Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 14 min.
Herkomst:




Kikkererwtje Een sprookje uit Turkije over een kleine jongen

Er waren eens een oud vrouwtje en haar man. Deze goede mensen hadden geen kinderen. Toen de vrouw op een dag in de zeef kikkererwten aan het uitzeven was, verzuchtte zij: "Ach, had ik maar zoveel kinderen als deze erwten." Maar die woorden waren haar mond nog niet uit of alle erwten veranderden stuk voor stuk in een kind. Het hele huis was in één klap gevuld met kabaal, ze maakten een leven als een oordeel. "Mama, we hebben honger! Mama, we hebben honger. Geef ons brood!" begonnen ze te roepen. De arme vrouw werd er gek van. Nu had ze die dag net deeg gekneed en ze wachtte tot het gerezen zou zijn, zodat ze het brood kon bakken. Maar de kindertjes vlogen met zijn allen op de schaal met deeg af en aten die helemaal leeg.

Het vrouwtje vroeg zich net af wat ze toch in vredesnaam met dat grut aan moest, toen haar man van het land thuiskwam. "Ha, vrouw," zei hij. "Vandaag zou je toch vers warm brood bakken?"

"O, vraag me d'r niet naar," zei de vrouw, "de kinderen hebben alles opgegeten!" - "Welke kinderen vrouw? Heb je soms je verstand verloren?"

Het vrouwtje vertelde alles. En ze vroeg: "Wat moeten we nu? Hoe kunnen we in godsnaam van ze afkomen?" Ze dachten lang en diep na. Eindelijk kwam de man met een oplossing: "Kijk vrouw, als het in dit tempo doorgaat zal er voor onszelf niets meer te eten overblijven. Lijkt het je geen goed idee als jij nou morgen een ketel water heet maakt en roept: 'Kom kindertjes van me, ik ga jullie wassen.' Dan maak je ze allemaal dood in het kokende water."

En dat deed de vrouw. Ze gooide ze allemaal in de ketel en zo doodde ze hen. Daarna keerde ze de ketel om en ging in een hoekje zitten. Maar de slimste van de erwtenkinderen was ontkomen toen de vrouw ze in de ketel gooide, en had zich in veiligheid gebracht. Hij was langs de deur omhoog geklommen en was in het sleutelgat gaan zitten. De vrouw had er helemaal niets van gemerkt en toen Kikkererwtje ineens riep: "Mama, ik zit hier!" was ze stomverbaasd. Ze keek zoekend om zich heen en dacht: Waar komt dat stemmetje nou toch vandaan? Toen het kind nog een keer riep, vroeg ze: "Waar ben je dan mijn zoon?" - "Kijk dan mama, ik zit hier! Ben je soms blind?"

Maar ze kon hem nergens ontdekken.

"Ik zit in het sleutelgat van de deur, mama. Als je me niet doodmaakt, kom ik eruit."

"Nee, ik maak je niet dood," zei de vrouw. (Tja, wat kon ze anders?) En het kindje kwam uit het sleutelgat te voorschijn en sloot vrede met de vrouw. Tegen de middag zei ze tegen hem: "Kom eens, mijn zoon, hier heb je eten, dat moet je naar je vader brengen."

"Goed moeder."

De vrouw bond een pan met pilav vast aan het pakzadel van de ezel. Erwtje ging in het oor van de ezel zitten.

Toen zij halverwege waren kwam er van de andere kant een stroopverkoper aan. Die stroopverkoper dacht dat de ezel daar zonder eigenaar liep. Ha! dacht hij, kijk eens aan, gratis pilav. Daar doe ik wat pekmez (druivenstroop) bij, en dan eet ik het lekker op. Zo gezegd zo gedaan. Maar op het moment dat hij de derde lepel naar zijn mond bracht, riep Erwtje: "Genoeg. Laat ook wat over voor mijn vader." Het hart van de stroopverkoper sloeg van schrik een slag over en hij viel dood neer. Erwtje bracht de pilav, nu mèt pekmez erbij, naar zijn vader. De oude man at zijn maal en zette intussen Erwtje aan het ploegen. Erwtje ging in het oor van een van de ossen zitten en begon te roepen: "Vort ja, vort ja." En zo ploegde hij de akker.

Precies op dat moment kwam daar de padisjah langs (in gewone kleren om niet herkend te worden). De padisjah zag tot zijn verbazing ossen de akker ploegen, zonder aandrijver erbij. Hij werd nieuwsgierig. Toen hij rondkeek, zag hij de boer zitten. Hij ging naar hem toe en zei goedendag. De boer groette terug. Na de gebruikelijke woorden: 'Hoe maakt u het, alles goed?' met elkaar te hebben gewisseld, vroeg de padisjah: "Oom boer, jij zit hier te zitten, maar wie is dan de akker aan het ploegen?"

"Mijn zoon."

"Watte? Er is toch niemand?"

"Ga er maar wat dichter naar toe, dan zie je het."

De padisjah bekeek de os aan alle kanten, maar niets, niets... Maar op het laatst ontdekte hij dan toch in het oor van de os een jongen, zo klein als een kikkererwt.

"Is dàt jouw zoon?"

"Ja, dat is hem helemaal!" zei de boer. De padisjah vond dat kikkererwt-jongetje wel erg grappig. Hij zei tegen de boer: "Ik ben de padisjah. Wilt u dat kind aan mij verkopen?"

De goede man dacht lang en breed na en uiteindelijk stemde hij erin toe, er zat niets anders op. Maar voor ze uit elkaar gingen zei Erwtje zachtjes tegen zijn vader: "Vader, de padisjah stopt me zo direct in zijn zak. Kom jij dan achter ons aan. Ik maak een gat in zijn zak, en dan heb jij zijn geld maar voor het oprapen." Zo gezegd, zo gedaan en de boer raapte heel wat geld op.

Toen de padisjah en Erwtje in het paleis waren aangekomen, vroeg de padisjah aan hem: "Erwt, wat wil je worden, herder, geleerde of kameeldrijver?" - "Kameeldrijver," zei Erwtje. De volgende dag gaven ze hem veertig kamelen onder zijn hoede. Hij dreef de kamelen al grazende naar de weiden van de padisjah. De kamelen moesten daar blijven grazen en zelf ging hij bovenop een hooimijt zitten. Toen een van de kamelen van de hooimijt at slokte hij in één hap ook Erwtje op. En zo was Erwtje verdwenen.

Het werd middag, maar geen Erwtje die in het paleis verscheen; het werd avond, nog geen Erwtje. De padisjah werd ongerust, en ging zelf naar de wei. Maar waar hij ook keek, hij zag geen Erwtje en hij begon te roepen: "Erwtje, Erwtje!" Erwtje antwoordde: "Ik zit in de buik van de eerste kameel."

De kameel werd geslacht, maar Erwtje zat er niet in. Weer riep de padisjah: "Erwtje, waar ben je?" - "Ik ben in de buik van de tweede kameel."

En die slachtten ze ook, ze zochten, maar weer niets! Op die manier werden al de veertig kamelen geslacht, maar Erwtje bleef onvindbaar. Nu wil het geval dat Erwtje in de lever van een van de kamelen was gevlucht. De padisjah liet al dat kamelenvlees uitdelen, en een arme vrouw kreeg toevallig die lever. Zij deed hem in haar mand en ging naar huis. Onderweg moest ze nodig plassen en ze hurkte neer. Erwtje riep vanuit de lever: "O, doe er iets voor, ik zie wat ik helemaal niet mag zien, schande!" Toen liet het vrouwtje van schrik de lever liggen waar die lag en ging er gauw vandoor.

Erwtje had er nu wel genoeg van en kwam uit de lever te voorschijn. Precies op dat moment kwamen er twee dieven langs. Ze waren met elkaar over een karweitje aan het praten: die nacht wilden ze naar een boerderij gaan om schapen te stelen. Erwtje riep hard: "Neem mij ook mee, ik kan een goede hulp zijn." De dieven vroegen verbaasd: "Wie schreeuwt daar zo?" - "Ikke," zei Erwtje. De dieven keken naar alle kanten, maar niemand te zien. "Waar ben je?"

"Kijk, hier zit ik, onder het doornstruikje."

Ze liepen naar de doornstruik, en waarachtig, daar zat tegen de stam een jongetje zo klein als een kikkererwt. Ze geloofden wel niet dat zo'n piepklein kereltje een goede hulp zou zijn, maar vooruit, ze namen hem toch maar mee.

Toen het donker was gingen ze naar de schaapskooi. Ze lieten Erwtje naar binnen gaan, die kon dan de schapen naar buiten jagen. Erwtje riep vanuit de schaapskooi: "Willen jullie een zwart of een wit schaap?" De dieven zeiden: "Stil, ssst. De boer hoort het en zal ons pakken." Maar Erwtje schreeuwde weer: "Moeten jullie nou een zwarte of een witte hebben?" Ten slotte hoorde de boer hun gepraat en kwam met een lantaarn in zijn hand naar buiten. Erwtje klom op de lantaarn en begon te krijsen: "Aman, help, oom, ik verbrand, ik verbrand." Toen de boer die stem van onder zijn hand hoorde liet hij van schrik de lantaarn op de grond vallen en hij vluchtte zijn huis in. De dieven pakten snel een paar lammetjes en namen die mee naar de oever van een beek. De volgende ochtend slachtten ze de lammetjes en roosterden het vlees. Maar ze hadden geen water om erbij te drinken. Erwtje sleepte toen de grote waterzak van huid (tulum), die zij bij zich hadden, moeizaam over de grond naar de beek. Hij vulde de zak met water; pakte een stok en begon daarmee op de zak te slaan. En hij schreeuwde erbij: "Niet slaan, oom boer, ik heb de lammetjes niet gestolen. Sla mij niet. Kijk, die twee dieven daar, die hebben het gedaan." Toen de dieven dat hoorden, dachten ze echt dat de boer was gekomen. Ze lieten al het geroosterde vlees achter, en gingen er als de wind vandoor. Zo bleef al de kebab voor Erwtje liggen. En die heeft ervan gegeten zoveel hij maar opkon, en hij dronk er naar hartelust water bij...

Van die lamskebab heeft Kikkererwtje mij ook een stukje gegeven. Maar toen ik de beek overstak, kwaakten de kikkers: "Wak, wak, wakkem." Ik dacht dat ze de boer riepen: "Pak, pak, pak hem!" Dus liet ik het vlees maar liggen en ben er gauw vandoor gegaan.


*   *   *

Kikkererwtje Samenvatting
Een sprookje uit Turkije over een kleine jongen. De Turkse versie van het sprookje Duimedik. Een jongetje zo klein als een kikkererwt (nohut) beleeft allerlei avonturen. Hij helpt zijn vader bij het ploegen, wordt verkocht aan de padisjah en opgegeten door een kameel en belazert een stel dieven. Lees het verhaal

Toelichting
Gelijkenis met Klein Duimpje van de gebroeders Grimm. Dit is echter wel een typisch Turkse versie, met Turkse elementen: Nohut (kikkererwt), padisjah, pilav, pekmez, kebap aan de oever van de beek, tulum en kamelen. Ook nu worden hier en daar in Turkije kamelen nog wel als lastdier gebruikt. De wens zoveel kinderen te hebben als de erwten die uitgezeefd worden, komt in Turkije in vrijwel al de versies van dit verhaal voor, ontbreekt echter in 'Klein Duimpje' van Grimm.

Nohut = kikkererwten zijn in Nederland pas kort bekend, sinds de migratie uit Spanje, Marokko en uit Turkije. In Turkije worden nohuts zowel in het warme eten gebruikt als gegeten als knabbeltje: gedroogd, gebrand, en met een laagje van het een of ander eromheen.

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Oorspronkelijke titel
  • Nohut oğlan

Bron
"Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens. Verhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" uitgegeven door Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.

Herkomst: Turkije
Verteltijd: ca. 14 min.
Leeftijd: vanaf 6 jaar

Lees ook