoordde: "Mammaatje, Keloglan kan niet slapen."

"Mijn zoon, waarom slaap je nog niet?" - "Ach," zei Keloglan, "mijn eigen moeder maakte altijd iedere avond voor het slapen gaan baklava (zoet bladerdeeggebak) en börek (hartige broodjes) voor mij klaar. Als ik dat dan op had, sliep ik zó." - "Wel potverdorie, Keloglan," zei de reuzin boos, maar er zat niets anders op, ze stond op en maakte een bakblik vol baklava en een bakblik met börek en zette dat voor Keloglan neer. Die smulde het allemaal lekker op en ging weer liggen. Een tijd later riep de reuzin weer: "Wie slaapt er al en wie nog niet?"

"Mammaatje, Keloglan kan niet slapen." - "Mijn zoon, waarom slaap je nog niet?" - "Ik voel die baklava en börek zo plakkerig in mijn maag zitten. Als mijn moeder er was zou ze nu een lamsbout vullen. Die zou ik dan ook opeten, en dan zou ik wel slapen." De reuzin wond zich op en was kwaad, maar stond toch maar weer op. Ze vulde een lamsbout voor Keloglan; hij at die lekker op en ging toen weer liggen. Na verloop van tijd vroeg de reuzin voor de derde keer: "Wie slaapt er al en wie nog niet?"

"Mammaatje, Keloglan kan niet slapen."

"Waarom slaap je nou nog niet, mijn zoon?"

"Ik moet zo nodig plassen en daardoor kan ik niet slapen."

"Maar als ik je naar buiten laat gaan, dan ga je er vast vandoor, Kel."

"Ik loop echt niet weg, mammaatje. Bind me maar aan een touw vast, als je wilt."

De reuzin geloofde hem. Ze bond een touw om zijn middel en liet hem naar buiten gaan. Maar zodra Keloglan buiten was gekomen maakte hij het touw los en bond het aan de paal van het wc-hokje. Zelf ging hij er als een haas vandoor.

Na een hele tijd riep de reuzin van binnen: "Keloglan, Keloglan!" Maar geen antwoord. Ze wachtte even en riep weer: "Keloglan, Keloglan!" maar ze hoorde niets. Ze gaf een rukje aan het touw, en het wc-hokje stortte in. Toen de reuzin in de gaten kreeg hoe de vork in de steel zat werd ze razend: èn haar wc-hokje lag in puin, èn Keloglan was er vandoor! Onmiddellijk ging ze achter Keloglan aan. Nu stond er in haar tuin een reusachtige boom. Die trok ze in één ruk met wortel en al uit de grond, legde hem over haar schouder, en ze begon te rennen. Maar in die boom zaten vogeltjes, en die floten:
Twiet-twiet, wiedewiedewiet
Twiet,twiet, wiedewiedewiet.
En de linten en kettingen aan de jurk van de reuzin zongen hun deuntje erbij:
Fritsel fratseI,
rinkel tinkel,
fritsel fratsel,
rinkel tinkel.
Toen Keloglan ineens die geluiden achter zich hoorde keek hij om en zag daar in de verte de reuzin aankomen.

Toevallig kwam hij net een kikker tegen. En hij zei tegen de kikker: "Aman, help, broer Kikker! Wat er ook gebeurt, verstop mij alsjeblieft. De reuzin komt eraan en zal me anders opeten."

Kikker stopte hem meteen in zijn holletje onder in het water en ging zelf weer naar boven. Maar toen de reuzin even later dichterbij kwam, ging Kikker naar Keloglan en zei: "Aman, het spijt me, Kel, maar jij bent niet de enige die bang is voor die reuzin, ik ben het nu ook! Als ze merkt dat ik jou heb verborgen, zal ze mij ook oppeuzelen. Kom, naar boven, eruit, wegwezen jij, knap je eigen zaakjes maar op, en duw mijn hoofd niet ook in de ellende."

Tja, wat moest Keloglan doen, er zat niets anders op, hij rende maar weer verder. En de reuzin achter hem aan met de boom op haar schouder. En de vogels in de boom floten:
Twiet-twiet, wiedewiedewiet
Twiet-twiet, wiedewiedewiet.
En de linten en kettingen van de reuzin zongen erbij:
Fritsel fratsel,
rinkel tinkel.
Even later kwam Keloglan een schildpad tegen. "Aman, help, broeder Schildpad," zei hij, "in godsnaam, hoe dan ook, verberg me!" Schildpad duwde hem in zijn schild en verstopte hem daar. Maar toen hij even later de reuzin in de verte zag aankomen, zei hij: "Kom eruit, kom eruit, Keloglan! Jij bent niet de enige die bang is voor die reuzin, ik ben het evengoed! Als ze merkt dat ik jou heb verborgen, zal ze me vast in één hap opslokken." Keloglan ging dus maar weer snel verder. En de reuzin holde hem weer achterna. De vogeltjes in de boom op haar schouder floten:
Twiet-twiet, wiedewiedewiet,
Twiet-twiet, wiedewiedewiet.
En de linten en kettingen van de reuzin zongen erbij:
Fritsel fratsel,
rinkel tinkel.
Een eindje verder kwam Keloglan een egel tegen. Die egel zat midden op de weg aan een handmolen te draaien. En de molen zei:
Tjik-tjak tjikke-tjikke-tjak,
tjik-tjak tjikke-tjikke-tjak.
"Aman, alsjeblieft, help me, broer Egel," zei Keloglan, "kun je mij verstoppen?" - "Natuurlijk!" zei Egel en meteen verstopte hij Keloglan onder de molensteen. Hij zette zich weer aan de molen, en trok hem rond:
Tjik-tjak tjikke-tjikke-tjak,
tjik-tjak tjikke-tjikke-tjak.
En de vogels daar in de takken van de grote boom op de schouder van de reuzin floten:
Twiet-twiet, wiedewiedewiet
Twiet-twiet, wiedewiedewiet.
En de linten en kettingen van de jurk van de reuzin zongen hun deuntje erbij:
Fritsel fratsel,
rinkel tinkel.
De reuzin ontplofte bijna van woede toen zij merkte dat de egel zich niets van haar aantrok. "Hààààppp" zei ze en ze slokte de egel in één hap op. Maar Egel boorde met zijn stekels door de buik van de reuzin en kwam eruit. Weer ging hij gewoon aan de molen draaien:
Tjik-tjak tjikke-tjikke-tjak,
tjik-tjak tjikke-tjikke-tjak.
De reuzin slokte met een reuzenhap de egel weer naar binnen. Maar opnieuw boorde de egel zich door de buik van de reuzin naar buiten en hij draaide de molen weer rond:
Tjik-tjak tjikke-tjikke-tjak
tjik-tjak tjikke-tjikke-tjak.
Maar toen dit daarna voor de derde keer gebeurde was de buik van de reuzin helemaal doorzeefd en viel ze, plof, dood neer. Keloglan trok zijn mes uit zijn zak, sneed de oren van de reuzin af en deed die in zijn tas.

Toen maakte hij meteen rechtsomkeert en ging regelrecht terug naar het koffiehuis. Daar zaten de jongens zoals gewoonlijk weer hun flinke praatjes over de reuzin te verkopen: "Wie durft erop uit te gaan om de man te worden van de reuzin? Wie is er zo flink?" Op dat moment haalde Keloglan de oren van de reuzin uit zijn tas en gooide ze onverwacht voor hen op tafel. "Kijk maar eens hier," zei hij, "ik ben de man geweest van de reuzin en heb ook nog even haar oren afgesneden."

"Aman, lieve hemel, geweldig, hoe heb je dat klaargespeeld Keloglan?" vroegen de jongemannen. Ze zetten Keloglan op een ereplek neer, klapten in hun handen en maakten een leven als een oordeel. En met zijn allen overlaadden ze Keloglan met cadeaus en geschenken. Ja, en hoe was het eigenlijk Keloglans moeder vergaan? Die had aan een stuk door tranen met tuiten gehuild sinds haar zoon was vertrokken. Tenslotte had ze de hoop op zijn terugkeer opgegeven en was in de rouw gegaan. Je begrijpt dus wel hoe blij ze was toen ze haar zoon weer zag, ze was dolgelukkig en richtte een groot leest voor hem aan.

Hun doel was bereikt en hun wensen vervuld. En ze leefden nog lang en gelukkig.


*   *   *

Keloglan trekt erop uit om de man te worden van de reuzin Samenvatting
Echt dapper is iemand die de man durft te worden van een reuzin. Een verlegen jongetje besluit dat dus te doen en gaat bij een reuzen-familie wonen. Wanneer hij wegloopt, achtervolgt de reuzen-moeder hem, maar met behulp van een egel doodt hij haar en keert als held terug naar huis. Lees het verhaal

Toelichting
Als er reuzen in Turkse sprookjes voorkomen, dan speelt de reuzen-moeder vaak een belangrijke rol. Zij is hier prachtig getekend: met haar borsten over haar schouder gegooid zit zij te zonnen. Ze kookt een lekkere pot van de armen en benen die haar reuzenkinderen uit hun holle kiezen peuteren. Als een bezorgde moeder kijkt ze of iedereen wel slaapt. Als een razende Griet gaat zij Keloğlan achterna. Meestal zijn het arme kinderen die bij reuzen terechtkomen en hen uiteindelijk te slim af zijn, zoals bijvoorbeeld Klein Duimpje. Hier is het Keloğlan (kale jongen, kaalkop). In sommige streken in Turkije, o.a. Antalya, worden kleine kinderen wel met de bijnaam Keloğlan aangesproken. Misschien is dat een verklaring voor het optreden van Keloğlan in dit verhaal. Keloğlan is overigens een bekende figuur in Turkse volksverhalen. Vaak is hij lui, ontrouw, bedondert de boel, is soms ook een beetje dom. Toch is hij een sympathieke figuur, misschien omdat hij zo gewoon is, een jongen uit het volk. Hij verslaat reuzen, draken en vervult moeilijke opdrachten. Ook helpt hij arme mensen en besteelt en bestrijdt rijke uitbuiters. Hij is dan arm, naïef en oprecht, dapper en slim. In een aantal verhalen vermomt een prins of prinses zich met een dierendarm over het hoofd als Keloğlan. Zo lukt het dan een moeilijke opdracht te vervullen of de reus te verslaan. Deze Keloğlan-vermomming is ook wel in werkelijkheid gebruikt.

Turkse verteltraditie uit de gebieden: Gemlik / Bursa, Diyarbakir , Kirşehir, Kastamonu, Istanbul, Ürgüp, Mersin, Develi / Kayseri, Bayburt, Ankara, Konya, Kars, Ardahan / Kars, Kaukasus, Ayancik / Sinop.

Bron: Az gittik uz gittik, Pertev Naili Boratav, Ankara 1969. Verteld door: Sisika Boratav (de moeder van Boratav) in 1939. Zij hoorde het omstreeks 1900 van een vrouw uit Gemlik. Vertaald door: Veronica Divendal, 1990.

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Oorspronkelijke titel
  • Erler-Karisia koca olmaya giden Keloğlan

Engelse titel
  • Keloglan and the Giant-Mother

Bron
"Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens. Verhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.

Herkomst: Turkije
Verteltijd: ca. 16 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook