Waardeert u deze website? Overweeg eens een kleine donatie. NL 41 TRIO 0197784240

Leeftijd:
Verteltijd: ca. 17 min.
Herkomst:

Orpheus en Eurydice


Orpheus verliest zijn geliefde Eurydice wanneer ze door een giftige slang gebeten wordt. Door verdriet overmand besluit hij af te dalen in het schimmenrijk om de god van de onderwereld te smeken haar weer terug te geven. Geroerd door zijn liefde stemt Hades daarmee in. Er is echter één voorwaarde: hij mag niet omkijken voordat ze samen weer veilig in de wereld der mensen zijn...
Orpheus en EurydiceDoor het hele land werd de verrukkelijke zanger Orpheus geprezen. Hij was de zoon van de koning van Thracië en had van zijn moeder Calliope, de Muze van de dichtkunst, de gave van de zang geërfd, waarmee hij alle mensen in vervoering bracht. Apollo schonk hem een snareninstrument en wanneer Orpheus zijn gezang liet horen, kon niemand de goddelijke macht ervan weerstaan. Alle dieren in de natuur, de vogels zowel als de vissen, ook de bomen, ja zelfs de gevoelloze stenen bracht de onvergelijkelijke zanger in beweging met de tovermacht van zijn stem en van zijn snarenspel. Grenzeloos leek zijn geluk, toen hij Eurydice, de schoonste van de Najaden, als vrouw tot zich nam.

Maar toch, hoe kort was dit geluk hun gegund! Toen de bekoorlijke nimf met haar speelgenoten op het groene veld ten dans ging, werd zij door een adder gebeten. Slechts een nietige wond had zij aan haar hiel, maar deze veroorzaakte Eurydice's dood. Door smart overweldigd stond de zanger bij het lijk van zijn beminde vrouw. Een leven zonder Eurydice - zijn gedachten lieten het niet toe. Hij greep zijn lier die zo kort geleden nog de vrolijke bruiloftsliederen had begeleid; hij sloeg de snaren aan en liet zijn onnoemelijke smart tot de hemel doordringen. Het was of de natuur stilstond om zijn weeklacht niet te storen. Tam en gedwee omringden de wilde dieren van het woud de treurende zanger, en de bomen hielden hun ruisen in. Doch klacht noch smeekbede kon de dode doen wederkeren. Onverbiddelijk hield Hades haar in de ontoegankelijke onderwereld. Toch durfde Orpheus een plan te ondernemen, zoals voor hem nog geen mens bedacht had. Hij zou in de onderwereld afdalen en de heerser over de schimmen smeken zijn echtgenote aan hem terug te geven. "Hij kan mijn bede niet weigeren," sprak hij bij zichzelf, "wanneer hij ziet hoe groot onze liefde is." Bij het oord Taenarum was de poort die voerde naar de onderwereld; daardoor daalde Orpheus af. Ongehinderd door Cerberus, de schrikwekkende hellehond, die de ingang bewaakte, schreed hij door de rijen lichaamloze schimmen die zich langs de weg bevonden. Hij sloeg geen acht op de griezelige gedaanten die hem trachtten af te schrikken en trad voor de troon, waarop Hades aan de zijde van zijn gemalin Persephone als heerser over de doden zetelde.

Orpheus en EurydiceHoe zou Orpheus het strenge gemoed van deze god ontroeren? Hij nam zijn lier, sloeg de snaren aan en zong bij de goddelijke klanken: "O, gij die over de onderwereld heerst, aan wie wij sterfelijke mensen allen toebehoren, laat mij voor u treden, laat mij voor u de waarheid spreken. Geen ijdele nieuwsgierigheid voert mij hierheen in het duistere rijk, niet om de driekoppige hellehond Cerberus te boeien ben ik gekomen. De liefde brengt mij voor uw troon, de liefde voor mijn vrouw Eurydice, die mij zo wreed werd ontroofd. Een giftige slang heeft haar in de bloei van haar jeugd weggerukt. Hoe heb ik in mijzelf gestreden om de mateloze smart als een man te dragen. Maar de liefde is sterker, ik kan mij daartegen niet verzetten. Heeft niet de god van de liefde ook macht over het dodenrijk? Verhaalt men niet dat hij ook u, Hades, met Persephone heeft verenigd? Daarom smeek ik u, god van de onderwereld, hier in het oord der huivering smeek ik tot u: geef, geef mij Eurydice terug om haar leven te voltooien in het licht van de mensenwereld. Wij allen zijn in uw macht, en reeds na een korte levenstijd op aarde moeten wij naar onze uiteindelijke woning, het verblijf van allen tezamen. Kunt gij mij mijn bede niet inwilligen, dan ben ik besloten uw rijk nimmermeer te verlaten. Neem mij dan op voor altijd!"

Toen gebeurde er in de onderwereld het uitzonderlijke, wat nog nooit was aanschouwd. De wezenloze schimmen luisterden naar de liefelijke klanken en weenden. Tantalus, die tot een vreselijke straf was gedoemd, vergat naar het steeds terugwijkende water te buigen. De Danaïden lieten haar eindeloze arbeid, het vullen van het doorzeefde vat, rusten, en Sisyphus zat op de steen, die hij volgens de wil van de goden met vergeefse moeite tegen de berg moest optorsen. Ja, zelfs de onverbiddelijke Eumeniden, die nog nooit door enig mensenleed waren bewogen, vergoten hete tranen van ontroering. Het koningspaar zelf was niet minder geroerd. Het was immers de eerste maal, dat een mens uit de bovenwereld - een mens van vlees en bloed - voor hen stond. Hoe zouden zij zich aan de goddelijke macht van het lied kunnen onttrekken? Persephone zag haar gemaal vragend aan. Hades knikte toestemmend en dadelijk zond de koningin een van de schimachtige boden om Eurydice te halen. Met langzame pas kwam zij naderbij; de wond aan haar voet hinderde haar. Met groot liefdesverlangen staarde Orpheus haar aan. Eurydice zelf kon zich niet inhouden, zo onnoemelijk was zij verrast, en wilde zich in de armen van haar geliefde werpen - doch een wenk van Hades weerhield haar. "Nog nooit hebben wij hier zoveel liefde gezien," sprak de godheid, "hoort dus ons besluit! Orpheus, voer uw vrouw terug naar de wereld van de levenden en wees in een liefdevol huwelijk met haar verbonden. Luister echter goed: hoedt u ervoor om te zien, voordat ge de onderwereld verlaten hebt en door de poort zijt geschreden - gehoorzaamt ge niet aan dit bevel, dan zult ge Eurydice voorgoed verloren hebben!"

Zo klommen beiden dus omhoog door de zwijgende leegte van de onderwereld. Zij waren niet ver meer van het doel en de weg voerde steil opwaarts. Het leek dat het akelige donker hen van alle zijden aanstaarde. Orpheus hield de pas in om achter zich te luisteren. Was zijn vrouw hem niet gevolgd? Had zij geen kracht genoeg om het steile pad te beklimmen? Vergeefs trachtte hij haar voetstap te horen, doch er was geen geluid, geen ademtocht, geen ritselen van haar gewaad te vernemen, doodstil was het overal om hem heen.

Toen kon de zanger zich niet langer bedwingen, zijn verlangen en liefdevolle zorg werden zo overweldigend dat hij een blik achter zich wierp - daar stond zij voor hem, zij zweefde op en verdween in de huiveringwekkende onderwereld! Een wilde vertwijfeling greep hem aan, met vurig verlangen strekte hij zijn armen uit en greep in een leegte. Voor de tweede maal moest zij sterven en toch ging zij zonder een klacht van hem heen, zijn innig geliefde vrouw. Als een teder zuchtje klonk van verre haar afscheidswoord: "Vaarwel, geliefde Orpheus," en zij verdween in de afgrond. Star, door ontzetting overmand, stond Orpheus daar. Dus opnieuw was de geliefde hem ontrukt? Hij ijlde de weg terug en kwam aan de wateren van de Styx. "Zet mij over, veerman," riep hij gebiedend, "voor de tweede maal is mij mijn gade ontnomen!" Maar Charon hief de hand afwijzend op. "Geen levende kan de Styx overkomen," klonk dreigend zijn stem, "alleen hij die voor het schimmenrijk is bestemd, wordt in mijn boot opgenomen." Vergeefs waren Orpheus' tranen, vergeefs zijn smeekbeden. Charon bleef onverbiddelijk.

Zeven dagen lang verbleef de ongelukkige op de oever van de rivier, zonder eten of drinken. Onophoudelijk stroomden zijn tranen, smekende gebeden zond hij op tot de Olympiërs en ook toornige scheldwoorden - de goden lieten zich niet verbidden. Door smart gebogen keerde Orpheus terug naar zijn vaderland.

Orpheus en Eurydice
Driemaal reeds had het jaar zijn loop voltooid. Eenzaam leefde de zanger; hij vermeed de omgang met mensen. Zijn gedachten waren nog geheel aan zijn geliefde Eurydice gewijd evenals de liefelijke tonen die aan zijn lier ontstroomden. Zo was hij eens op een vriendelijke heuvel gezeten met zijn goddelijke lier in de hand. Rondom hem was een welige vlakte; er was geen schaduw, van boom noch struik. Doch toen Orpheus de snaren aanroerde was het alsof heel het landschap begon te klinken. In de hele omtrek kwam het woud in beweging, de bomen kwamen naderbij en stelden zich op om de zingende godenzoon, als wilden zij hem hun schaduw schenken als dank voor zijn lied. Ook de schuwe dieren van het woud werden door de wonderschone tonen gelokt. Zij verdrongen zich om Orpheus, het wild en de bonte zwerm bosvogels, en luisterden naar de toverklanken van zijn snarenspel. Het was in de tijd dat de vrouwen van Thracië het feest van Bacchus, de minnaar van de wijn, in wilde opwinding vierden. Wingerdranken droegen zij in de loshangende haren; de met klimop versierde thyrsusstaf zwaaiend, zwierven zij in woeste bacchantische vaart door de bossen. Zulk een vrouwenschaar stuitte op de zanger die te midden van de bosbewoners zijn lier speelde. Niemand werd zozeer door de bacchanten gehaat als hij die na de dood van Eurydice van geen liefde voor vrouwen meer wilde weten. "Ziet daar! Daar is hij, de verachter van vrouwen!" riep gillend de eerste, en wild slingerde zij de thyrsusstaf naar de gehate man. Nu was de woede van allen ontketend; stenen vlogen naar de heuvel waarop Orpheus was gezeten, maar - o wonder! geen ervan trof de belaagde. Alles wat naar hem gemikt was, legde zich aan de voeten van de zanger, alsof het deemoedig om vergeving wilde vragen, zo sterk was de overmacht van Orpheus' gezang en van de wonderkracht van de godheid die hem beschermde. En toch, de uitzinnige vervoering had bij de razende vrouwen alle vrome eerbied verstikt. Schreeuwend en krijsend, met gillende bacchantische fluittonen overstemden zij het goddelijke snarenspel. De dieren van veld en bos wilden de zanger met hun lichamen beschutten. Maar al spoedig moesten zij hun aanhankelijkheid met de dood bekopen, toen het woedende getier van de vrouwen het betoverende gezang had verdrongen. Van alle kanten stormden zij nu op de zanger af, en wat hun handen maar konden grijpen, slingerden zij naar de ongelukkige. Het baatte hem niet dat hij zijn handen afwerend uitstrekte - de weerloze werd door een steen geveld.

Vermoord lag de verheven Orpheus neer, die met zijn welluidende stem dieren, bomen en stenen had geroerd. Zijn mond, aan liederen zo rijk, was voor altijd gesloten. Vogels en wilde dieren uit het woud kwamen met droevig geklaag, levenloze stenen slopen naderbij, de ganse natuur treurde om de lieveling der goden. De nimfen van bronnen en bomen, Najaden en Dryaden, naderden met spoed, in rouwgewaden gehuld. Zij namen de verminkte ledematen op om die te begraven; zijn hoofd echter en zijn lier nam de rivier Hebros in zich op. En ziet - welk een wonder! - plotseling trilde de lier als met een liefelijke weeklacht. Liederen klonken over de golven en de oevers deden met zacht geluid de rouwzang weerklinken.

De stroom voerde het hoofd en de lier naar de open zee en de golven droegen ze verder tot aan het strand van Lesbos. Daar vond het hoofd eindelijk een laatste rustplaats. Orpheus' ziel echter zweefde omlaag naar het schimmenrijk. Hij herkende de plaatsen die hij eens had durven betreden om zijn geliefde vrouw te zoeken. Eindelijk mocht hij haar weerzien; met innige liefde omhelsde hij Eurydice! "Nooit meer zal de weg ons scheiden," sprak hij, en Eurydice stemde met hem in. Gelukzalig, arm in arm schreden zij over de velden van de onderwereld en wanneer Orpheus eens vooruitliep op het enge pad, mocht hij ongestraft naar zijn geliefde omzien.


*   *   *


Bron
"Griekse mythen en sagen" door Gustav Schwab. Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht, 2002.

Lees ook