Volksverhalen Almanak


Leeftijd:
Verteltijd: ca. 59 min.
Herkomst:




Ratu Kidul De West-Javaanse legende over de koningin van de Zuidzee

Ergens aan de zuidkust van het eiland Java ligt, diep in het zand begraven, de getuigenis van het verraad dat een koninkrijk naar de ondergang sleurde en een onschuldige prinses in het ongeluk stortte. Maar het stof van eeuwen en het voortwoekerende groen kunnen de waarheid niet verbergen en ieder oor dat luisteren wil kan het horen in het ruisen van de branding en van de wind die door de bomen fluistert: "Hoort, hoort het verhaal van Ratu Kidul."

Lang geleden leefde in het rijk Jaya Kulon eens een meisje dat Banyu Bening, Helder Water, heette. Haar ouders hadden haar die naam gegeven omdat ze aan het begin van de natte moesson was geboren, terwijl de regen in stromen neerviel en aarde en planten van de hellingen meesleurde. De rivieren stroomden over en het water steeg tot aan het bamboe hutje waar het kindje bij haar moeder lag. Het troebele water, dat tussen de palen door stroomde, spoelde het lichaam van het meisje schoon en als bij toverslag werd het helder. En de ouders waren vervuld van vreugde, want het was alsof het water en hun kindje een bijzondere band hadden met elkaar. De moeder wiegde Banyu Bening en luisterde naar het onweer, dat tegen de bergwanden roffelde en naar de regen, die het dak geselde. Maar plots werd haar droom verstoord door een angstig voorgevoel... Welk lot was dit kind beschoren? Hoe zwaar zou de last van het leven op haar schouders drukken? Met al haar krachten bande de vrouw de zorgen uit haar hart en toen het noodweer voorbij was en de zon begon te schijnen, speelde er weer een glimlach om haar mond.

Banyu Bening groeide voorspoedig op en haar ouders hielden veel van haar. En zelfs de schuwe dieren uit het woud vertrouwden Banyu. Zo kwam het dat ze nooit alleen was, wanneer ze onder het groene bladerdak dwaalde, langs de rivier, waar ze luisterde naar het zingen van de vogels en het ruisen van het water en de boomtoppen.

Zo ging de tijd voorbij. De afmattende hitte maakte plaats voor verkoelende regens, er werd gezaaid en er werd geoogst, tot er veertien jaren verstreken waren. Banyu Bening was nu een beeldschoon meisje geworden met schitterende ogen en een zacht, goudglanzend gelaat, omlijst door diepzwarte lokken. Ja, ze was zelfs zo mooi dat eenieder die haar zag dacht dat hij droomde of gestorven was.

Nu regeerde in het rijk Jaya Kulon een vorst, die een zoon had, genaamd prins Sucito. En deze baarde de koning grote zorgen, want sinds de dood van zijn moeder, de koningin, lachte de jonge prins niet meer. Tijdens de grote feesten was hij altijd alleen en vermaakte hij zich niet met de andere gasten. Maar het ergste van alles was dat hij zich niet voor vrouwen leek te interesseren, zoals de andere jongemannen van zijn leeftijd. De koning vreesde dat zijn rijk verloren zou gaan als zijn zoon niet in het huwelijk zou treden. Hij wilde de jongen wat afleiding geven door hem mee te zenden op de jaarlijkse jachtpartij. Hij hoopte vurig dat de prins daardoor zijn levenslust zou hervinden. De wijze patih Sujafar, die de koning altijd met raad en daad bijstond, zou de jongen vergezellen.

Sujafar nu was jaren geleden in dienst van de koning van Jaya Kulon gekomen en binnen korte tijd diens vertrouweling geworden, maar niemand wist precies wie hij was. Hij bewaarde zijn geheim angstvallig, want hij wilde voor geen goud ter wereld zijn huidige positie verliezen. Hij had immers al eens een vernedering moeten ondergaan...

Sujafar had als jongen al bijzondere gaven en was daarom bij een wijze in de leer gegaan. Maar de man doorzag de kwade aard van zijn leerling en Sujafar was beledigd vertrokken. Hij raakte verbitterd en de haat in zijn hart groeide met de tijd. Tot zijn grote spijt merkte hij dat hij zijn gaven langzamerhand verloor en hij nam een baantje als wachter in het vrouwenverblijf van een koning. Op een nacht had hij daar een van de vrouwen betrapt in het gezelschap van een man en onverwijld had hij het tweetal aan de vorst uitgeleverd. De man en de vrouw werden verbannen en ze waren al ver weg, toen de koning van het naburige koninkrijk Mataram liet vragen waar zijn koerier toch bleef. Het bleek dat de man een broer van de vrouw was geweest, maar het was nu al te laat om de twee nog te kunnen achterhalen. Het ergste van alles was dat de echtgenoot van de vrouw niet alleen zijn geliefde had verloren, maar ook het kind dat zij in haar schoot droeg en hij was dan ook diep bedroefd. Sujafar had zich al uit de voeten gemaakt nog voordat ze hem hadden kunnen ondervragen. Nee, niemand zou ooit een woord over zijn verleden horen...

De koning keek zijn zoon na, terwijl de stoet van dienaren en edelen zich met veel lawaai verwijderde en hij verzuchtte: "Och, als er toch een wonder kon geschieden. Trouwde mijn zoon maar, dan zouden al mijn zorgen voorbij zijn..." Hoofdschuddend trok hij zich terug in de kraton, waar hij op zijn troon ging zitten piekeren, maar dat hielp niet veel. De jacht verliep voorspoedig en de buit was groot. De mannen waren vermoeid en voldaan toen de buit was verzameld en gebonden. Een van hen riep: "Daar, laten we ons opfrissen in die rivier!" Dat was niet tegen dovemansoren gezegd en al spoedig was het een gespetter en geschater van jewelste.

Maar prins Sucito deed niet mee. Hij had zich teruggetrokken op een rustige plaats aan de oever van de rivier. Terwijl hij zijn kris schoonspoelde staarde hij gedachteloos naar het wateroppervlak. Plots gleed het wapen uit zijn hand en met een glinstering verdween het naar de bodem. De prins schrok en wanhopig zochten zijn ogen de bodem af. Toen hoorde hij een plons vlakbij en voordat hij besefte wat er gebeurde, rees er voor hem een beeldschoon meisje op uit het water. Met een sierlijk gebaar overhandigde zij hem het teken van zijn waardigheid, terwijl ze zei: "Ziehier, Heer, het wapen dat u zojuist verloor." En voordat hij het wist had de prins zijn hart al verloren. Hij haastte zich om haar te bedanken: "Zeg me wie je bent, zodat ik je kan belonen."

Maar plots weerklonk er een geweldig tumult en de prins draaide zich om. Sujafar had een dwerghert ontdekt, dat zich te dicht bij de rivier had gewaagd en hij joeg het dier achterna. Het meisje slaakte een kreet en wilde haar kameraadje te hulp schieten, maar voordat ze een stap had gezet, was het dier geveld door een van Sujafars pijlen. Buiten zichzelf van verdriet viel het meisje de wrede jager aan en als een wild dier beet ze hem in de hand. Een van de jagers schoot Sujafar te hulp en sloeg het meisje met een klap bewusteloos. Sujafar richtte zijn speer op de borst van het meisje, gereed om haar te doden, maar prins Sucito sprong voor hem en sloeg hem neer. "Sujafar, patih van de koning, ik waarschuw je! Waag het niet om haar ook maar een haar te krenken, want zij heeft zojuist mijn eer gered en ik zal haar daarvoor belonen."

Sujafar schrok, want hij had de prins nog nooit zo woedend gezien. Hij krabbelde overeind en streek met een hand zijn kleding recht. Zijn andere hand bekeek hij met een pijnlijk gezicht, terwijl hij zei: "Hoe kunt u zoiets van mij vragen? Ik eis genoegdoening! Dit is geen onschuldig meisje, dit is een wild beest. Ik zeg u, zij wilde mij doden!"

"Sujafar!" riep de prins uit. "Wie geeft jou het recht om haar van zoiets te beschuldigen? Jij bent een moordenaar, niet zij. Of weet jij soms niet hoe het kwam, dat mijn moeder stierf aan een kleine snede in haar linkerbeen? Alleen jij Sujafar, jij met je toverkunsten, weet hoe het kwam dat haar knie zo vervormd werd! Naar huis nu, maar weet dat ik je in de gaten houd!"

Sujafar zweeg, maar hij was woedend. De prins had het gewaagd hem in het bijzijn van anderen te beledigen en te beschuldigen van moord. Hoe was het toch mogelijk, dat hij door zijn listen en toverkunsten iedereen in zijn macht kon krijgen, behalve de prins. Zwijgend raapte hij zijn speer op, wetend dat hij zich zou wreken en hij maakte zich op voor de terugkeer naar het paleis.

Terwijl de jagers de terugtocht voorbereidden, hield prins Sucito zich afzijdig. Hij wilde het meisje immers nog naar haar naam vragen, maar toen hij zich omdraaide was zij er niet meer. De stoet had zich al in beweging gezet en de prins sprong op zijn paard. In volle galop reed hij naar het paleis, zodat hij ver voor de jachtstoet de kraton bereikte. Hij sprong van zijn paard en haastte zich naar de audiëntiezaal, waar de koning juist voor zijn onderdanen zat. Er heerste een plechtige stilte, die wreed verstoord werd toen Sucito binnenstormde.

"Vader!" riep hij. "Vader, ik wil trouwen!" Nu werd het nog stiller. De koning wist niet goed wat hij moest zeggen. Hij had niet verwacht dat de goden zijn wens zo snel en zo onverwacht zouden vervullen. "Mijn zoon toch, beheers je!" zei hij zo streng als hij kon. "Vergeef mij, vader," zei prins Sucito met zachte stem. "Vergeef mij mijn onbezonnenheid, maar ik smeek u om mijn verhaal aan te horen. Er is iets gebeurd, vader, wat mijn leven voorgoed heeft veranderd."

"Wel mijn zoon," sprak de koning, die nu wel zeer benieuwd was naar wat zijn zoon te vertellen had. "Ga je gang, ik luister."

En de prins vertelde het hele verhaal, hoe een meisje zijn kris had gered, hoe Sujafar haar had willen doden, nadat ze een weerloos dwerghert verdedigde en vooral, ja vooral, hoe mooi ze was. "Vergeef mij, vader. Ik kan het niet helpen, ik zie haar steeds weer voor me. Wat is er aan de hand, vader? Ik weet niet wat ik moet doen. O, ik wil trouwen, vader. Ik wil niets liever dan trouwen!"

"Genoeg nu, mijn zoon," sprak de vorst, die zijn best moest doen om nors te blijven klinken. "Ga nu. Ik zal erover nadenken." Maar zijn hart danste en jubelde van vreugde. Eindelijk wilde zijn zoon in het huwelijk treden. Sucito groette zijn vader eerbiedig en deed zonder morren wat er van hem werd verlangd, want hij wilde zijn vader niet kwaad maken. De prins was nog maar net vertrokken of Sujafar betrad de audiëntiezaal, trillend van woede. De vorst luisterde geduldig naar hetgeen zijn patih te vertellen had, maar het was een heel ander verhaal dan dat van zijn zoon. De prins had Sujafar beledigd, zelfs beschuldigd van moord, ten overstaan van alle aanwezigen en dat alles omwille van een wild dier. Een wild dier dat hem even tevoren levensgevaarlijk had verwond! En hij liet zijn gewonde hand zien, terwijl hij jammerde: "Die kan ik nu nóóit meer gebruiken!"

De vorst zweeg. Prins Sucito was wel zeer ver gegaan in zijn beschuldigingen. Maar de koning was een wijs man en liet zich niet verleiden tot een overhaaste beslissing. "Ga nu heen, Sujafar, ik heb je verhaal gehoord. Vooraleer ik mijn oordeel vel, wil ik het meisje zelf zien, want ik wil afwegen wat het zwaarst weegt: jouw gewonde hand of de toekomstige vorst van dit land!"

Sujafar trok wit weg van woede, maar gaf niettemin gehoor aan het bevel van de vorst. Hij liep terug naar zijn verblijf, terwijl de edelsteen in de kris, die hij in zijn gordel had gestoken, een gifgroen licht uitstraalde.

Een boze raadsman is een gevaarlijke raadsman, wist de vorst en daarom bedacht hij een plan. Zijn zoon wilde trouwen. Nu, aan die wens wilde hij graag gehoor geven, maar er waren twee problemen. Ten eerste Sujafar, die het meisje liever dood dan levend zag en ten tweede het feit dat zij van lage komaf was. Dat laatste stond een huwelijk in de weg, want de wet in Jaya Kulon bepaalde dat een man die beneden zijn stand huwt, voorgoed tot die stand zal behoren. Dat mocht met zijn zoon niet gebeuren en daarom besloot de vorst dat zijn zoon eerst maar eens met een prinses moest trouwen. Een groot probleem was dat niet, want de vorst van Mataram had twee huwbare dochters, genaamd prinses Nurid en prinses Andiah, maar hij had geen troonopvolger. De enige voorwaarde die aan een huwelijk werd verbonden, was dat de eerste zoon uit dit huwelijk in Mataram zijn opvoeding zou krijgen.

De zaak was dus snel beklonken en de prins kon zijn keuze maken uit de twee prinsessen. Prinses Nurid, de oudste van de twee, was hem het liefst en het huwelijk werd voltrokken. Daarop vertrokken zij naar Jaya Kulon, gevolgd door Nung, de helderziende voedster van de prinses. Het jonge paar werd met afgunst gadegeslagen door de jongste zuster, prinses Andiah, wier vurige wens het was geweest om koningin te worden. Ze nam zich voor zelf ooit die plaats in te nemen, die haar zuster nu had ingenomen.

Nu de prins een adellijke echtgenote had, stond niets meer een huwelijk met het mooie meisje uit het bos in de weg. Hij zocht haar op en vroeg haar ouders om haar hand. Zij stemden toe in een huwelijk, maar niet zonder hem eerst te waarschuwen. Sinds de dag van de jachtpartij leed hun dochter Banyu Bening aan een geheimzinnige ziekte, die haar om twaalf uur 's middags en twaalf uur 's nachts bulten en zweren bezorgde, die haar hele lichaam overdekten. Er was dan maar één middel dat haar kon genezen en dat was water. Maar de prins was te verliefd om daaraan aandacht te besteden en hij vertrok spoorslags naar de kraton om alles op de komst van Banyu te laten voorbereiden.

Enkele dagen later kwam hij haar ophalen, maar tot zijn schrik vond hij twee vrouwen in tranen. De vader van Banyu was vermoord. Door wie, dat wisten ze niet, maar naast het lichaam hadden ze een groene steen gevonden. Prins Sucito voelde een siddering door zijn lichaam gaan, toen hij de steen zag. Hij schitterde zo felgroen, alsof alle haat ter wereld zich erin had samengebald. En toch had hij het gevoel dat hij de steen eerder had gezien. Haastig liet hij Banyu plaatsnemen in de draagstoel en de stoet begaf zich op weg naar de kraton. In de paleistuin had zich een grote menigte verzameld, die de komst van de tweede bruid van prins Sucito reikhalzend afwachtte. De mensen slaakten een zucht van verbazing toen ze het meisje uit de draagstoel zagen stappen. Alle goden, hoe kon een menselijk schepsel zo mooi zijn. En dit was maar een meisje van lage komaf? Naast de prins liep Banyu de trap op om haar opwachting te maken bij de vorst. De edelen, die voor de vorst zaten, sloegen het meisje met enige afkeuring gade. Het had geen pas voor een meisje uit het gewone volk om naast een prins te lopen. Geschokt keken zij naar de vorst om te zien of deze in toorn zou ontsteken, maar de vorst glimlachte alleen maar. Hij was diep onder de indruk van de schoonheid van dit meisje. O, zijn zoon had geen woord te veel gezegd. Waakte hij of droomde hij? Deze gratie, deze edele gelaatstrekken... Hoe was het mogelijk dat dit maar een gewoon meisje was? Banyu liep naar voren en knielde eerbiedig voor de vorst. "Sta op, mijn dochter," sprak deze met een trilling in zijn stem. "Jij zult de tweede vrouw van mijn zoon zijn, zoals hij dat wenste." Daarop wendde hij zich tot de aanwezigen en zei: "Ziehier de tweede vrouw van mijn zoon Sucito en wees haar altijd trouw!" Opgelucht haalden de edelen adem en zij bogen diep voor hun wijze vorst, terwijl het volk in een luid gejuich losbarstte.

Maar er was een man, die niet wilde delen in de vreugde over het huwelijk: heimelijk verliet Sujafar de zaal. Hij haastte zich naar zijn vertrekken, maar in de tuin werd hij tegengehouden door een vrouw. Het was de moeder van Banyu Bening, die op zoek was naar de bezitter van de groene steen. Ze liet Sujafar de steen zien en vroeg of hij de bezitter ervan kende. Sujafar keek haar minachtend aan en griste de steen uit haar hand, terwijl hij zei: "Ik weet niet waar je deze steen gestolen hebt, vrouw, maar ik zal wel zorgen dat de bezitter terugkrijgt wat hem toebehoort."

Prinses Nurid, die alles had gezien, schoot de vrouw te hulp. "Je hebt het recht niet deze vrouw te beschuldigen, Sujafar," sprak zij. Sujafar siste en maakte zich uit de voeten, terwijl de beide vrouwen hem nakeken.

De tijd verstreek en er heerste welvaart en overvloed in Jaya Kulon. De oogsten waren nooit tevoren zo rijk geweest als nu en iedereen was gelukkig. Ja, het was alsof de twee vrouwen van de prins het hele rijk verlichtten met hun schoonheid en hun goede hart. Spoedig werd het geluk bekroond, toen prinses Nurid een zoontje kreeg. Maar na een jaar werden moeder en kind gescheiden, want het was afgesproken dat de jongen in Mataram zou worden opgevoed. Prinses Nurid vond troost bij Banyu Bening, die als een zuster voor haar was. Haar eigen zuster prinses Andiah echter werd verteerd door jaloezie, omdat prinses Nurid nu niet alleen met een prins getrouwd was, maar ook nog eens een troonopvolger ter wereld had gebracht.

Ondertussen werd Banyu Bening steeds stiller en ze trok zich rond het middaguur steeds vaker en langer terug. De ziekte waaraan zij leed sinds de dag van de jacht werd met de dag heviger. Prinses Nurid maakte zich zorgen om haar en ging te rade bij haar helderziende voedster Nung, die haar vertelde dat het mogelijk was dat de ziekte werd veroorzaakt door tovenarij.

Omdat zij ten zeerste gesteld was op Banyu Bening, besloot prinses Nurid om op onderzoek uit te gaan. Tezamen met Nung bespiedde zij Sujafar overdag bij zijn wandelingen in de paleistuinen. Tot hun grote schrik ontdekten zij dat hij daar met een onzichtbaar wezen sprak. Het was een djinn, geboren uit Sujafars boze hart en een schepsel van zijn haat. En 's nachts in zijn vertrek prevelde hij geheimzinnige spreuken en Banyu's naam, terwijl hij poeder over een groene steen strooide. Prinses Nurid keek sprakeloos toe; het was dus Sujafar, die Banyu Bening betoverde. Maar toen zag zij dat Sujafar niet alleen was en de schok van herkenning was zo hevig, dat ze onwillekeurig een kreet slaakte. Sujafar snelde naar de deur, maar de vrouwen waren er al vandoor. Hij bukte zich, want er lag iets op de grond. Het was een sjaal, die hij feilloos herkende. Hij draaide zich om en sprak: "Het was je zuster, prinses Andiah."

De volgende dag was het paleis in rep en roer, omdat de koning was omgekomen tijdens oefeningen in het veld. Hij was getroffen door zijn eigen pijl, die zich in de lucht had gekeerd, alsof er een onzichtbaar wezen in het spel was. Maar niet alleen de koning was nu dood, ook prinses Nurid was op geheimzinnige wijze gestorven. Nung had haar gevonden. Het drinkwater van de prinses was vergiftigd en Nung begreep wie dit op zijn geweten had. De prins, die juist op reis was toen dit alles gebeurde, keerde spoorslags terug naar de kraton, toen hij vernam dat zijn vader en zijn eerste vrouw op dezelfde dag waren gestorven. Prins Sucito moest nu zijn vader opvolgen, maar wie zou de koningin aan zijn zijde worden? Banyu Bening was immers van lage komaf? Maar o wonder, het volk uitte eensgezind de wens dat zij tot vorstin verheven zou worden en aldus geschiedde. Zij moest een nieuwe naam krijgen, die zou passen bij haar status. Omdat zij uit het zuiden was gekomen, noemde men haar nu Ratu Kidul, de vorstin uit het zuiden. Er werd een groots feest aangericht voor de inwijding van het nieuwe koningspaar. De gasten waren van heinde en verre naar Jaya Kulon gekomen met de kostbaarste geschenken en de wijn vloeide rijkelijk, maar de wijn die de vorst dronk was Sujafars wijn.

Magiërs en astrologen uit alle windstreken hulden zich in wierook en raadpleegden de geesten, goden en de sterren. Tot hun schrik voorzagen zij een groot onheil: de nieuwe vorstin was in groot gevaar. Een boze betovering zou haar lot bestemmen en zij zou wederom een nieuwe naam krijgen: Nyai Lara Kidul. Nyai was: de verhevene. Maar Lara, wat moest dat betekenen? Lara was immers: ziek of geest? Niemand wist het. Daarop sprak een der wijzen: "Er zullen er twee zijn, die u willen helpen, maar falen zullen zij. De derde, die zal slagen, uit een vreemd land komt hij. Wij weten dat de Hogere Macht het zo wil. Uiteindelijk zult u worden: de Ratu Adil!"

Ratu Kidul was verbijsterd. Zij, de Ratu Adil, de vorstin die kwaad en onrecht zou uitbannen? Ze kon geen woord uitbrengen, maar Nung was helder van geest en legde deze woorden vast. Het feest ging voort, maar het gemoed van de nieuwe vorstin was bezwaard. De tijd verstreek en het volk kreeg nieuwe zorgen, want na de lange tijd van voorspoed leek nu het tij gekeerd te zijn. De vissen dreven in groten getale dood in de vijvers en felle branden vernietigden de oogst. De honger begon te knagen en de regens bleven uit. Het land scheurde open en de planten verdorden. Nu wist men: dit moest het werk van het kwaad zijn.

Ook Ratu Kidul kreeg het moeilijk. De waterschacht waarin zij zich gewoonlijk waste viel droog en zij moest nu telkens als de ziekte weer toesloeg met afschuwelijke vervormingen, haar toevlucht zoeken tot de rivier. Maar hoe voorzichtig ze ook was, het lukte haar niet om daar ongezien te blijven, omdat de vrouwen er hun was deden en de kinderen er zwommen. "Daar!" riep iemand. "Daar is de boze geest, die onze oogsten vernietigt en ons water vergiftigt!" Een regen van stenen daalde op Ratu Kidul neer en verblind door angst en tranen vluchtte zij terug naar het paleis. Maar in het land deed al gauw het gerucht de ronde, dat de boze geest die het hele land kwelde uit het paleis afkomstig was. En die geest droeg dezelfde kleding als Ratu Kidul.

Ondertussen bereikte een droevige tijding de kraton: de vorst van Mataram was overleden en omdat de zoon van prinses Nurid nog te jong was, zou Sucito de troon moeten bestijgen. De Raad van Mataram had echter een bezwaar: Ratu Kidul was van lage komaf en in Mataram gold de wet 'Hoog blijft Hoog en Laag blijft Laag'. Koning Sucito zou een vrouw van zijn stand moeten kiezen, in het belang van zijn zoon. De koning wilde zijn vrouw en zoon niet in verlegenheid brengen en vroeg daarom Sujafar om raad. Sujafar glimlachte. De oplossing was immers zo eenvoudig. Was de koning dan vergeten dat prinses Andiah er ook nog was? Zij was toch ook mooi en bovenal: van koninklijke bloede.

Sucito kon niet meer helder denken. Dat gebeurde hem wel vaker de laatste tijd. En steeds vaker liet hij belangrijke beslissingen liggen, omdat hij zo onzeker was. Het klonk toch verstandig, wat Sujafar zei? Hij vroeg Nung om raad en zij stelde voor om toch eerst Ratu Kidul voor de Raad van Mataram te laten verschijnen. Hiermee kon Sucito instemmen, want hij hield zielsveel van zijn vrouw.

Prinses Andiah sprong op van vreugde, toen zij vernam dat ze de vrouw van de koning zou worden. Ze liet zich dadelijk door haar bedienden mooi maken en in de prachtigste kledij steken.

Ondertussen moest Ratu Kidul in Mataram voor de Raad verschijnen, maar deze onderneming bleek niet geheel van gevaar ontbloot te zijn. In het holst van de nacht was een onbekende haar verblijf binnengedrongen met de bedoeling zich aan haar te vergrijpen. Goddank had een edelman haar eer kunnen redden door de indringer te overmeesteren. Het was de leraar van de jonge prins. Hij had ooit op tragische wijze zijn vrouw en kind verloren, toen zijn vrouw verbannen werd. Hij meende haar te herkennen, maar hij bedacht dat hij een dwaas moest zijn als hij na al die jaren nog hoopte op de terugkeer van zijn vrouw en het kind dat hij nog nooit gezien had.

Toen Ratu Kidul voor de Raad verscheen, waren allen het erover eens dat zij als vorstin erkend zou moeten worden. Er was toch een edelman in hun midden, die eens zijn vrouw en ongeboren kind had verloren? Er zou een verklaring afgelegd kunnen worden dat Ratu Kidul zijn dochter was. Daarop keerde Ratu Kidul terug naar Jaya Kulon. Sucito had zijn bedenkingen. Hoe zou hij ooit met een leugen kunnen leven? Nung zei hem de moeder te vragen wie toch de vader van Ratu Kidul was, maar zodra Sucito haar de vraag stelde, begon de vrouw zo hevig te wenen, dat zij geen woord meer kon uitbrengen. En daarom vond het huwelijk met prinses Andiah toch plaats, in Mataram, al had Sucito laten bepalen dat zij altijd op de tweede plaats, na Ratu Kidul zou komen.

Prinses Andiah was diep beledigd, maar het was al te laat. Trillend van woede liep zij naar haar vertrek, waar zij tot haar verrassing de groene steen van Sujafar vond. Nu zou ze zelf kunnen toezien op de vernietiging van Ratu Kidul. Maar ze wist niet dat Sujafar de steen had betoverd: als de steen brak, zou zijn djinn prinses Andiah vermoorden. Ondertussen bracht Ratu Kidul haar eenzame uren door in Jaya Kulon. Ze was alleen, want haar bediende was er niet en toen tegen middernacht de pijnlijke vervormingen haar weer kwelden, moest zij alleen naar de waterschacht. Angstig begaf zij zich in het duister, terwijl haar adem stokte bij elk onheilspellend geluid. Ze was er bijna, toen zij onverwachts werd vastgegrepen en meegesleurd. Twee krachtige armen wierpen haar in een koude grot, terwijl een stem siste: "Wanneer je morgen voor het volk verschijnt, zal je geheim onthuld zijn en men zal je Lara noemen, zelfs na je dood. Alleen aan je haarwrong zullen de mensen je kunnen herkennen, tenminste, als je aan ze kunt verschijnen. Want mijn djinn zal je voor eeuwig vervolgen."

Daarop spoog Sujafar in zijn handen en sloeg hij Ratu in het gezicht. En de grot sloot zich met een dreun. Ratu Kidul weende zachtjes, maar plotseling hoorde zij de stem van haar moeder. Zij was met haar opgesloten en probeerde haar te troosten in deze afschuwelijke nacht.

Als een lopend vuurtje had het nieuws over de verdwijning van Ratu Kidul de ronde gedaan en het volk, geroepen door de tong-tong, dromde samen voor het paleis. Sujafar gaf de soldaten het bevel Ratu Kidul en haar moeder aan het volk te tonen. Ze sleurden de vrouwen naar buiten.

"Ziehier uw vorstin: Lara Kidul!" riep Sujafar. Het volk verkilde van ontzetting. Dit was de demon, die het land zoveel onheil bracht. Een vrouw trad naar voren, met tranen in haar ogen, terwijl ze sprak: "Dit is uw werk, nietwaar?" Daarop richtte zij zich tot de menigte en vervolgde met de woorden: "Volk van Jaya Kulon, hoor mij aan. Als u Ratu vervangt door Lara, zeg dan Nyai Lara Kidul, want u hebt haar zelf tot vorstin verheven."

Sujafar gaf zijn soldaten het bevel om de vrouw het zwijgen op te leggen, maar daartoe kreeg hij de kans niet. De koning was onverwachts teruggekeerd uit Mataram en trad naar voren. "Laat deze vrouw uitspreken," zei hij en de vrouw vertelde hoe Sujafar de vorstin bewerkte. "Breng mij water en zie toe hoe zij geneest!" zei de vrouw.

De koning wenkte en een dienaar haastte zich om het bevel uit te voeren. Zodra de vrouw het water had, bette zij het gelaat van Ratu Kidul en de bulten en zweren verdwenen als bij toverslag. Stralend als nooit tevoren stond zij voor de menigte. Nu was de vorst buiten zichzelf van woede en voordat iemand kon ingrijpen dreef hij zijn kris in het lichaam van de valse patih, die levenloos neerzeeg. "Dit is je vonnis," sprak hij en hij bukte zich om Sujafars kris uit de gordel te nemen. "Nung, waak over dit wapen, opdat geen kwaad meer zal geschieden," zei hij, terwijl hij haar de kris aanreikte. Nung zag dat er uit de zetting een steen ontbrak.

In Mataram vernam prinses Andiah wat er was gebeurd. Ze voelde zich verslagen nu Sujafar dood was, want al had zij veel van hem geleerd, zonder zijn hulp zou het nog lang kunnen duren voordat Ratu Kidul haar niet meer zou hinderen. Het enige wat haar restte was zich zo te kleden als haar rivale, maar hoezeer ze zich ook inspande, ze slaagde er niet in Ratu Kidul te evenaren. En die haarwrong kreeg ze al helemaal niet gedaan. Het ergerde haar als zij zag dat Ratu Kidul nog steeds de lieveling was van het volk en dat maakte haar er niet mooier op.

Ondertussen was de leraar van de kroonprins, die Ratu Kidul destijds had gered, blijven piekeren. De jonge prins merkte dat en vroeg zijn leraar wat er scheelde. Toen deze hem zijn verhaal had toevertrouwd, adviseerde de prins hem om zelf op onderzoek te gaan. De leraar begaf zich naar Jaya Kulon en zocht de moeder van Ratu Kidul op. Hoe groot was zijn vreugde, toen hij zijn verloren gewaande vrouw herkende, maar hoe groot was ook zijn verdriet toen hij hoorde dat zijn dochter, Ratu Kidul, aan een geheimzinnige kwaal leed. Spoorslags keerde hij terug naar Mataram, waar hij de prins van zijn bevindingen vertelde. Er was tovenarij in het spel. Dat verklaarde ook waarom koning Sucito zich zo vreemd en besluiteloos gedroeg.

De prins maakte zich grote zorgen, want het werd met de dag erger. En op een nacht, toen hij de slaap niet kon vatten, besloot hij om in de tuin te gaan wandelen. Toen hij bij het verblijf van prinses Andiah was gekomen en haar hoorde praten, wilde hij even kijken of alles in orde was. Ze merkte niet dat hij keek, omdat ze te zeer verdiept was in haar bezigheden. Op de tafel voor haar lag een groene steen en terwijl ze een poeder over het voorwerp strooide prevelde zij de woorden: "Vermink en verlam de geest van Ratu Kidul..."

De prins vroeg zich af of prinses Andiah ook de hand had gehad in de dood van Sucito's vader en prinses Nurid. Hij vreesde dat prinses Andiah nog meer van plan was. Wellicht wilde zij het hele koninkrijk in handen krijgen. Zo kwam het dat de prins en zijn leraar besloten om de zaak nader te onderzoeken en prinses Andiah in de val te lokken.

De dag brak aan, waarop de ceremonie voor het feest van de rijstgodin Dewi Sri zou plaatsvinden. Ratu Kidul moest haar opwachting maken bij de plechtigheid in Mataram en Nung ging met haar mee, vermomd als man, want koning Sucito had haar verboden om Ratu Kidul te begeleiden. Ratu Kidul werd waardig ontvangen aan het hof van Mataram. Op de eerste dag van het feest vond de eredienst voor Dewi Sri plaats in de tempel. De kroonprins bestudeerde alle aanwezigen, maar wacht, er ontbrak iemand: prinses Andiah was niet gekomen. Wat was zij van plan?

Hij kreeg al snel antwoord op zijn vraag. Nauwelijks was het gebed begonnen of Ratu Kidul voelde de koorts opkomen. En ze kon onmogelijk ongezien wegglippen. Terwijl ze zich tot het uiterste inspande om haar tranen van machteloosheid te bedwingen, trok ze haar sluier nog iets lager. Ze keek voorzichtig op en zag tot haar grote opluchting dat niemand iets had gemerkt. Daarop viel haar oog op de prins, die haar blik met een glimlach beantwoordde, terwijl hij opstond en geruisloos verdween. Ze schrok toen ze de kris in zijn gordel zag. Waarom droeg hij een wapen in de tempel?

Plotseling verstoorde een luide schreeuw haar overpeinzingen en ze keek verschrikt op. "Daar zit zij, de valse vrouw, die mij tot waanzin wil drijven!" Koning Sucito was opgestaan en wees naar Ratu Kidul. "Doe weg die sluier en laat iedereen zien wie je bent, jij boze geest! Vervloekt ben je! Een dag krijg je om dit land te verlaten voordat ik je ter dood zal laten brengen. Verdwijn! Uit mijn ogen, nu!"

Ratu Kidul stond langzaam op en trok de sjaal weg. Sprakeloos keken de aanwezigen naar het misvormde gelaat van de vorstin, die kalm en schijnbaar onbewogen sprak: "U weet dat ik deze kwaal te danken heb aan tovenarij. Eens was u er zelf getuige van en de schuldige, uw patih, hebt u zelf gekrist. Breng mij een kruik met water en zie dat ik zal genezen!" In een oogwenk was er een bediende, die voor de vorstin knielde en haar de gevraagde kruik aanreikte. Ratu bette haar gelaat met het vocht, maar plots kromp ze ineen van de pijn. Het was geen water, het was een bijtend zuur!

"Zie!" riep de koning. "Het bewijs is geleverd. Zij is de demon die dit land in het verderf wil storten. Verdwijn, en waag het niet ooit nog terug te keren!"

Ratu Kidul trilde over heel haar lichaam. Het zuur sneed in haar huid en Sucito's woorden sneden door haar ziel. Een uitzinnige menigte joeg haar op: "Verdwijn, demon! Verdwijn!" Zij rende voor haar leven, ze struikelde en krabbelde weer overeind, totdat ze uitgeput neerzeeg.

"Het is ongelooflijk, Nung, hoe snel het water haar geneest," sprak een stem dichtbij. Ze voelde hoe met zachte hand haar gelaat werd gebet en hoe de brandende pijn langzaam wegtrok. "Ik zal nu mijn leraar waarschuwen, we moeten Andiah stoppen en mijn vader moet wijken voordat dit uit de hand loopt. Vlucht voor jullie leven, want het volk is uitzinnig van woede. Neem dit goud, voor onderweg." Ratu Kidul richtte zich moeizaam op.

Voor haar zat de kroonprins. "Aanvaard mijn eerbied, vorstin. Misschien zal ik u nooit meer zien." En met een eerbiedige sembah nam de kroonprins afscheid van haar. Nu begon de vlucht van Ratu Kidul, tezamen met Nung en haar moeder. Dag na dag liepen zij voort in zuidelijke richting, zonder ook maar een moment te rusten.

Twee, drie dagen waren verstreken, toen de moeder van Ratu Kidul van uitputting overleed. Nung begroef de vrouw vol eerbied en verder ging de tocht, totdat ze op de vierde dag het strand bereikten en Ratu Kidul dodelijk vermoeid neerzeeg en in slaap viel. Ze had een visioen, waarin een in het wit geklede man aan haar verscheen. Hij was gezonden door de gebieder van de oceaan. In het rijk onder de golven zou zij bescherming vinden tegen de boze geest die haar achtervolgde, tot de dag aanbrak, waarop zij als de Ratu Adil wederom het land zou betreden.

De volgende morgen vertelde zij aan Nung wat zij had gezien. Nung raadde haar aan nog niet meteen te besluiten, maar te wachten tot de zee de boodschap zou herhalen.

Ondertussen was na hevige gevechten aan het hof de rust weergekeerd en koning Sucito zat verdwaasd op zijn troon. Langzaam drong tot hem door wat er was gebeurd en hij betreurde het tot in het diepst van zijn hart. Wat had hem bezield?

Zo verstreken vele dagen in een roes van verdriet en verbijstering en vijf dagen waren voorbij toen koning Sucito in de morgen van de zesde dag leek te ontwaken uit zijn droomloze slaap. Juist op dat moment trad de kroonprins binnen en verzocht zijn vader om naar hem te luisteren. Hij wenkte zijn leraar en zei: "U zult mijn getuige zijn." Daarop stak hij zijn hand naar voren en liet een haarlok zien. "Met deze haarlok van u kon de boosaardige vrouw uw geest verduisteren en u haar wil opleggen. En dit is het voorwerp, waarmee zij Ratu Kidul betoverde." Met verbazing bekeek de vorst het voorwerp dat zijn zoon hem toonde. Dit was de steen, die hij al eens had gezien! "Toon mij de vrouw, die dit op haar geweten heeft. Zij zal haar gerechte straf niet ontlopen!" riep de koning nu vastberaden.

Onder hevig verzet werd prinses Andiah voorgeleid en Sucito was buiten zichzelf van woede toen hij haar zag. "Hiervoor zal ik je eigenhandig krissen, Andiah!" zei hij. Maar Andiah hief haar hoofd trots op en zei: "Dat zul je niet, want ik ben een vorstin en alleen de Raad van Mataram mag hierover beslissen."

"Zwijg!" brulde Sucito en hij greep naar zijn kris, maar nog voordat hij het vonnis kon voltrekken had de leraar, die buiten zichzelf was van verdriet, de steen uit de hand van de prins gegrist. Nooit meer mag iemand mijn dochter kwaad doen, dacht hij en met al zijn krachten wierp hij de steen op de grond, waarop het voorwerp in duizenden stukken uiteen spatte. En uit het niets verschenen nu plots twee handen, die zich om de hals van prinses Andiah sloten en het leven uit haar persten. De mannen keken verbijsterd toe, terwijl het levenloze lichaam met een dof geluid op de vloer viel. Nu begon de aarde te beven, heviger en heviger zodat de muren scheurden.

Ondertussen zat aan de zuidkust Ratu Kidul op een rotspunt roerloos te wachten op een roep uit de zee. "Ratu Kidul... Ratu Kidul," fluisterde een stem op de wind. Ze hief het hoofd op en luisterde. "Ratu Kidul, op het land kunt u niet meer leven. Kom, Ratu Kidul, alleen ik kan u beschermen!"

Het was zoals Nung had gezegd, de boodschap herhaalde zich. Ze boog haar hoofd en fluisterde: "Ik ben gereed, o Geest der Zee. Ik wil leven in uw rijk, kom en neem mij mee." De aarde beefde, het land scheurde en de oceaan kolkte als nooit tevoren. Een golf zo hoog als een bergwand snelde naderbij. Met donderend geraas verdwenen bomen, rotsen en land onder de watermassa. Het water beukte tegen de kust tot aan het kleine strand en Nung keek verbijsterd toe. Een golf rees op, als een reusachtige schelp en snelde toe op de rots, waar Ratu Kidul zat. Te midden van het geraas van de golven en de lawines leek Nung een stem te horen: "Vaarwel lieve Nung!" En toen zag zij hoe de golf Ratu Kidul voorzichtig opnam en meedroeg naar de zee. Als een laatste groet hief de vorstin haar hand op en daarop verdween zij uit het zicht.

Snikkend liet Nung zich op de grond zakken en zelfs toen de beving was opgehouden, merkte zij het niet. Hoe lang ze zo had gelegen wist ze niet, maar plots kriebelde er iets aan haar voet. Toen zij opkeek zag zij dat het een krab was, die zich licht over het zand bewoog. Het dier schreef een boodschap voor haar: "Ga heen en teken op wat is geschied. Begraaf het dan diep in de grond, opdat het eens gevonden zal worden en de waarheid bekend moge worden. Men zal weten dat het geen zelfmoord was." Nung vervulde deze opdracht, die de laatste van haar leven zou zijn.

De rust is nu weergekeerd en het rijk Jaya Kulon is voor immer verdwenen onder de golven van de oceaan. Diep in de duistere wateren wacht Ratu Kidul op de dag dat zij Java weer zal mogen betreden als de Ratu Adil. Maar nog altijd waart de boze schepping van Sujafar rond om dood en verderf te zaaien, opdat niemand in de onschuld van de vorstin zal geloven. De Geest der Zee, die haar bewaart, straft eenieder die niet oprecht is en zich durft te kleden in haar kleuren, blauw en groen. Maar wie luistert naar de wind, die zucht en weeklaagt, en de golven, die zich op de zwarte rotsen storten, treurend om het leed dat een onschuldige prinses moest verdragen, die zal veilig zijn.


*   *   *

Ratu Kidul Samenvatting
De West-Javaanse legende over de koningin van de Zuidzee.

Toelichting
Ratu Kidul of Nyai Lara Kidul is de koningin van de Zuidzee. Ze heeft haar verblijf onder de golven van de oceaan en komt in vele legenden voor. Deze versie is een bewerking van het verhaal, zoals het in dichtvorm naar de Westjavaanse overlevering is verteld door René Adeboi.

De dichtvorm waarin de Westjavaanse verhalen worden overgeleverd is de pantun, die gereciteerd wordt onder begeleiding van muziekinstrumenten.

Het geloof in Nyai Lara Kidul leeft voornamelijk in het zuiden van Java, waar bepaalde plaatsen en rituelen aan haar gewijd zijn. Een voorbeeld hiervan is Labuhan, het feest ter gelegenheid van de verjaardag van de vorst van Yogyakarta.

In het zuiden van Java doen talloze verhalen de ronde over verdrinkingen en ongelukken die het werk van Nyai Lara Kidul zouden zijn. De stroming in de Zuidzee is dan zo verraderlijk, dat zelfs ervaren zwemmers op hun hoede moeten zijn. Daarnaast wordt het dragen van de kleuren groen of blauw hier ten zeerste afgeraden, omdat het de kleuren van Nyai Lara Kidul zijn. De drager beledigt hiermee de vorstin, die hem onheil zal zenden.

Nyai Lara Kidul kan zowel positief als negatief optreden, omdat zij - als alle chtonische wezens - twee kanten heeft. Enerzijds is zij de heerseres over geesten en demonen die in de duistere wateren wonen en het eiland Java bevolken, anderzijds is zij in staat mensen voorspoed en rijkdom te schenken. Zij wordt ook wel in verband gebracht met de slang, die haar verblijfplaats eveneens in de duistere wateren heeft, en daarom in relatie wordt gebracht met geesten en demonen. De slang is echter tevens symbool voor het leven en brengster van rijkdom.

De relatie tussen Ratu Kidul en het water wordt in dit verhaal duidelijk gelegd. In andere verhalen brengt Nyai Lara Kidul regen of noodweer, waarmee zij kan belonen of straffen. Het tweezijdige karakter van Ratu Kidul uit zich in dit verhaal in de ziekte, die haar zo afschuwelijk misvormt. Men gelooft dat Nyai Lara Kidul verschijnt als een beeldschone jonge vrouw, wanneer de maan vol is, terwijl zij als de maan donker is, verschijnt als een oude vrouw. Zij treedt ook op als de mystieke bruid van vorsten van Java, die hieraan hun aardse macht ontlenen (zie ook het verhaal Hoe Senapati koning van Java werd).

Het verhaal verklaart wie Ratu Kidul of Nyai Lara Kidul is en spreekt andere overleveringen, waarin wordt beweerd dat zij een hooghartige prinses was die uiteindelijk zelfmoord pleegde, tegen.

Naar: Inten Bayan (René Adeboi), 'De legende van Njai Loro Kidoel'.

Trefwoorden

Verhaalsoort

Bron
"Volksverhalen uit kleurrijk Nederland. Draken en andere vreemde wezens. Verhalen uit de Chinese, Joodse, Nederlandse, Indiase, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Indonesische verteltraditie" verschenen bij Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, 1991.

Herkomst: Indonesië
Verteltijd: ca. 59 min.
Leeftijd: vanaf 12 jaar

Lees ook