Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 7 min.
Herkomst:

Onderdeurtje Een Marokkaans sprookje over boosaardige geesten om de tuin leiden

Er was eens een sultan die erg veel tegenslag in zijn leven had. Hij had zeven vrouwen, de één nog mooier dan de ander, en in zijn stallen stonden zeven prachtige merries; maar ze waren allemaal onvruchtbaar gebleven. De sultan was erg aangeslagen door dit slechte lot en op een dag besloot hij om raad te vragen aan Sjeik al Moedabbar. Deze gaf hem zeven appels en zeven rijzweepjes; een appel voor elke echtgenote en een zweepje voor elk paard.

Toen hij in het paleis teruggekeerd was, gaf hij elk van zijn vrouwen een appel. De eerste zes zetten er meteen gulzig hun tanden in, maar de zevende, de jongste en de mooiste, at er maar de helft van op. Voor de merries had hij zes gewone zweepjes en één klein zweepje. Zo gebeurde het dat aan het eind van het jaar zes flinke baby's geboren werden en een zevende die maar half zo groot was als zijn broertjes. Ze noemden hem Onderdeurtje.

De merries in de stal brachten op hun beurt zes schitterende veulens ter wereld en een zevende dat heel klein en spichtig was. De zes jongens groeiden normaal op, maar de zevende bleef een dwerg. Wel was hij een heel slimme dwerg met een goed verstand. Om de hemel te bedanken voor alle goede gaven besloot de sultan een pelgrimstocht naar Mekka te maken. Zijn zeven zonen wilden hem vergezellen. Ze klommen op hun paarden en ook Onderdeurtje besteeg zijn arme kleine paardje. Het is een lange weg van Marokko tot aan de heilige stad. De oudste gaf als eerste te kennen dat hij moe was en hij vroeg aan zijn vader om hem onderweg achter te laten, zodat hij daar op zijn vaders terugkeer kon wachten. Wel moest er dan eerst een huis voor hem gebouwd worden met muren van honing.

Spoedig daarna gaf de tweede zoon de moed ook op en ook hij vroeg om een huis, maar een met muren van koekjes. En zo ging het met de derde zoon en de vierde tot en met Onderdeurtje die om een heel klein huisje vroeg, maar wel een van ijzer.

Onderdeurtje ging er elke dag in z'n eentje op uit om zich te meten met de wilde dieren en om zich van voedsel te voorzien. Hij bekwaamde zich in de jacht en hij wandelde urenlang in weer en wind en in de brandende zon. Om weer een beetje bij te komen van alle vermoeienissen ging hij wel eens op een bankje niet ver van zijn ijzeren huisje zitten. En daar werd hij ontdekt door de ghoelia die in deze streek huisde. Ze dacht dat de jongen zonder bescherming was en ze likkebaardde al bij de gedachte aan zo'n lekkere prooi. Toch besloot ze om eerst het advies dat een sjeik haar had gegeven op te volgen. Hij had haar aangeraden eerst wat hars op het bankje te smeren waar Onderdeurtje altijd kwam uitrusten, zodat hij aan het bankje zou plakken.

En zo lukte het haar om hem te vangen; ze droeg hem mee naar haar woning en stopte hem in een kooi om hem vet te mesten.

Nu en dan kwam de dochter van de ghoelia een kijkje nemen bij de kooi en langzamerhand werd zij verliefd op het knappe, kleine mannetje. Onderdeurtje, die een heel mooie stem had, zong prachtige liedjes voor haar en zij bleef daar niet ongevoelig voor; en op een dag beloofde hij haar nog mooiere liederen als zij de deur van zijn kooi voor hem zou openmaken.

Toen hij eenmaal bevrijd was, vluchtte Onderdeurtje snel naar zijn kleine ijzeren huisje. De ghoelia was gek van woede en krijste: "Ik zal je huisje kapot slaan."

"Dat is best, probeer het maar als je kunt," antwoordde hij.

Maar het ijzer hield stand! Toen zei Onderdeurtje: "Ik zal je een raad geven: graaf een greppel aan de andere kant van mijn huis. Leg er hout in en steek een groot vuur aan. Ga dan al je ghoel-vrienden uit de streek ophalen. Ik zal dan uit mijn ijzeren huisje voor jullie te voorschijn komen. Ik zal hard wegrennen en de snelste van jullie hoeft me alleen maar in te halen om me te kunnen pakken."

En zo gebeurde het. Alle ghoels, aangetrokken door de gedachte aan zo'n heerlijk hapje, verzamelden zich. Plotseling kwam Onderdeurtje naar buiten, zette het zigzaggend op een lopen en achter hem aan kwamen alle grote ghoels. Zoals alle ghoels konden zij slecht zien en zo stortten zij allemaal in de grote oven die de ghoelia had aangestoken, en verbrandden.

Bij zijn terugkeer uit Mekka hoefde de sultan niets anders te doen dan zijn dappere dwergzoon te belonen en het hele fortuin van de ghoels te erven.


*   *   *

Onderdeurtje Samenvatting
Een Marokkaans sprookje over boosaardige geesten om de tuin leiden. Een sultan krijgt zeven zonen waarvan de jongste erg klein is. Deze zoon is echter wel slim en een echte doorzetter, hij weet zelfs boosaardige geesten om de tuin te leiden. Lees het verhaal

Toelichting
In Marokkaanse sprookjes zijn djinns (goede en slechte geesten) en ghoels (boosaardige reuzen) de vreemde wezens die voor veel mensen een wezenlijk onderdeel zijn van hun leefwereld. De sleur van alledag wordt 's avonds bij het vuur doorbroken door de vele verhalen over de arme lastdrager, het weerloze meisje, of de zwakste prins, die gelukkig uiteindelijk beloond worden.

Dit verhaal bevat dezelfde les als het bekende verhaal van 'Klein Duimpje en de reus': je hoeft niet groot en sterk te zijn om slim te kunnen zijn. De broers kiezen voor een gemakkelijk leven in huizen van honing en koekjes, maar de held van het verhaal kiest voor ijzer, een materiaal dat erom bekend staat dat de geesten er geen greep op hebben.

Uit: J. Scelles-Millie, Paraboles et contes d'Afrique du Nord, Parijs, 1982, p. 117-122, Nciç.

Trefwoorden


Thema

Verhaalsoort

Oorspronkelijke titel
  • Nciç

Bron
"Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens. Verhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" uitgegeven door Lemniscaat, Rotterdam, 1991.

Herkomst: Marokko
Verteltijd: ca. 7 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

Lees ook