Volksverhalen Almanak

Meneer Bhoenga Een toversprookje uit India over een behulpzaam klein mannetje

Het gebeurde heel lang geleden dat een soldaat kwam te overlijden. Alles wat hij op de wereld achterliet waren zijn weduwe en hun zoon. Die waren nu straatarm en gaandeweg werd hun toestand zo erbarmelijk, dat ze op een dag niets meer te eten hadden.

"Moeder," sprak de zoon, "geef me vier roepies, dan trek ik de wijde wereld in en zoek mijn fortuin."

"Helaas," antwoordde zijn moeder, "waar moet een vrouw die nog geen geld heeft om brood van te kopen, vier roepies vandaan halen?"

"Je hebt die oude jas van vader nog," sprak de zoon weer. "Kijk in de zakken, misschien zit er nog wat geld in."

Zij ging zoeken en warempel: diep onderin in een van de zakken zaten zes roepies verstopt. "Als ik dat had geweten," sprak de zoon schertsend, "had ik om meer gevraagd." Hij nam het geld en zei: "Kijk moeder, deze twee roepies zijn voor jou; je kunt ervan leven tot ik terug ben. De rest zal ik nodig hebben voor onderweg."

De jongen nam afscheid van zijn moeder en ging op zoek naar rijkdom. Onderweg zag hij een tijgerin die droevig jammerend haar poot lag te likken. Hij stond juist op het punt om voor dit gevaarlijke dier op de vlucht te slaan, toen zij zwakjes naar hem riep: "Beste jongen, als je deze doorn uit mijn poot trekt, zal ik je eeuwig dankbaar blijven."

"Ikke niet," sprak de jongen. "Wanneer ik hem uittrek doe ik je immers vreselijk veel pijn. Je zult je klauwen naar me uitslaan en een zacht tikje van jouw poot is voldoende om mij te vermorzelen."

"Nee, nee," riep de tijgerin, "ik ga met mijn gezicht pal voor deze boom zitten en wanneer de pijn komt, zal ik naar de stam uithalen." Onder deze voorwaarde wilde de zoon van de soldaat wel hulp bieden. Hij trok de doorn uit de poot en toen de pijn kwam, sloeg de tijgerin met één geweldige klap de stam aan splinters. Dankbaar richtte de tijgerin zich tot de zoon van de soldaat en sprak: "Neem deze doos als beloning, mijn zoon. Maak hem echter niet open alvorens je negen mijlen hebt afgelegd."

De zoon van de soldaat nam de doos aan, bedankte de tijgerin en trok verder op zoek naar fortuin. Na amper vijf mijl gelopen te hebben, was hij er zeker van dat de doos zwaarder was dan voorheen. Bij elke stap die hij vooruit deed, leek het alsof de doos een beetje zwaarder werd. De doos werd een last, waaronder hij met moeite verder strompelde. Na acht mijl en nog een kwart verloor hij zijn geduld. "Ik begin te geloven dat die tijgerin een heks was en dat zij mij een poets gebakken heeft," riep hij. "Maar ik heb nu genoeg van haar flauwekul. Weg met die ellendige doos. God mag weten wat erin zit, wat kan het mij trouwens schelen."

En met die laatste woorden wierp de zoon van de soldaat de doos met een smak op de grond. Door de schok barstte de doos open en tot zijn stomme verbazing stapte er een klein mannetje uit. Hij was één span (ongeveer 20 centimeter) hoog, maar zijn baard was één span en een duim lang en sleepte over de grond. Hij was woedend dat de jongen hem zo ruw op de grond had gegooid en begon hem al stampvoetend te beschimpen.

"Het is ongelooflijk," sprak de zoon van de soldaat terwijl hij moeite had om het koddige ventje niet uit te lachen, "u bent buitengewoon zwaar voor uw lengte. Mag ik u vragen naar uw naam?"

"Meneer Bhoenga," beet het mannetje hem nog steeds stampvoetend van drift toe.

"Het is ongelooflijk," sprak de zoon van de soldaat voor de tweede keer, "als het waar is dat u het enige was wat in de doos zat, dan ben ik blij dat ik er niet langer mee gesjouwd heb."

"Dat is hoogst onbeleefd," snauwde het mannetje. "Zou je hem de gehele afstand van negen mijl hebben gedragen, dan had je mogelijk iets beters gekregen. Maar gedane zaken nemen geen keer. Hoe dan ook, aan mij hebt u voldoende. Ik zal u trouw dienen, zoals de opdracht van mijn meesteres luidt."

"Mij dienen! In dat geval wens ik dat je mij wat lekkers voorschotelt, ik heb namelijk reuze trek. Hier is geld om inkopen te doen."

De zoon van de soldaat had het geld nog niet overhandigd of boem, bam, zoem, als een grote hommel vloog meneer Bhoenga door de lucht naar de eerste de beste suikerbakkerij in de dichtstbijzijnde stad. Daar stond het mannetje, één span hoog en met een baard die over de grond sleepte, pal naast een pan met suikerstroop. Hij riep zo hard hij kon: "Hallo meneer de suikerbakker, ik moet snoep hebben."

De suikerbakker keek om zich heen, maar in de winkel viel niemand te bespeuren, ook niet buiten op straat. Meneer Bhoenga stond achter de pan met stroop en was daarom niet te zien. Hij riep nog harder: "Meneer de suikerbakker, ik moet snoep hebben!" Toen de suikerbakker wederom geen klant in zijn zaak kon ontdekken, werd meneer Bhoenga nijdig. Hij liep op de bakker af, kneep hem in zijn kuiten en trapte hem tegen de schenen. "Schaamteloze schelm," tierde hij, "wil je soms beweren dat je me niet ziet. En ik sta al die tijd naast de strooppan!"

De suikerbakker bood zijn excuses aan en toonde de prikkelbare kleine klant zijn waar. Meneer Bhoenga bestelde vijftig kilo van de fijnste borstplaat en zei: "Schiet een beetje op. Pak het in en zet het op mijn hand, ik neem het zelf mee."

"Wordt dat niet een beetje zwaar," sprak de bakker met een glimlach.

"Wat gaat jou dat aan als ik vragen mag? Doe nou maar gewoon wat ik gezegd heb, dan krijg je daarna je geld," snauwde meneer Bhoenga, terwijl hij de munten in zijn zak liet rinkelen.

"Zoals u wenst meneer," antwoordde de man opgewekt en hij begon het snoepgoed in te pakken. Toen de bakker klaar was plaatste hij het enorme pakket op de uitgestrekte hand van meneer Bhoenga. Hij verwachtte niets anders dan dat het mannetje onder de zware last zou omtuimelen. Maar tot zijn grote verbazing snorde meneer Bhoenga met een luid boem, bam, zoem de winkel uit met het geld nog altijd op zak.

Hij streek neer achter een meelzak in de winkel van de kruidenier en riep luidkeels: "Meneer de kruidenier, ik moet meel hebben!"

De kruidenier keek om zich heen, maar zag niemand in de winkel, ook niet op straat. Het mannetje, één span hoog en met een baard die over de grond sleepte, riep nog harder dan tevoren: "Meneer de kruidenier, ik moet meel hebben!"

Toen meneer Bhoenga weer geen reactie kreeg, sprong hij uit zijn vel van woede. Hij beet en kneep de ongelukkige kruidenier, schopte hem tegen de schenen en brulde: "Schaamteloze schurk, doe maar niet net alsof je me niet gezien heb. Ik stond al die tijd naast deze meelzak."

Dus bood de kruidenier zijn nederige excuses aan voor het misverstand en vroeg meneer Bhoenga hoeveel meel hij dacht nodig te hebben. "Honderd kilo," antwoordde hij, "honderd kilo en geen gram meer of minder. Doe het in een jutezak, ik neem het zelf mee."

"Meneer heeft ongetwijfeld een wagen of een lastdier?" vroeg de kruidenier. "Honderd kilo is immers een behoorlijke vracht."

"Bemoei jij je met je eigen zaken. Ik betaal er toch voor, wat wil je dan nog meer," tierde het mannetje, waarbij hij de munten in zijn zak stevig liet rinkelen.

Gedwee deed de kruidenier wat van hem gevraagd werd. Hij vulde een enorme jutezak met meel en plaatste die op de uitgestrekte hand van meneer Bhoenga, in de stellige overtuiging dat het kleine mannetje onder zo'n gewicht verpletterd zou worden. Maar wat gebeurde er: luid snorrend vloog meneer Bhoenga de winkel uit, boem, bam, zoem! En het geld had hij nog altijd op zak.

De zoon van de soldaat begon zich juist af te vragen of hij zijn één span hoge dienaar ooit nog terug zou zien, toen deze plotseling gonzend naast hem neerstreek. Zoals iemand die het vreselijk warm heeft en uitgeput is, veegde hij met een doek het zweet van zijn voorhoofd.

Daarop sprak hij puffend en met een ernstige blik in de ogen: "Ik hoop waarachtig dat dit voldoende is, jullie mensen hebben een geweldige eetlust."

"Meer dan genoeg, zou ik zo denken," sprak de jongen lachend, terwijl hij zijn ogen over de enorme hoeveelheid eten liet glijden.

Met de gehele inhoud van de meelzak maakte meneer Bhoenga een ware berg platte koeken klaar. De zoon van de soldaat pakte er drie en at ze samen met een handjevol borstplaat op. De rest van het pakket snoepgoed en de berg platte koeken verdween langzaam maar zeker in de maag van het één span hoge mannetje. En om de zoveel happen zuchtte hij: "Wat hebben jullie mensen toch een geweldige eetlust, zo'n geweldige eetlust."

De zoon van de soldaat en meneer Bhoenga reisden naar verre streken. Na vele omzwervingen bereikten ze de stad waarin het paleis van de koning stond. De koning had een dochter, prinses Bloesem. Zij was zo lieflijk, tenger en slank, dat ze niet meer woog dan het gewicht van vijf bloempjes. Elke morgen werd zij op een gouden waag gewogen. De schalen kwamen steeds bij de vijfde bloem in balans, nooit meer en nooit minder.

Nu wilde het lot dat de zoon van de soldaat een glimp opving van de bekoorlijke prinses. Hij was meteen tot over zijn oren verliefd. Zijn slaap liet hem in de steek en zijn eten bleef onaangeroerd staan. De hele dag vroeg hij aan zijn trouwe dienaar: "Och beste meneer Bhoenga. Och lieve meneer Bhoenga. Draag me naar prinses Bloesem. Ik wil haar zien, ik wil met haar spreken."

"Jou dragen," beet het kleine ventje vol minachting van zich af. "Wat je al niet meemaakt. Jij bent warempel tien maal groter dan ik, jij bent degene die mij zou moeten dragen."

De zoon van de soldaat bleef echter bidden en smeken. Hij kon alleen nog maar aan de prinses denken en zoetjes aan verloor hij zijn gezonde blos. Toen meneer Bhoenga, die het hart op de juiste plaats droeg, zag hoe de jongen langzaam maar zeker wegkwijnde, zwichtte hij. Hij vroeg hem om op zijn hand te komen zitten en met een oorverdovend boem, bam, zoem snorden zij omhoog en stonden na twee tellen in de kamer van de prinses. Het was diep in de nacht en hoewel de prinses rustig lag te dromen, werd zij door het luide gesnor uit haar slaap gewekt. Zodra zij een man geknield aan haar bed zag liggen, verstijfde zij van schrik en begon uit alle macht te gillen. Maar ze hield meteen op toen de zoon van de soldaat haar op vriendelijke toon en in mooi gesproken woorden smeekte om niet bang te zijn. Hij wist haar vertrouwen te winnen en daarna spraken ze alsof ze al jaren vrienden waren. Meneer Bhoenga hield de wacht bij de deur.

Vlak voor het aanbreken van de nieuwe dag vielen de zoon van de soldaat en prinses Bloesem, vermoeid door het vele praten, in slaap. Meneer Bhoenga was een trouw dienaar. Hij zei tegen zichzelf: "Wat moet ik nu doen? Als mijn meester blijft slapen zal iemand hem ontdekken en dan, zowaar mijn naam Bhoenga luidt, zal de koning hem in mootjes laten hakken. Ik kan hem ook wakker maken, maar tien tegen één dat hij dan weigert op te stappen."

Zonder verdere aarzeling zette hij zijn hand onder het bed en boem, bam, zoem droeg het naar de koninklijke tuinen buiten de stad. Hij zette het neer in de schaduw van de grootste boom. Vervolgens trok hij een andere boom met wortel en al uit de grond, legde die over zijn schouder en liep naar de poort van de tuin om er de wacht te houden.

In het paleis ontdekte men dat de prinses verdwenen was. Het nieuws werd bekendgemaakt en de hele stad was in rep en roer. Iedereen, mannen, vrouwen, kinderen, was op de been om haar te zoeken. Het duurde niet lang of het hoofd van de schildwacht verscheen voor de poort van de tuin; hij had maar één oog en reed op een pony.

"Wat moet dat hier," riep meneer Bhoenga onverschrokken, terwijl hij met de boom een stekende beweging in de richting van de ruiter maakte.

Het éénogige hoofd van de schildwacht zag enkel de takken die vlak voor zijn gezicht heen en weer zwiepten. Hij hield zich groot en antwoordde: "Ik zoek prinses Bloesem."

"Ik zal jou bloesemen! Maak dat je wegkomt," schreeuwde het mannetje, één span hoog en met een baard die over de grond sleepte. Hij gaf de pony een stevige mep met de boom, waardoor het dier op hol sloeg en de ruiter bijna van zijn rug werd geworpen.

De man reed zonder omwegen naar het paleis, rende naar de koning en sprak ietwat warrig: "Majesteit, ik ben er zeker van dat prinses Bloesem zich in de koninklijke tuinen bevindt. Bij de poort staat een sprekende boom die bijzonder goed kan vechten."

De koning verzamelde dadelijk al zijn soldaten te paard en reed in slagorde naar de tuinen toe. Maar toen ze door de poort reden, viel meneer Bhoenga hen met zijn boom aan en hakte het legertje volledig in de pan. De helft liet het leven en de rest nam de benen.

Door het krijgsrumoer werd het jonge paartje gewekt. De prinses was er zeker van dat ze niet meer buiten haar geliefde kon en daarom besloot zij hem te volgen. Toen de strijd gestreden was, zei de zoon van de soldaat tegen meneer Bhoenga: "Mijn fortuin is reeds gemaakt en dus heb ik jouw diensten niet meer nodig. Je kunt terugkeren naar jouw meesteres."

"Ja, ja," antwoordde meneer Bhoenga, "jong en onbezonnen. Je moet doen wat je niet laten kunt. Voordat ik echter afscheid neem, geef ik je een haar uit mijn baard. Mocht je ooit in gevaar verkeren, gooi die dan in het vuur. Dan zal ik je komen beschermen."

Nadat meneer Bhoenga weggesnord was, leefden en reisden de zoon van de soldaat en prinses Bloesem samen. Aan hun geluk leek geen einde te kunnen komen. Maar op een dag raakten zij in een uitgestrekt woud de weg kwijt. Dagenlang dwaalden ze rond en moesten het zonder voedsel stellen. Toen ze de hongerdood nabij waren, kruiste een kluizenaar hun pad. Zij vertelden hem dat ze verdwaald waren en dat ze al dagen niet gegeten hadden. Daarop sprak de kluizenaar: "Arme kinderen, komen jullie maar met mij mee. Thuis zal ik jullie te eten geven."

Had de man gezegd: "Ik zal jullie opeten," dan was hij dichter bij de waarheid geweest. Want in werkelijkheid was hij een bloeddorstige demon, die zich veranderd had in de gedaante van een kluizenaar. Hij was dol op vlees van jongemannen en slanke meisjes. Het onfortuinlijke tweetal was zich echter van geen gevaar bewust en liep opgewekt achter de kluizenaar aan. Hij was zeer beleefd en eenmaal bij zijn kluis aangekomen sprak hij uitnodigend: "Ik heb niemand die voor mij kookt, dus jullie moeten zelf je eten klaarmaken. Zie maar waar je trek in hebt, het vuur is nog aan. Hier zijn mijn sleutels; alle kasten mogen open, behalve die met het gouden slot. Ik ga intussen brandhout sprokkelen."

Prinses Bloesem begon groente schoon te maken en te snijden, terwijl de zoon van de soldaat één voor één de kasten opende. Hij zag de prachtigste sieraden en gewaden, bekers en borden en zakken vol goud en zilver. Nieuwsgierigheid maakte zich van hem meester en hij dacht: "Ik moet en zal te weten komen welke schatten achter de deur met het gouden slot verborgen liggen." Zonder zich wat aan te trekken van de waarschuwing van de kluizenaar, opende hij de kast. En zie, op de planken stonden menselijke schedels in keurige rijen opgestapeld. Ze waren smetteloos schoon en glanzend opgepoetst. Bij het zien van deze gruwelijke verzameling stoof de jongen naar de prinses en riep: "We verkeren in groot gevaar; de man is geen kluizenaar; hij is een demon."

Juist op dat moment hoorden ze voetstappen buiten de deur. De prinses, die moed en verstand bezat, raakte niet in paniek. Ze haalde onmiddellijk de baardhaar van meneer Bhoenga te voorschijn en wierp die in het vuur. Meteen daarop verscheen een demon met lange, scherpe tanden en woeste ogen in de deuropening. Tegelijkertijd hoorden ze van ver af een snorrend geluid langzaam dichterbij komen. Het leek erop alsof de demon scheen te weten wie er op hem af kwam, want in een oogwenk veranderde hij zichzelf in een inktzwarte wolk. Hij liet een zware regenbui naar beneden storten, in de hoop dat meneer Bhoenga zou verdrinken. Maar het kleine mannetje veranderde zichzelf in een storm en blies de regenwolk voor zich uit. Daarop veranderde de demon zich in een duif en meteen schoot meneer Bhoenga er in de gedaante van een havik op af. Ze vlogen hoger dan het hemelse godenrijk en net voordat het mannetje de duif te pakken kreeg, veranderde deze zich in een roos. De bloem viel in de schoot van Indra, de koning van de goden. Koning Indra zat op zijn hemelse troon te genieten van een groep danseressen, die op dat moment hun kunsten ten uitvoer brachten. Meneer Bhoenga veranderde zich vliegensvlug in een oude muzikant. Hij nam plaats naast een man, die al tokkelend op een luit voor begeleiding zorgde en sprak: "Broeder, je klinkt vermoeid; laat mij nu spelen."

Meneer Bhoenga kon prachtig luit spelen. En toen hij begon te zingen, had zijn stem zo'n indringende schoonheid, dat de god Indra vol bewondering sprak: "Wat wens jij als beloning voor je prachtige muziek? Zeg me wat je hebben wil, ik zal het je schenken."

"Ik wens enkel de roos die op uw schoot ligt, o nobele god," antwoordde meneer Bhoenga.

"Ik had verwacht dat je meer zou vragen, het is tenslotte een gewone roos. Hoe dan ook, ik zat je haar geven."

En met deze woorden wierp Indra de roos in de richting van meneer Bhoenga. Halverwege echter, vielen de bloemblaadjes als regendruppels op de grond. Meneer Bhoenga wierp zich meteen op de knieën en raapte ze allemaal op, behalve één. Dit blaadje veranderde plotseling in een muis en probeerde te ontsnappen. Vliegensvlug veranderde meneer Bhoenga zich in een kat. Met een lenige sprong had hij de muis te pakken en hij at hem meteen op.

Gedurende al die tijd zaten de zoon van de soldaat en prinses Bloesem in de hut van de demon rillend en bevend op de uitkomst van het gevecht te wachten. Plotseling, met een luid boem, bam, zoem, snorde meneer Bhoenga triomfantelijk door de deur de hut binnen. Hij schudde zijn hoofd en sprak: "Jullie twee moeten naar huis, jullie kunnen niet voor jezelf zorgen."

Hij verzamelde de juwelen, het goud en het zilver en zette alles op één hand. Vervolgens gebood hij de prinses en de zoon van de soldaat om op de andere hand te gaan zitten en in mum van tijd bracht hij hen snorrend naar huis. De moeder, die nog steeds op de twee roepies teerde, was dolblij hen te zien.

Meneer Bhoenga nam afscheid en voor de laatste maal, met een luid boem, bam, zoem, snorde hij de lucht in en niemand heeft ooit meer iets van hem vernomen. De zoon van de soldaat en prinses Bloesem leefden nog lang en gelukkig.


*   *   *

Meneer Bhoenga Samenvatting
Een toversprookje uit India over een behulpzaam klein mannetje. De zoon van een soldaat haalt bij een tijgerin een doorn uit haar poot. Als dank krijgt hij een doos waarin een klein mannetje met een lange baard zit, die hem aan voldoende eten helpt. Wanneer de soldatenzoon verliefd wordt op een prinses en het verliefde paar in handen van een demon is gevallen, snelt het mannetje ook weer te hulp... Lees het verhaal

Toelichting

Trefwoorden

Thema

Verhaalsoort

Bron
"Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Reizen. Verhalen over avontuurlijke reizen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" verschenen bij Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.

Herkomst: India
Verteltijd: ca. 29 min.
Leeftijd: vanaf 9 jaar

Lees ook