Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 14 min.
Herkomst:




Koning Vikarmajita Een Indiaas verhaal over de toverkunsten van een koning en een wasman

Er was eens een koning die Vikarmajita heette. Hij was heerser over een groot en machtig rijk. Op een dag maakten een tovenaar en zijn vrouw hun opwachting aan zijn hof, met het verzoek om hun kunsten te mogen vertonen. De koning gaf zijn toestemming en de twee begonnen zich voor te bereiden.

Toen het leek alsof zij daarmee klaar waren, liep de tovenaar naar de koning toe en vroeg: "Koning, ik moet nu even weg, kunt u in de tussentijd op mijn vrouw letten?" De tovenaar verdween, terwijl zijn vrouw en de koning tegenover elkaar bleven zitten. Plotseling zagen zij een arm door de zaal vliegen.

De vrouw ving hem uit de lucht op en riep: "Het is de arm van mijn echtgenoot!" Even later vloog een tweede arm door de zaal, en ook deze ving zij op.

Daarna volgden achter elkaar een been, een tweede been, één helft van de romp, de andere helft en ten slotte het hoofd.

De vrouw verzamelde ze allemaal in haar schoot en begon luid te jammeren. "O koning, mijn man is gedood. Wat moet ik nu doen, hoe kan ik zo verder leven? Laat een brandstapel gereedmaken, zodat ik samen met zijn ledematen in vlammen op mag gaan."

Vikarmajita gaf gehoor aan haar verzoek en even later zat de vrouw met de ledematen van haar echtgenoot boven op een grote stapel brandend hout.

Toen het vuur bijna gedoofd was, zag de koning tot zijn grote verbazing de tovenaar in levenden lijve op zich af komen. Hij vroeg hem: "O koning, waar is mijn vrouw?"

"Beste man," antwoordde Vikarmajita, "je vraagt naar je vrouw, maar die dacht dat je dood was. Om die reden is zij samen met jouw lijk op de brandstapel geklommen en in vlammen opgegaan. Waar zou ik haar nu vandaan moeten halen?"

Daarop sprak de tovenaar: "O nee koning, dat is niet waar, u verstopt haar ergens in één van uw vertrekken." De koning ontkende dit ten stelligste, maar de tovenaar geloofde hem niet. "Waarom roep je haar dan niet," zei de koning ten slotte.

Dat liet de tovenaar zich geen tweede keer zeggen en hij riep: "O tovenares, waar zit je." Meteen hoorden zij de stem van de vrouw: "Ik ben hier in een van de kamers," waarna zij te voorschijn kwam en zich bij haar man voegde.

De koning was diep onder de indruk. "Luister tovenaar, de kunsten die je mij vandaag hebt laten zien zijn magnifiek, je moet ze mij ook leren," sprak hij vol bewondering.

"Maar natuurlijk," antwoordde de tovenaar, "u bent immers mijn vorst en ik wil u graag dienen. U kunt komen wanneer u wilt, twaalf dagen heb ik nodig om u alles te leren wat ik weet." Nadat zij een dag hadden afgesproken, namen de tovenaar en zijn vrouw afscheid en gingen naar huis.

De kleren van de koning werden altijd door een dhobi (wasman) gewassen. Hij haalde de vuile kleren op en bracht ze schoon en gestreken terug. Op de dag dat hij met de tovenaar had afgesproken, besloot Vikarmajita zijn kleren zelf bij de dhobi op te halen.

Nadat hij dat had gedaan en zijn weg vervolgde, vroeg de dhobi zich verwonderd af: "Waarom is de koning vandaag zelf gekomen? Nog nooit eerder is hij bij mij aan huis geweest. Daar moet een speciale reden voor zijn, laat ik hem volgen en uitzoeken wat er aan de hand is." Zo gezegd zo gedaan, de koning liep voorop en niet ver daarachter volgde de dhobi. Na enige tijd arriveerde Vikarmajita bij de woning van de tovenaar. Het huis had één verdieping en na de koning te hebben verwelkomd nodigde de tovenaar hem uit om mee naar boven te lopen.

De lessen konden beginnen. De dhobi had zich ondertussen onder aan de trap verstopt. Elk woord dat de tovenaar tot de koning richtte, kon hij letterlijk verstaan en zodoende leerde ook hij alle toverkunsten.

Na twaalf dagen kon Vikarmajita net zo goed toveren als zijn leermeester. Hij nam afscheid en keerde huiswaarts. Onderweg zag hij een dode papegaai op de grond liggen. Hij dacht: Ik heb nu zoveel geleerd, dit is een mooie gelegenheid om mijn kennis in de praktijk te brengen. Hij liet zijn eigen lichaam achter en kroop in het ontzielde lijfje van de papegaai.

De vogel kwam terstond tot leven en begon rond te fladderen. De dhobi, die de koning gevolgd was, had dit schouwspel gadegeslagen. Vliegensvlug verliet hij zijn eigen lichaam en ging het levenloze lichaam van Vikarmajita binnen. Zo snel zijn benen hem konden dragen spoedde hij zich naar het paleis.

Daar aangekomen dacht iedereen dat hij de koning was. Het was reeds avond en hij liep rechtstreeks naar het slaapvertrek van de koningin. Maar de deur was op slot en daarom riep hij haar om open te doen.

De koningin, die lag te slapen, werd wakker en zei: "Nee, nooit zal ik de deur voor jou openen. Jij bent een bedrieger."

"Hoe kom je daarbij," sprak de dhobi, "ik ben het, koning Vikarmajita."

"Zeven betoverde deuren beschermen mijn slaapkamer," sprak de koningin weer. "Door er op een speciale manier op te kloppen, gaan ze vanzelf open. Mijn echtgenoot kent het geheim. Zoveel jaren zijn wij reeds getrouwd, maar nog nooit heeft hij mij gevraagd om de deur open te doen. Wie ben jij, dat je mij nu moet vragen om de deur te openen." De dhobi stond perplex en na enige aarzeling liet hij de koningin met rust.

De volgende ochtend gaf hij aan een aantal dienaren van de koning het bevel om alle papegaaien in het koninkrijk te vangen en te doden.

De dienaren trokken erop uit en één van hen ging naar het bos om papegaaien te zoeken. In dat bos stond een grote boom waarop tegen de avond een groep van honderd en één papegaaien neerstreek om de nacht door te brengen.

De dienaar ontdekte de boom en toen de papegaaien de volgende dag wegvlogen, smeerde hij lijm op de takken.

Aan het einde van de dag kwamen de papegaaien aangevlogen en gingen weer in de boom zitten. Na verloop van tijd merkten ze dat hun pootjes aan de takken vastgeplakt zaten.

Tussen die papegaaien zat ook Vikarmajita. Hij sprak: "Onze pootjes zitten vast, we kunnen niet meer vliegen. Luister, ik heb een plan. Morgenochtend zal ongetwijfeld de stroper komen die deze val voor ons heeft gezet. We moeten dan doen alsof we dood zijn; doe je ogen dicht en laat je hoofd hangen. Wanneer hij ons losmaakt en naar beneden werpt, moeten jullie tot honderd-één tellen. Is de laatste losgemaakt, dan moeten we allemaal tegelijk wegvliegen. Zo zal hij niemand kunnen vangen."

De volgende ochtend klom de dienaar in de boom. Hij begon met zijn mes de pootjes van de papegaaien los te maken en wierp ze een voor een naar beneden. Honderd papegaaien lagen reeds op de grond, maar toen hij aan de laatste wilde beginnen, glipte zijn mes hem uit de handen en viel naar beneden.

De papegaaien dachten dat ze nu allemaal bevrijd waren. Ze sprongen op hun pootjes, strekten de vleugels en vlogen in één zwerm de lucht in. Eén papegaai zat nog vast en dat was Vikarmajita.

De dienaar begreep dat hij was beetgenomen en zei: "Jij slechterik, je hebt me mooi misleid. Je bent de enige die ik heb kunnen vangen en jou neem ik mee." Terwijl de dienaar met de papegaai door het bos liep, kwamen ze de koning van een naburig land tegen.

De koning vroeg: "Is deze papegaai te koop?" De dienaar antwoordde: "Ja koning, ik wil hem best verkopen, alleen weet ik niet hoeveel ik ervoor moet vragen. Waarom vraagt u het hemzelf niet?" De koning vroeg toen: "Zeg eens papegaaitje, wat moet jij kosten?" Vikarmajita was de dienaar dankbaar voor het feit dat hij zijn leven gespaard had en daarom vroeg hij een zeer hoog bedrag, duizend roepies. Zonder te aarzelen betaalde de koning de som en nam de papegaai mee naar zijn paleis.

De koning had een jonge dochter. Op een dag zei hij tegen de papegaai dat hij van plan was om het meisje naar school te sturen. Vikarmajita was een zeer geleerd persoon en daarom zei hij: "Dat is niet nodig. Het is beter dat ik haar les geef, van mij kan ze veel leren." De koning vond het best en zo werd Vikarmajita de leraar van de prinses.

De dhobi, die nog altijd in het lichaam van Vikarmajita zat, had intussen het paleis verlaten. Hij voelde zich daar niet meer veilig. Na vele omzwervingen kwam hij bij het paleis waar Vikarmajita als papegaai verbleef. Hij diende zich aan bij de koning met het volgende verzoek: "Ik wil u graag één van mijn bijzondere toverkunsten tonen. Daar is een geit voor nodig. Beveel uw slager om er een te brengen en die hier ter plekke te slachten." De koning was nieuwsgierig en deed wat de dhobi hem had gevraagd.

De voorstelling kon beginnen. Naast de koning stond een kooi met daarin de papegaai. Nadat de geit geslacht was, verliet de dhobi zijn lichaam en ging het lijk van de geit binnen. Het beestje sprong weer op en huppelde vrolijk mekkerend voor de voeten van de verbaasde koning. Op dat moment verliet Vikarmajita zijn gedaante van papegaai en keerde terug in zijn vroegere lichaam. Om zijn middel hing nog steeds zijn zwaard. Hij rukte dat uit de schede, rende achter de geit aan en hakte met één slag het hoofd van de geit af.

Dat was het einde van de dhobi en Vikarmajita was eindelijk weer zichzelf.


*   *   *

Koning Vikarmajita Samenvatting
Een Indiaas verhaal over de toverkunsten van een koning en een wasman. Wanneer een koning onderricht krijgt van een tovenaar, luistert zijn wasman mee en leert ook zo de kunst van het toveren. Beiden raken hierdoor in onverwachte avonturen, waarbij de wasman de koning bedriegt. Uiteindelijk lukt het de koning wraak te nemen op de wasman te doden. Lees het verhaal

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Betoverd. Verhalen over mensen die in dieren veranderen (en omgekeerd) uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" uitgegeven door Lemniscaat, Rotterdam, 1991. ISBN: 9060697219

Herkomst: India
Verteltijd: ca. 14 min.
Leeftijd: vanaf 11 jaar

Lees ook