Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 51 min.
Herkomst:

Koning Shahriar en zijn broer Sjahzaman De eerste verhalen van 1001 nachten

In het verre Azië leefde eens een machtige vorst die over de landen India en China regeerde. Toen hij stierf, liet hij twee zonen achter. De een was al in de bloei van zijn leven, terwijl de ander nog genoot van zijn tienerjaren. Beiden knapen waren behendige ruiters, maar de oudste jongen was beter dan de jongste, waardoor hij, volgens de wetten van het land, de opvolger van zijn vader moest worden. Zijn naam was Sjahriar en hij regeerde met zoveel oprechtheid en vaardigheid, dat hij bij zijn volk bijzonder geliefd werd.

Toen zijn jongere broer Sjahzaman de volwassen leeftijd had bereikt, werd hij tot koning van Samarkand gekroond. Beide broers regeerden in hun eigen koninkrijk met eerlijkheid en rechtvaardigheid en de onderdanen van beide vorstendommen waren gelukkig en tevreden. Nadat er tientallen jaren waren verstreken, begon de oudste broer naar zijn jongere broer te verlangen. Hij gaf zijn vizier opdracht om een brief op te stellen waarin hij Sjahzamam uitnodigde bij hem te komen. De uitnodiging moest vergezeld gaan van de prachtigste geschenken, zoals paarden versierd met de mooiste zadels, goud, juwelen, dure handgeborduurde stoffen en beeldschone maagden. In de brief liet de vorst schrijven dat hij naar zijn broer verlangde, maar dat zijn gezondheid het niet meer toeliet om verre reizen te maken. Zijn enige wens was voor zijn sterven een fijne tijd met hem te mogen delen.

Toen de vizier zijn werk had gedaan, verzegelde de vorst de perkamenten rol en overhandigde hem aan zijn eerste vizier met de opdracht om zijn uiterste best te doen, zo snel mogelijk met zijn broer terug te keren. 'Uw wens is mijn bevel, hoogheid,' sprak de man eerbieding, waarna hij spoorslags de vergaderzaal verliet om zich op de lange reis naar het verre Samarkand voor te bereiden.

Na drie dagen nam de vizier afscheid van de koning en vertrok met een karavaan naar het verre vorstendom van Sjahzaman. Ze reden over hoge bergen, door woestijnen en groene valleien en telkens wanneer de lange stoet in een provincie aankwam, die onder het bewind van Sjahzaman viel, werden ze uitbundig verwelkomd met prachtige geschenken en overdadig veel voedsel. Het welkomstritueel schreef hen voor dat zij drie dagen in de provincie moesten blijven, waardoor de reis wel heel erg lang duurde. Eindelijk, na 30 dagen naderden zij het hof van Samarkand en de vizier gaf een van zijn hoge functionarissen de opdracht om vooruit te reizen en hun komst aan te kondigen.

De koerier meldde zich bij de koning en bracht de boodschap over. Blij met de komst van de afgezanten van zijn oudere broer, beval de jonge vorst zijn edelen de koerier te vergezellen om de lange stoet naar de stad te escorteren. Volgens de regels van het vorstendom kuste de vizier de bodem voor de konings voeten en overhandigde hem, met een gebogen hoofd, de verzegelde rol perkament. Hij vertelde de koning over de uitnodiging van zijn oudere broer en zei dat deze hem dolgraag wilde zien, maar te oud was om nog een lange reis naar het verre Samarkand te maken.

De vorst nam uitgebreid de tijd om de brief zorgvuldig te lezen en toen hij uitgelezen was, zei hij: 'Ik zal de uitnodiging 'van mijn broer aanvaarden, maar ik kan niet vertrekken voordat ik u heb geëerd met de drie dagen gastvrijheid, zoals het hof die voorschrijft.' De vizier stemde hier uiteraard mee in en volgde daarna de vorst, die hem een aantal paleisvertrekken toewees. Voor de meegereisde soldaten werden grote tenten opgesteld en zij werden rijkelijk van drinken en eten voorzien.

Nadat de drie dagen van feesten waren verstreken, maakte het

gezelschap zich gereed voor de lange reis. Sjahzaman had een lange stoet van kamelen gereed laten maken en wagens laten aanrukken, gevuld met de meest kostbare geschenken voor zijn broer. De hoofdvizier werd door de vorst tot onderkoning beëdigd, zodat het land tijdens zijn afwezigheid toch bestuurd kon worden en nadat alle voorbereidingen getroffen waren, verliet de koning het paleis om aan de rand van de stad zijn kampement op te slaan. In het vroege ochtendgloren van de nieuwe dag werd de reis naar de hoofdstad van het rijk van zijn broer aanvaard.

Het was in het midden van de eerste nacht toen de jonge koning plotseling wakker schrok. Hij besefte opeens dat hij het meest persoonlijke geschenk voor zijn broer was vergeten en zonder zich een moment te bedenken, vertrok hij in het holst van de nacht om het cadeau op te halen. Nadat hij in zijn paleis was aangekomen, begaf hij zich onmiddellijk naar zijn slaapvertrek, waar hij het geschenk voor zijn broer had laten liggen. Hij opende de deur, maar zag tot zijn grote schrik dat zijn vrouw in de armen van een zwarte kok lag te slapen. Beiden lagen naakt en vreedzaam ineengestrengeld op zijn grote bed. Toen de vorst het slapende stel enige seconden had aanschouwd, werd hij overvallen door een vlaag van woede en zonder zich maar ook een moment te bedenken greep hij zijn kromzwaard en liep naar het bed en doodde het slapende stel. Badend in het bloed liet hij de ontzielde lichamen achter. Nadat hij het geschenk voor zijn broer had gepakt, begaf hij zich terug naar het kamp en zonder iemand iets over het voorval in het paleis te vertellen, gaf hij zijn onderdanen meteen opdracht om het kamp op te breken en de reis naar zijn broer te vervolgen.

Terwijl de karavaan zich door het dorre landschap voortbewoog moest de koning steeds weer aan het bedrog van zijn vrouw denken. Iedere keer zag hij de naakte lichamen op zijn bed liggen en telkens weer vroeg hij zich af hoe zij hem dit had kunnen aandoen. Hoe kon deze gewetenloze vrouw haar eigen dood veroorzaken? Het bleef maar aan hem knagen en na dagen van verdriet ging de koning er steeds slechter uitzien. Zijn lichaam verzwakte met de dag en zijn gelaat werd wit en mager. Het leek wel alsof de vorst was bevangen door een ernstige ziekte.

Toen de lange stoet uiteindelijk de hoofdstad was genaderd, stuurde Sjahzaman een boodschapper naar zijn broer om zijn komst aan te kondigen. Koning Sjahriar was vol vreugde over de komst van zijn jongere broer en reed hem snel met zijn gevolg tegemoet. Na een innige begroeting, beval hij zijn eerste minister om de hele stad ter ere van de komst van zijn jongere broer te versieren.

Het was de oude koning echter niet ontgaan, dat zijn broer er slecht uitzag en bezorgd vroeg hij hem wat er aan de hand was. 'Ach broer, het zal wel door de lange reis zijn gekomen. Uiteindelijk gaan de jaren voor mij ook tellen,' zuchtte Sjahzaman. 'Na een aantal dagen rust zal het wel over zijn. Maar Allah zij geprezen! Ik ben herenigd met mijn oude en wijze broer en dat is het voornaamste wat nu telt.' Daarna reden de twee vorsten naar het paleis en de bezorgde, oude vorst bracht zijn broer naar het beste vertrek in het paleis om hem te laten rusten. Na enige weken viel het de vorst op dat zijn broer er toch steeds slechter uit ging zien. Hij dacht dat het kwam omdat hij heimwee had naar zijn land en vond het maar beter om hem geen vragen over zijn gezondheid te stellen. Maar hoe langer het duurde, hoe meer zorgen de oude koning zich over zijn geliefde broer ging maken en hij zei: 'Vertel me mijn broer, het is mij opgevallen dat je er nog zwakker en bleker uit bent gaan zien. Ik maak mij grote zorgen om je. Wat is er toch met je?' Sjahriar durfde zijn broer nauwelijks aan te kijken en vertelde hem alleen dat de ziekte in zijn hart zat en niemand deze zou kunnen genezen.

De oude koning was het daar helemaal niet mee eens en liet de beste artsen van het land komen om zijn broer te behandelen. Maar niemand was in staat om de zieke Jahriar te genezen.Telkens moest hij aan het bedrog van zijn vrouw denken.

Hij werd steeds zwakker en zwaarmoediger en zelfs een behandeling met bloedzuigers veranderde niets aan zijn gezondheidstoestand.

Op een dag besloot de oudste koning om op jacht te gaan en hij dacht dat het een goed plan zou zijn om zijn broer mee te vragen. Maar de jongeman sloeg de uitnodiging af en zei: 'Het spijt me broer, maar ik ben niet in de stemming. Ik smeek je, laat mij rustig in je paleis blijven. Het zal nog lang duren voor ik van deze ziekte ben genezen.'

De oudste begreep de pijn van zijn broer en vertrok met zijn onderdanen naar het jachtterrein. De jongste broer bracht de nacht alleen in het grote paleis door en verliet de volgende ochtend zijn vertrek en ging in een nis zitten, die uitkeek over de tuinen van zijn broer. Terwijl hij in de verte staarde, werd hij opnieuw overspoeld door verdriet en slaakte een diepe zucht. Plotseling hoorde hij het geluid van een openslaande deur en itot zijn grote verbazing zag hij oogverblindend mooie slavinnen de tuin in komen. Ze bewogen zich met een gratie die alleen mooie vrouwen bezitten. In het midden van de groep ontwaarde hij de vrouw van zijn broer. Ze was gekleed in een doorzichtig gewaad en was blootsvoets. Sjahzaman kon zijn ogen niet geloven. Vol verbazing bleef hij roerloos op zijn plek zitten en zag dat het gezelschap verder de tuin in liep om zich bij de grote fontein van hun gewaden te ontdoen. Hij telde maar liefst tien van de mooiste bijvrouwen van de koning, vergezeld door tien blanke slaven. De vrouwen gaven zich met hun slaven aan het minnespel over en de koningin bleef alleen achter. Maar dat duurde niet lang. Na een luide roep om haar minnaar Mazoed, stond opeens een oogverblindend mooie zwarte slaaf voor de vrouw. Hij sloeg zijn armen om haar hals en kuste haar hartstochtelijk, terwijl de koningin hem met evenveel enthousiasme omarmde.

En zo brachten de mannen en vrouwen de hele dag door in een roes van genot. Ze bedreven de liefde vol hartstocht totdat de schemering inviel en daarna verlieten de mannen en vrouwen de tuin door dezelfde geheime deur waardoor zij naar binnen waren gekomen.

Sjahzaman, die het hele spel had aanschouwd, dacht bij zichzelf: 'Dit is veel erger dan wat mij is overkomen. Ik snap niet waarom ik me al die tijd zo kwaad heb gemaakt en me zo verdrietig heb gevoeld' En de gekwetste jonge koning begon weer te eten en te drinken. Hij genoot van het voedsel en had een rustige nacht. Zijn gezondheid en kracht waren spoedig weer helemaal terug. Toen de oude koning van de jacht terugkeerde, zag hij tot zijn grote vreugde, dat zijn broer was hersteld en hij zei: 'Ik sta er werkelijk versteld van hoe goed je er nu uitziet. Je gezicht heeft weer kleur gekregen en je ogen stralen weer. Vertel me, wat is de reden van deze plotselinge verandering? Wie of wat heeft je van je ziekte genezen?'

'Ik zal je vertellen waarom ik ziek ben geworden, maar vergeef me, geliefde broer, de reden van mijn genezing zal ik je helaas niet kunnen zeggen. Die zal ik altijd als een groot en zwaar geheim bij mij moeten dragen.' Verbaasd keek de oude koning naar zijn broer en antwoordde met een rustige stem: 'Vertel mij je verhaal en ik zal luisteren.' En Sjahzaman vertelde over de bewuste nacht waarop hij zijn vrouw op ontrouw had betrapt en haar en haar minnaar had vermoord. 'Het verdriet over mijn daad nam bezit van mijn lichaam en daardoor verzwakte ik. Maar nu ben ik hersteld en kan ik het leven weer aan,' sprak de koning tot zijn broer. De oude koning was blij dat zijn broer was genezen maar hij kon zich niet niet bedwingen om naar de reden van zijn herstel te vragen. 'Bij Allah, ik ben blij dat je weer beter bent, maar nu wil ik weten wie of wat je van je ziekte heeft verlost. Ik sta erop dat je me dat vertelt.'

En daarop vertelde de jongste broer, met grote tegenzin, wat hij in de tuin had gezien. Het spijt mij Sjahriar', maar dit is de waarheid. Ik heb het met mijn eigen ogen mogen aanschouwen.' Nadat hij het verhaal van zijn broer had aangehoord, ontstak de oude koning in woede en zei hem dat ook hij het met eigen ogen wilde aanschouwen. 'Het is niet dat ik je niet geloof mijn beste, maar het verhaal is zo vreselijk, dat ik het alleen kan geloven als ik het zelf heb gezien.'

En samen bedachten de broers een list. Ze wendden voor dat ze gezamenlijk op jacht zouden gaan en lieten alle voorbereidingen treffen. De jachtstoet vertrok, maar stiekem keerden de beide mannen terug naar het paleis en verstopten zich op dezelfde plaats waar de jonge koning had gezeten. En opnieuw verschenen de slavinnen en slaven in het gezelschap van de koningin en de beide broers waren getuige van dezelfde erotische taferelen die zich eerder in de tuin van het paleis hadden afgespeeld. Nadat de schemer haar intrede had gedaan en iedereen de tuin had verlaten, raakte de oude koning buiten zichzelf van woede.
Hij brieste: 'De enige manier om dit te verwerken is om hier vandaan te gaan. We zullen niet meer over dit land regeren totdat we iemand hebben gevonden die het zelfde is overkomen als ons. Mocht dit niet gebeuren, dan zal de dood voor ons de enige uitweg zijn.
En zo vertrokken beide broers in het geheim, diep in de nacht en reden totdat ze bij een open vlakte kwamen, waar een rivier in een grote, blauwe zee uitmondde. Ze verfristen zich door een duik in de rivier te nemen en besloten om hun paarden van de lange reis te laten rusten. Gezamenlijk tuurden de mannen over de zee totdat het hen plotseling opviel dat de kleur van het water begon te veranderen en de golven hoger begonnen te worden. Geschrokken vluchtten de mannen naar een boom en klommen erin, zo hoog als zij konden.

Vanuit de boom zagen ze hoe de eens zo rustige golven in vloedgolven veranderden en hoe temidden van dit geweld een hoge zwarte zuil omhoog rees. De zuil, gevuld met rook, werd hoger en hoger tot hij bijna tot de hemel reikte. Het grote gevaarte bleek de geest van Salomo, het hoofd van alle geesten, te zijn. Zijn voorhoofd was breed, zijn huid was donker getint en op zijn hoofd balanceerde een kristallen hutkoffer. Met grote passen schreed hij door het diepe water naar de kust en nam plaats onder de boom waarin de twee koningen zich hadden verscholen.

De geest had de koffer naast zich neergezet, opende deze met een grote gouden sleutel en haalde er een beeldschoon meisje uit te voorschijn. Hij keek haar aan en zei: '0, mooiste vrouw van alle vrije vrouwen, ik heb u ontvoerd voordat u door een ander zou worden bemind. 0 mijn liefste vrouw, ik ben moe en wil hier rusten voordat wij weer verder zullen reizen.' Hierop viel de grote Salomo in slaap en snurkte zo hard dat de aarde trilde.

Plotseling keek het meisje omhoog en ontwaarde de beide broers die nog steeds boven in de boom zaten. Voorzichtig liep zij bij de reus vandaan en beduidde de beide mannen dat ze naar beneden moesten komen. Geen van de broers durfde echter uit de boom te komen en de oudste broer zei: 'Verontschuldig ons, schone vrouwe, maar door de aanwezigheid van de Grote Salomo durven wij niet naar beneden te komen.' Het meisje keek met haar grote ogen strak naar de koningen en zei: 'Ik vrees dat ik de geest zal moeten wakker maken als geen van jullie beiden naar beneden komt.' Geschrokken door haar woorden besloten de beide broers te gehoorzamen en voorzichtig klommen ze naar beneden. Nog voor ze beneden waren, zagen zij, tot hun grote verbazing, dat het meisje zich van haar kleding ontdeed en toen de mannen eenmaal naast de boom stonden, liep zij gracieus naar hen toe en verlangde van de broers dat zij de liefde met haar zouden bedrijven. 'Maar schone vrouwe,' sprak koning Sjahriar, 'Hoe kunt u dit van ons verlangen? U weet dat de aanwezigheid van de Grote Geest ons angst inboezemt en bovendien hebben wij het liefdesspel voorgoed afgezworen.' Het meisje werd boos en om haar eis kracht bij te zetten, schreeuwde ze: 'Als jullie mij niet hier en nu liefhebben, dan zal ik mijn woorden waarmaken en Salomo wakker maken.'

En, gedreven door angst, deden beide broers wat het meisje van hen verlangde en bedreven met haar de liefde. Eerst de oude koning, gevolgd door zijn jongere broer. Na afloop van het minnespel haalde zij een rode buidel tevoorschijn, gooide de inhoud ervan op het witte strand en zei: 'Kijk goed! Dit zijn de zegelringen van driehonderd achtenveertig mannen waarmee ik de liefde heb bedreven. Nu eis ik ook van jullie beiden je zegelring. Dan heb ik er driehonderd en vijftig. Het zal mij sterken in mijn wens deze geest te bedriegen, want hij heeft mij opgesloten om me als een deugdzame vrouw door het leven te laten gaan. Ik wil bewijzen dat een vrouw alles kan krijgen wat ze maar wil en geen man zal haar dat verhinderen.'

De beide broers waren sprakeloos over haar verhaal en gaven haar hun zegelring. Met een voldane glimlach om haar mond stopte ze deze samen met de andere ringen in haar buidel en liep terug naar de geest om zijn hoofd weer op haar schoot te leggen.

Vervolgens gebood ze de mannen om de plek te verlaten. Terwijl zij aan dit bevel gehoor gaven, zei de oude koning: 'Dit avontuur is van groot belang. Het is de wil van Allah geweest dat wij deze vrouw moesten ontmoeten. Wij moetenons getroost voelen en terugkeren naar ons land, maar oppassen om niet weer in het huwelijk te treden en ons daardoor aan een vrouw te binden. Ik zal je laten zien wat ik van plan ben.'

Daarop keerde de mannen terug naar het land van de oudste broer waar zij hartelijk verwelkomd werden door hun dienaren en de edelen. De oude koning gaf direct zijn vizier opdracht om zijn gemalin te doden en zelf doodde hij met zijn kromzwaard zijn tien bijvrouwen.
De volgende dag deelde hij zijn vizier mede dat hij voor iedere nacht een jonge maagd zou kiezen, die de volgende dag ter dood veroordeeld zou worden, omdat hij er van overtuigd was dat er geen enkele echtgenote op deze aarde rondliep, die trouw was en dat er ook in de toekomst nooit trouwe echtgenotes zouden zijn.
Nadat Sjahriar had gezworen met niemand over het voornemen van zijn broer te spreken, verliet hij het paleis, om terug te keren naar zijn eigen land.

De oude koning beval intussen zijn vizier om voor iedere nacht van het jaar een vrouw te brengen, waarmee hij vurig de liefde kon bedrijven, om haar de volgende dag ter dood te laten brengen.
De vizier reisde stad en land af om aan de wensen van zijn koning te voldoen.
Hij bracht zijn meester de dochters van een talloze groten van het land en de dochters van vele vazallen en alle jonge vrouwen werden, nadat zij de nacht met de vorst hadden doorgebracht, in de vroege ochtend onthoofd. Zo ging het net zolang door tot er in het hele koningrijk geen jonge maagd meer over was. Het volk was in diepe rouw door het verlies van de jonge vrouwen en keerde zich massaal tegen de koning. Ze vervloekten hem en smeekten Allah,de almachtige, hem te onttronen en te doden. De oude vorst was echter niet onder de indruk van de onvrede onder zijn volk en beval de vizier wederom een maagd voor hem te zoeken. Maar hoe de vizier ook zocht, hij vond in het hele vorstendom geen enkele maagd meer en verslagen keerde de man huiswaarts.

Nu had de vizier zelf twee dochters, de oudste heette Sheherazade en de jongste Dinarazade. Sheherazade had vele boeken gelezen en was daardoor een ontwikkelde vrouw geworden. Zij kon boeiend vertellen over volken in verre landen, had verstand van geneeskunde en kende uitspraken van vele geleerden en vorsten.

Ze wist dat haar vader onder grote druk van zijn koning stond en dat hij tevergeefs op zoek was naar een jonge maagd om aan de wens van de vorst te voldoen. Op een dag zei zij tot haar vader: 'Het doet mij pijn om u en het volk gebukt te zien gaan onder deze moordlustige koning. Ik zal met deze man trouwen om ons land van zijn moordlust te bevrijden. Zal het mij niet lukken, dan ben ik bereid te sterven.'

De vizier was woedend op zijn dochter en riep: 'Bij Allah, ben je waanzinnig geworden. Je weet toch dat de koning heeft gezworen dat hij iedere morgen de vrouw, met wie hij de nacht heeft doorgebracht zal doden?' 'Maar vader.' sprak Sheherazade 'Ik zie het als mijn plicht om dit te doen en niemand, maar dan ook niemand zal mij tegen kunnen houden.' De vizier werd nog bozer en, in zijn angst om haar te verliezen, dreigde hij haar: 'Als jij dan toch de waarheid wilt weten, dan zal het jou net zo vergaan als de os en de ezel.' Nieuwsgierig geworden door de uitspraak van haar vader vroeg zij: 'Vertel mij vader, wat is dat dan voor een geschiedenis?'

En de vizier begon zijn verhaal:
Er was eens een landheer, die vele goederen en dieren bezat. Bovendien bezat hij een bijzondere gave. Allah had hem namelijk gezegend met de gave om de taal van de dieren te kunnen verstaan, alleen mocht hij dit nimmer aan een ander openbaren. De hemel had bevolen dat hij zou sterven, zodra hij dit aan iemand zou vertellen. En zoals het een gelovig man betaamt, hield de landheer zijn geheim voor zich.
Nu had hij, in zijn goed gevulde stal, een ezel en een os die gezamenlijk het voer uit de kribbe moesten delen. Op een dag liep de man naar de stal en hoorde hoe de os tot de ezel sprak: 'Jij mag van geluk spreken mijn vriend. Jouw stal is keurig aangeveegd. De boer geeft je beter voedsel en je krijgt meer rust dan goed voor je is. Kijk naar mij. Mijn flanken zijn ruw geschaafd door het juk dat ik iedere dag moet dragen. Men laat mij werken van de vroege ochtend tot de late avond en als dank krijg ik bonen en afval. Jij staat de hele dag schoon en uitgerust in de schuur en hoeft alleen maar te wachten totdat de heer een keertje zin heeft om op je te rijden.' Toen de os met zijn klaagzang klaar was, keek de ezel hem aan en zei: 'Jij bent werkelijk een arme ziel. Als de boer jou weer wil inspannen, trap en stoot en loei dan net zo hard en lang tot hij jou met rust laat. Lukt dit niet, laat je dan vallen en sta niet meer op totdat hij zijn pogingen staakt. Weiger de bonen en eet alleen maar wat hooi en kaf. Doe net of je ziek bent en je zult zien hoe goed men je zal behandelen. '

De os bedankte de ezel voor zijn wijze woorden en zei: 'Dat Allah je voor alle rampen zal mogen behoeden.' En hij bad die avond dat de ezel voor zijn goede raad zou worden beloond. De vizier schraapte zijn keel en zei: 'Vergeet niet, mijn Sheherazade, dat de landheer dit allemaal had verstaan,' en hij vervolgde zijn verhaal.

Toen de volgende dag de boer de os op kwam halen om hem voor het werk in te spannen, volgde deze de raad van de ezel op. Hij begon te trappen en te stoten en uiteindelijk liet hij zich in de zwarte modder vallen. De boer schrok heftig en mompelde: 'Bij Allah de Almachtige, het arme dier is zeker ziek geworden. Ik zal het maar weer naar zijn stal terug brengen.' En nadat hij de os naar de stal had teruggebracht, liep hij rechtstreeks naar zijn landheer om hem te vertellen dat de os ziek was geworden. De landheer begreep het hele verhaal uiteraaard onmiddellijk en gaf de boer de opdracht om de ezel in te spannen om deze het werk van de os te laten doen. De boer volgde de raad van zijn landheer op, spande de ezel in en sloeg hem met zijn zweep net zolang totdat deze aan het werk ging.

Het arme dier kon die avond geen poot meer verzetten. De os echter had die dag lekker kunnen uitrusten, in alle rust zijn voederbak leeggegeten en, zoals hij had beloofd, voor de ezel gebeden. Toen hij de ezel de stal in zag komen bedankte hij hem eerbiedig voor de wijze raad die hij van hem had gekregen en vertelde hem dat hij zich al een stuk beter voelde. Maar de ezel betreurde uiteraard dat hij de os deze raad had gegeven en mompelde in zichzelf: 'Wat ben ik dom geweest om mijn neus in andermans zaken te steken. Dit is allemaal mijn eigen schuld. Ik zal een list moeten verzinnen, anders zal ik hieraan ten gronde gaan.'

De vizier stopte met zijn verhaal en keek zijn dochter verdrietig aan. 'Bedenk goed wat je mij net hebt aangeboden, oudste dochter,' sprak hij tot haar. 'Dit kan jou ook overkomen.
Daarom wil ik geen gehoor geven aan de wens die je net hebt uitgesproken. Bij Allah, luister naar je vader en stop met je dwaze voornemens.' Sheherazade bleef rustig zitten en zei: 'Vader, niemand kan mij tegenhouden, noch u, noch mijn moeder, noch de Almachtige Allah. Mijn besluit staat vast.'

Bij de gedachte zijn dochter te verliezen, werd de vizier steeds wanhopiger. 'Als je je mond nu niet houdt Sheherazade, krijg je van mij hetzelfde wat de vrouw van de landman kreeg.' 'Wat heeft de vrouw van de landheer dan wel gekregen?' vroeg de dochter nieuwsgierig.

En haar vader vertelde verder: Op een nacht kon de landheer de slaap niet vatten en hij besloot een wandeling over zijn erf te maken. Hij kleedde zich aan, sloot voorzichtig de deur van zijn huis en liep naar de stallen, waar zijn vee stond. Plotseling hoorde hij de ezel tegen de os zeggen: 'Vertel me, mijn beste os, wanneer denk je weer te gaan werken?'

Waarop de os antwoordde: 'Dat weet ik nog niet. Ik zal morgen weer hetzelfde doen wat je mij gezegd hebt.' De ezel schudde zijn bruine kop en liet zijn oren hangen. 'Dan zal ik je toch nog iets moeten vertellen, mijn beste. Ik ben namelijk getuige geweest van een gesprek tussen de landheer en de boer. De landheer heeft besloten je morgen te laten slachten als je je voer niet opeet. Volg alsjeblieft mijn goede raad op en eet alles wat je in je kribbe krijgt op, anders zal het je dood betekenen.' De os loeide hard en bedankte de ezel voor de waarschuwing.

De volgende ochtend liepen de landheer en zijn vrouw naar de binnenplaats, waar de boer net bezig was de os naar buiten te leiden. Toen het dier zijn landheer zag staan, loeide hij hard en kwispelde met zijn staart. De boer was hevig verbaasd over het gedrag van de os maar de landheer moest bij het zien van het rund zo hard lachen dat hij bijna omviel. Hij begreep onmiddellijk dat de ezel de os te slim af was geweest. De vrouw van de landheer begreep er natuurlijk helemaal niets van en vroeg haar man waarom hij zo hard moest lachen. 'Helaas is het mij verboden om je te vertellen waarom ik moet lachen, lieve vrouw,' antwoordde de landheer. 'Als ik het zou doen, dan zal ik sterven. Ik kan je alleen vertellen dat ik lach om de taal van de dieren.' De vrouw werd boos over het antwoord van haar man en beval hem zijn geheim te vertellen. 'Als jij blijft zwijgen dan zal ik je verlaten,' sprak ze woedend. De landheer beval haar met hem mee naar huis te gaan en daar riep hij alle familieleden bij elkaar en vertelde hen dat zijn dood spoedig zou naderen. 'Mijn vrouw verlangt van mij een geheim te vertellen. Maar de hemel zal mij met de dood bestraffen als ik dat prijsgeef.'

Vervolgens liet hij een gerechtsdienaar komen en liet een testament voor zijn vrouw en kinderen opstellen. De liefde voor zijn vrouw was zo groot dat hij haar verzoek niet kon weigeren, ook al zou het zijn dood tot gevolg hebben.

Zijn kinderen probeerden hun moeder nog over te halen, om haar man niet meer naar zijn geheim te vragen, maar de vrouw was niet te vermurwen. Ze wilde, ondanks de wetenschap dat haar man zou sterven, zijn geheim weten. Nadat de landheer zijn testament had opgemaakt, verliet hij voor enkele minuten het huis om afscheid te nemen van zijn vee en om in gebed te gaan, voordat hij voorgoed zijn ogen zou sluiten. Niet ver van hem vandaan hoorde hij plotseling een van zijn honden een haan, die op dat moment klapwiekend de liefde met een kip bedreef, bestraffend toespreken. 'Hoe kun je dit doen, schaamteloze haan. Alle honden zijn op deze dag in de rouwen jij bedrijft het minnespel met een van je hennen. Dat is toch geen stijl!' De haan keek vanuit zijn ooghoeken naar de hond en vroeg hem verbaasd wat er dan wel aan de hand was. 'Weet je dan niet dat het de sterfdag van onze landheer is. Zijn vrouw wil zijn geheim weten, terwijl zij weet dat hij zal sterven, als hij het haar vertelt.' De haan moest hartelijk om de hond lachen en
antwoordde dat de landheer een domme man was. 'Heeft hij dan zo weinig verstand van vrouwen. Kijk naar mij. Ik heb vijftig hennen en weet ze allemaal te bevredigen. Onze landheer heeft maar een vrouwen de man kan haar niet eens onder controle houden? Wat hij moet doen is een stuk hout pakken, haar meenemen naar zijn kamer en haar zo afranselen dat zij het zal uitgillen van de pijn. Hij moet niet stoppen met slaan, voordat ze hem heeft beloofd nooit meer naar het geheim te vragen. Onze landheer denkt dat hij een wijze en slimme man is, maar dat is hij niet. Als hij doet wat ik zeg, hoeft hij helemaal niet te sterven. '

Toen de landheer de woorden van de haan had gehoord, sneed hij een tak van een eikenboom en verstopte die in de slaapkamer. Daarna liep hij naar de woonkamer en vroeg zijn vrouw met hem mee te komen, omdat het tijd was geworden om zijn geheim met haar te delen.
Hij vergrendelde de deur van de slaapkamer en begon woedend op haar in te slaan. 'Waarom wil je alles van mij weten, zelfs als ik hiervoor moet sterven?
Waarom doe jij mij dit aan?' gilde hij en hij bleef maar door slaan totdat de vrouw hem smeekte te stoppen en hem plechtig beloofde dat ze nergens meer naar zou vragen. Met een betraand gelaat kuste ze zijn handen en voeten. De vrouw was weer onderdanig, zoals het hoorde, en de wijze raad van de haan had de droevige stemming alom in vreugde doen omslaan.

De vizier keek Scheherazade verdrietig aan en sprak met kalme stem: 'Hetzelfde zal jou ook overkomen, als je hier niet mee ophoudt.' Maar Sheherazade antwoordde wederom: 'Niemand kan mij van mijn besluit afbrengen en als u mij niet naar de koning brengt, zal ik mij persoonlijk aan de vorst aan bieden en dan zal ik hem vertellen dat u hem mij wilde onthouden.' De vizier besefte dat hij zijn dochter er niet van kon weerhouden en vertrok uiterst verdrietig naar het paleis van koning Sjahriar. Zoals gebruikelijk kuste hij de grond voor de konings voeten en vertelde de vorst dat hij hem de eerstvolgende nacht zijn oudste dochter zou brengen.

De koning was zeer verbaasd en herinnerde zijn vizier aan de eed. 'Je weet toch dat ik de hemel heb gezworen dat ik na iedere nacht, die ik met een vrouw heb doorgebracht haar ter dood zal laten brengen en dat jij degene bent die het vonnis moet voltrekken?' De vizier knikte en zei: 'Het was haar eigen besluit majesteit. Zij staat erop de nacht met u door te brengen. Naar mijn goede raad wilde ze niet luisteren.'

De koning begreep er niets van, maar gaf de vizier toestemming om zijn dochter naar het kasteel te brengen. Verslagen kwam de vizier terug bij zijn dochter en sprak: 'Bij Allah! Ik weet zeker dat ik je zal gaan verliezen.' Maar Scheherazade was verheugd en legde de spullen, die zij mee wilde nemen, gereed. Daarna liep zij naar haar jongste zus, Dinarazade en zei: 'Luister, lief zusje. Als ik bij de koning ben, zal ik opdracht geven om jou te laten komen. Nadat je hebt gezien dat hij de liefde met mij heeft bedreven, moet je mij vragen om een verhaal te vertellen. Dat zal mijn redding zijn en die van de het hele land.' 'Ik zal precies doen wat je gezegd hebt.' antwoordde Dinarazade.

Toen de nacht was aangebroken, vertrok Scheherazade naar het paleis. De koning was verheugd haar te zien en probeerde haar te kussen en te minnekozen maar plotseling begon het meisje te huilen. De koning schrok van haar reactie en vroeg haar naar de reden. 'Ik heb een jongere zus, van wie ik geen afscheid heb kunnen nemen. Graag zou ik haar gedag willen zeggen, voordat de ochtend aanbreekt.'

De koning bedacht zich geen moment en gaf een van zijn onderdanen opdracht om Dinarazade te halen. Het meisje kuste de grond voor de koning zijn voeten en hij gaf haar opdracht om op het voeteneind te gaan zitten.
Ze zag hoe de vorst haar zuster ontmaagdde en na het liefdesspel vroeg ze, zoals was afgesproken aan haar zuster: 'Moge Allah met je zijn. Alsjeblieft, vertel ons een van je mooie verhalen, om de tijd tot zonsopgang te doden.' Scheherazade vroeg de koning nederig om toestemming en nadat zij die gekregen had, begon het meisje met zachte stem een verhaal te vertellen.

Zij vertelde zo mooi, dat de koning telkens om een nieuw verhaal vroeg en bij het ochtendgloren zelfs helemaal vergat om haar te laten vermoorden.
En zo zat Sheherazade de volgende avond weer aan het bed van de vorst en weer boeide ze hem zo, dat hij haar liet leven.

En meer dan duizend nachten ging dat zo door en zo ontstonden de verhalen uit duizend en een nacht.


*   *   *

Koning Shahriar en zijn broer Sjahzaman Samenvatting
De eerste verhalen van 1001 nachten. Dit is het eerste verhaal van de 1001 nachtverzameling Lees het verhaal

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Bron
1001 nachtvertellingen ISBN – 90-8507-018-x Uitgeverij Libro

Herkomst: Iran
Verteltijd: ca. 51 min.
Leeftijd: vanaf 12 jaar

Lees ook